Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2302

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
1830-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beschikking gegeven op het hoger beroep tegen een beschikking van de meervoudige raadkamer in strafzaken in de rechtbank

’s-Gravenhage in de bezwaarschriftprocedure ex artikel 250, eerste lid in verbinding met artikel 252, eerste lid, alsmede artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/176
NJ 2014/123 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer 09/751201-12

GERECHTSHOF DEN HAAG

Meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gegeven op het hoger beroep tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer in strafzaken in de rechtbank

’s-Gravenhage in de bezwaarschriftprocedure ex artikel 250, eerste lid in verbinding met artikel 252, eerste lid, alsmede artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering van de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1975,

wonende [plaats],

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Amsterdam, aan de Keizersgracht 278 te 1016 EW Amsterdam.

Procesgang

Het bezwaarschrift is gericht tegen de vanwege de officier van justitie in het arrondissement

‘s-Gravenhage uitgebrachte dagvaarding onder parketnummer 09/751201-12, die – zoals volgt uit de bestreden beschikking - aan verdachte op 27 juni 2012 is betekend, om op 16 juli 2012 te verschijnen ter openbare terechtzitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage teneinde terecht te staan terzake van de feiten zoals vermeld in de aan deze beschikking gehechte tenlastelegging.

De meervoudige raadkamer in strafzaken in de rechtbank ‘s-Gravenhage heeft het bezwaarschrift op 6 september 2012 behandeld.

Bij beschikking van 14 september 2012 heeft die raadkamer het bezwaarschrift gegrond verklaard en de verdachte buiten vervolging gesteld.

Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie tijdig hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft het hoger beroep op 14 mei 2013 in gesloten raadkamer behandeld. Daar zijn gehoord de advocaat-generaal mr. M. van der Horst, de verdachte en diens raadsman mr. S.F.J. Smeets, advocaat te Amsterdam.

De beschikking waarvan beroep

De beschikking waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich niet verenigt met de motivering van de daarin vervatte beslissing.

Beschouwingen en oordeel van het hof

Beoordelingskader

Beoordeeld dient te worden of het -op grond van het onderzoek in raadkamer en de gedingstukken- hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring van het aan de verdachte ten laste legde zal komen. Daarbij heeft te gelden dat dit onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt. De aangevoerde juridische en feitelijke standpunten kunnen dan ook slechts met in achtneming van dit summiere karakter van het onderzoek door de raadkamer worden beoordeeld.

Vaststaande feiten en omstandigheden

De verdachte is op 17 juni 2010 te Leiden aangehouden op verdenking van “grooming”, strafbaar gesteld in artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht.

Ter zake is onder 1 ten laste gelegd dat hij –kort en zakelijk weergegeven- op 17 juni 2010 te [plaats] door middel van een computer en met gebruikmaking van een website en/of MSN aan een persoon zich [naam jongen]13 en/of [naam jongen] noemende, van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, waartoe hij – verkort en zakelijk weergegeven – via bedoelde website en/of MSN onder meer seksueel getinte berichten heeft verzonden aan die persoon zich noemende [naam jongen]13 en/of [naam jongen], deze heeft gevraagd (tegen betaling van een geldbedrag) naar een straat in Leiden te komen voor een ontmoeting en/of zichzelf naar die straat heeft begeven teneinde die [naam jongen] te ontmoeten.

Bij gelegenheid van het op diens aanhouding volgende onderzoek zijn kinderpornografische bestanden aangetroffen op de inbeslaggenomen apparatuur die de verdachte bij zijn aanhouding in zijn bezit had, één en ander zoals omschreven onder 2 en 3 op de tenlastelegging.

In raadkamer is voorts –onbetwist- komen vast te staan dat de verdachte tijdens bedoeld berichtenverkeer in werkelijkheid contact heeft gehad met een opsporingsambtenaar, een meerderjarige persoon, die zich [naam jongen]13 en/of [naam jongen] noemde en zich heeft voorgedaan als een jongen van 13 jaar oud. De verdachte heeft aldus in werkelijkheid geen contact gehad met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Rechtsvraag

De kardinale vraag die ter beantwoording voorligt, is of aan de delictsomschrijving van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht eerst is voldaan indien vast komt te staan dat het beoogde slachtoffer van dat feit daadwerkelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, of dat reeds voldaan is aan die delictsomschrijving met de intentie van de verdachte, blijkend uit diens gedragingen, om een ontmoeting met een persoon beneden de leeftijd van zestien jaren te arrangeren, teneinde met hem of haar seksueel contact te hebben.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft overeenkomstig zijn overge-legde schriftelijke aantekeningen geconcludeerd dat het hof de beschikking waarvan hoger beroep zal vernietigen en het bezwaarschrift tegen de aan de verdachte uitgebrachte dagvaarding voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde ongegrond zal verklaren en voor wat betreft het onder 2 en 3 op de dagvaarding ten laste gelegde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zal verklaren.

De advocaat-generaal heeft zich bij zijn beschouwingen omtrent de vraag of het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring zal komen, op het standpunt gesteld dat het niet zozeer gaat om de leeftijd van het potentiële slachtoffer, maar om de intentie van de verdachte, blijkend uit diens gedragingen.

Als uit die gedragingen volgt dat de verdachte, zoals in de visie van het openbaar ministerie in casu het geval is, uit is op een ontmoeting met een persoon beneden de leeftijd van zestien jaren teneinde met hem of haar

seksueel contact te hebben, kan worden vastgesteld dat aan de delictsomschrijving is voldaan. De omstandigheid

dat het slachtoffer naderhand ouder blijkt te zijn dan zestien jaren doet daaraan in de visie van de advocaat -generaal niet af. De woorden “hij die (…) een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt“, zoals in de delictsomschrijving van artikel 248e van het Wetboek van Strafvordering opgenomen, moeten naar het oordeel van de advocaat-generaal aldus worden verstaan dat zij betrekking hebben op de situatie dat de verdachte in gesprek raakt met een persoon die zich ten opzichte van hem voordoet als iemand jonger dan zestien jaren of ten aanzien van wie de verdachte, uit de context van het gesprek, het redelijk vermoeden krijgt dat deze jonger is dan zestien jaren. Als de verdachte juist dan een ontmoeting arrangeert met de bedoeling seksueel contact te hebben, is dit onder de gegeven omstandigheden een ‘gedraging’ (een uiting van een intentie) die valt onder de delictsomschrijving van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de verdachte in de tenlastelegging wordt verweten niet valt onder de strafbaarstelling van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht, nu er feitelijk contact is geweest met een persoon boven de leeftijd van 16 jaren. De leeftijd van beneden de 16 jaren van het potentiële slachtoffer heeft te gelden als een conditio sine qua non voor strafbaarheid, op grond waarvan de bestreden beschikking dient te worden bevestigd.

Oordeel van het hof

Uit de Memorie van toelichting blijkt dat artikel 248e Wetboek van Strafrecht uitvoering geeft aan artikel 23 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik(Trb. 2008,58), tot stand gekomen op 25 oktober 2007 te Lanzarote en strekt tot bescherming van personen beneden de leeftijd van zestien jaar.

De Minister van Justitie heeft tijdens de parlementaire behandeling van het betreffende wetsvoorstel gesteld dat als het slachtoffer objectief achttien was, maar de verdachte subjectief dacht dat het om een minderjarige ging, van strafbaarheid geen sprake is. Daartoe bestaat geen aanleiding, omdat de bescherming van minderjarigen het uitgangspunt van het hiervóór genoemde verdrag is, aldus de minister.1

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat voor een strafbaar handelen in de zin van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht rechtens als een voorwaarde heeft te gelden dat het beoogde slachtoffer van dat feit de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt. De intenties van de verdachte aangaande de leeftijd van het slachtoffer zijn in dit verband niet doorslaggevend.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat naar het oordeel van het hof, de strafrechter, later oordelend, niet tot een bewezenverklaring zal kunnen komen.

De aanhouding van de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde wordt gelet op het vorenoverwogene door het hof als onrechtmatig beoordeeld omdat er aan de zijde van de politie immers wetenschap bestond omtrent het feit dat verdachte geen contact had gezocht in de zin van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht met een persoon die de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt nu de lok-agent meerderjarig was.

De onder 2 en 3 in de tenlastelegging genoemde bestanden met kinderpornografisch materiaal zijn afkomstig van verdachte’s apparatuur en na de inbeslagneming daarvan verkregen als rechtstreeks gevolg van die onrechtmatige aanhouding van de verdachte. Hieruit zou kunnen volgen dat de strafrechter, later oordelend, dit materiaal van het bewijs van die feiten zal moeten uitsluiten.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring van het aan verdachte in de dagvaarding met parketnummer 09/751201-12 ten laste gelegde zal komen.

Aangezien het hof op andere gronden dan de rechtbank het bezwaar tegen de dagvaarding gegrond zal verklaren, luidt de beslissing zoals hierna wordt vermeld.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Verklaart het bezwaarschrift gegrond.

Stelt de verdachte ter zake van het aan hem in de dagvaarding met parketnummer 09/751201-12 ten laste gelegde buiten vervolging.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.C.A. Duindam, voorzitter, mrs. A.E. Mos-Verstraten en J.M. van de Poll, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 808 (R 1872), nr. 6, p. 12