Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2437

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
02-09-2013
Zaaknummer
BK-12/00719
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:16159, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. De inspecteur heeft, tegenover de verklaringen van belanghebbende van het tegendeel, met de verklaring van de parkeercontroleur onvoldoende bewezen dat belanghebbende diens auto in strijd met de voorwaarden zonder geldige vergunning heeft geparkeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1722
Belastingblad 2013/434
V-N 2013/60.22.5
FutD 2013-2254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00719

Uitspraak van 21 juni 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juli 2012, nummer AWB 12/1379, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is op 19 december 2011 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 115 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 mei 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 19 december 2011 om 15:34 uur staat de auto van belanghebbende met het kentekennummer [kenteken 1] op een parkeerplaats in de [a-straat] te Den Haag. De parkeerplaats is door burgemeesters en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats, dat wil zeggen een parkeerplaats waar uitsluitend met een vergunning of met een parkeerkaartje mag worden geparkeerd.

3.2. Een parkeercontroleur constateert op dat moment dat in de auto geen originele bewonersvergunning (transponderkaart) aanwezig is. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd van € 53,70 (€ 1,70 belasting en € 52 kosten).

3.3. Belanghebbende beschikt over een op twee kentekennummers, te weten [kenteken 1] en [kenteken 2], afgegeven bewonersvergunning.

3.4. De door de Inspecteur overgelegde ’Ambtsverklaring van constatering’ van de parkeercontroleur vermeldt: ”(…) Ik zag toen dat er achter de voorruit van deze personenauto een bewonersvergunning lag, voorzien van het nummer [...]. Deze bewonersvergunning is geldig in het gebied [..] bij de kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2]. Ik zag toen dat deze bewonersvergunning een kleurenkopie was. Ik zag dit namelijk aan de kleur, dikte, de manier waarop deze was uitgeknipt en geplastificeerd. (…)”.

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

5.

In geschil is de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

6. [

Belanghebbende] beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft  zakelijk weergegeven  aangevoerd dat hij geen kopie van de bewonersvergunning achter zijn voorruit heeft geplaatst. Hij had hiertoe geen reden aangezien hij voor de vergunning heeft betaald. Sinds afgifte van de vergunning, medio 2011, is aan hem nooit eerder een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

7. [

De Inspecteur] stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In de vergunningvoorwaarden is voor het gebruik van een bewonersvergunning als voorwaarde opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van de originele vergunning. De parkeercontroleur heeft geconstateerd dat een kopie van de vergunning in de auto aanwezig was. [Belanghebbende] heeft niet voldaan aan de vergunningvoorwaarden en heeft aldus geen parkeerbelasting voldaan.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht aan [belanghebbende] opgelegd. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. De door [de Inspecteur] overgelegde ambtsedige verklaring geeft een dermate specifieke omschrijving, zoals vermeld onder 4., van de verschillen tussen de in de auto aangetroffen kopie en een originele bewonersvergunning dat de betreffende parkeercontroleur op grond hiervan terecht heeft geconcludeerd dat geen geldige vergunning in de auto aanwezig was. De enkele ontkenning van [belanghebbende] dat in zijn auto een kopie van de bewonersvergunning aanwezig was, doet niet af aan bovengenoemd oordeel. Nu [belanghebbende] zonder geldige parkeervergunning heeft geparkeerd en derhalve heeft gehandeld in strijd met de vergunningvoorwaarden is de naheffingsaanslag terecht aan hem opgelegd.

9. [

Belanghebbende] heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat [de Inspecteur] in strijd met het 'gemeentelijk protocol' heeft gehandeld dat gehanteerd wordt bij intrekking van een vergunning. Nu in deze procedure de intrekking van de vergunning niet aan de orde is en het genoemde protocol naar het oordeel van de rechtbank niet meebrengt dat het niet voldoen aan dit protocol het opleggen van een naheffingsaanslag in de weg staat, slaagt deze grief van [belanghebbende] niet.

10.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is de vraag in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof stelt voorop dat het niet twijfelt aan de juistheid van hetgeen de parkeercontroleur in diens verklaring omtrent diens waarneming heeft opgenomen.

6.2. De vraag die hier evenwel moet worden beantwoord is of de Inspecteur, tegenover de verklaringen van belanghebbende van het tegendeel, met de verklaring van de parkeercontroleur voldoende heeft bewezen dat belanghebbende diens auto in strijd met de voorwaarden zonder geldige vergunning heeft geparkeerd.

6.3. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft in alle fasen van de procedure en ook in de procedure waarbij hem de parkeervergunning is ontnomen, keer op keer, naar het Hof geloofwaardig acht, aangegeven en ter zitting toegelicht - zakelijk weergegeven  dat op het moment van het parkeren van zijn auto de originele vergunning in een plastic hoesje achter de voorruit van de auto is geplaatst en dat dus niet klopt wat de parkeercontroleur verklaart te hebben of heeft geconstateerd. Belanghebbende heeft bovendien ter zitting desgevraagd het gemeentelijk protocol getoond waaruit blijkt dat in een situatie zoals hier aan de orde de politie wordt ingeschakeld en dat zulks - naar in verband met de (tegen)bewijsmogelijkheden voor beide partijen naar ’s Hofs oordeel toch voor de hand ligt  ter gelegenheid van de constatering door de parkeercontroleur niet is geschied. De Inspecteur heeft voor deze gang van zaken geen afdoende verklaring gegeven. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard dat hij in een later stadium is vervolgd ter zake van valsheid in geschrifte, maar dat de zaak is geseponeerd omdat, naar hem te kennen is gegeven, sprake is van onvoldoende bewijs.

6.4. In dit verband hecht het Hof eraan nog op te merken dat de bewijsvoering door de Inspecteur een belangrijk aspect veronachtzaamt, te weten de mogelijkheid dat een controlerend ambtenaar bij de uitvoering van zijn werkzaamheden een vergissing begaat. Door belanghebbende in een situatie te brengen waarin het in feite voor hem onmogelijk is geworden tegenbewijs te leveren, handelt de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de beginselen van rechtszekerheid en zorgvuldigheid.

6.5. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierechten

7.1. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten, nu niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7.2. De Inspecteur dient de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 157 (€ 42 en € 115) aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag; en

  • -

    gelast de Inspecteur de griffierechten van € 157 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 21 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.