Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2393

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
09-07-2013
Zaaknummer
200.122.937/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag. Perspectief van de minderjarigen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 juni 2013

Zaaknummer. : 200.122.937/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3125

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.P. Friperson te Den Haag,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Middelburg,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1.

[de vader],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de vader,

2.

[de pleegouders van minderjarige 2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2]

3.

[de pleegouders van minderjarige 1],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 1];

4.

Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland te Middelburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 december 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 17 april 2013 een brief van 15 april 2013 met bijlage;

  • -

    op 8 mei 2013 een brief van 7 mei 2013 diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 15 mei 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw M. Versteeg namens de raad;

  • -

    de heer R.C. Annard namens Jeugdzorg.

De vader, [de pleegouders van minderjarige 2] en [de pleegouders van minderjarige 1] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over na te noemen minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]), en

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats](hierna ook te noemen: [minderjarige 2]).

Verder is Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarigen benoemd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van het gezag van de moeder over de minderjarigen.

2.

De moeder verzoekt het hof bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad af te wijzen.

3.

De raad en Jeugdzorg hebben het beroep van de moeder ter terechtzitting bestreden.

4.

De advocaat van de moeder heeft de derde grief – met betrekking tot het afgewezen verzoek om beide minderjarigen te horen – ter terechtzitting ingetrokken. Deze grief behoeft derhalve geen nadere bespreking meer.

5.

De moeder kan zich niet met de ontheffing van het ouderlijk gezag over de minderjarigen verenigen. Zij voert daartoe aan dat zij met inzet van de juiste hulpverlening in staat moet worden geacht om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen zelfstandig te vervullen. De moeder wijst erop dat aan de pleegouders en de minderjarigen thans hulp wordt aangeboden, die niet aan haar is geboden. Ook heeft zij zich met behulp van haar psychiater aangemeld voor begeleid wonen. Met deze vorm van hulpverlening kan worden bekeken of de minderjarigen in de toekomst weer bij haar kunnen worden teruggeplaatst, aldus de moeder in het beroepschrift. Ter terechtzitting heeft de moeder nog verklaard dat zij inmiddels accepteert dat de minderjarigen in een pleeggezin opgroeien. Zij wil wel een uitbreiding van de bezoekregeling. De moeder meent dat het niet noodzakelijk is haar van het ouderlijk gezag te ontheffen, om reden dat zij thans berust in de uithuisplaatsing.

6.

De raad heeft ter zitting zijn verzoek om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarigen gehandhaafd. Hoewel het een positieve en waardevolle stap is dat de moeder de uithuisplaatsing van de minderjarigen accepteert, geeft een ontheffing meer zekerheid aan de minderjarigen. De minderjarigen hebben dat hard nodig, zo stelt de raad.

7.

Jeugdzorg heeft zich ter terechtzitting bij het standpunt van de raad aangesloten. Daarbij heeft Jeugdzorg nog opgemerkt dat de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag meer rust geeft voor de moeder en de minderjarigen, waardoor er wellicht meer mogelijkheden zijn voor een uitgebreidere bezoekregeling.

8.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarigen af te wenden.

9.

Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar taak tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen. Het hof overweegt daartoe dat bij de minderjarigen sprake is van ernstige problematiek. Bij [minderjarige 2] is sprake van ernstige gedragsproblematiek in de vorm van ADHD. Daarnaast is mogelijk sprake van ODD. Bij [minderjarige 1] is onder meer sprake van emotieregulatieproblematiek. Het vergt derhalve veel van de opvoeders van de minderjarigen om aan hun behoeften tegemoet te komen. Nu de moeder – ondanks haar goede bedoelingen – ook te kampen heeft met haar eigen problematiek (onder andere een verstandelijke beperking en gezondheidsklachten), is het hof van oordeel dat zij nu en ook in de toekomst niet in staat is dan wel zal zijn de zorg over de minderjarigen op zich te nemen. Verder neemt het hof in aanmerking dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij duidelijkheid verkrijgen over hun toekomstperspectief. Dit perspectief ligt – gelet op de hiervoor genoemde factoren – niet langer bij de moeder thuis. Dat de moeder thans aangeeft zich niet meer te verzetten tegen de uithuisplaatsing van de minderjarigen, leidt niet tot een ander oordeel. Bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal de onzekerheid over het toekomstperspectief immers toch altijd blijven voortduren. Daarbij komt dat de minderjarigen inmiddels ook de leeftijd hebben bereikt ([minderjarige 1]) of op niet al te lange termijn zullen bereiken ([minderjarige 2]), waarop zij in dat kader ieder jaar door de rechter gehoord zouden moeten worden. Het hof acht dit een grote belasting voor de minderjarigen, hetgeen een bedreiging voor hun ontwikkeling vormt. In een geval als het onderhavige zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet voldoende om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen af te wenden en is een ontheffing van het gezag noodzakelijk. Het belang van de minderjarigen verzet zich naar het oordeel van het hof niet daartegen.

10.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen is voldaan. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd.

11.

Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank Rotterdam.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, van Nievelt en Van der Linden, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2013.