Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2284

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
200.118.159/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Artikel 1:401, lid 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 juni 2013

Zaaknummer : 200.118.159/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-937

[Verzoeker],

wonende te[woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.P. van Vulpen te Haarlem,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Correljé te Vlaardingen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 7 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 15 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

  • -

    op 15 januari 2013 een brief van 14 januari 2013 met bijlage;

  • -

    op 18 april 2013 een brief van 16 april 2013 met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 19 april 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, op 22 april 2013 ingekomen als brief met bijlagen.

De zaak is op 2 mei 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een draagkrachtberekening, gedateerd 24 april 2013, overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader om, met wijziging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2012, de door hem aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarigen op nihil te bepalen, afgewezen. Voorts is het verzoek van de vader tot kwijtschelding van de ontstane achterstand afgewezen.

Bij genoemde beschikking van 13 maart 2012 is de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 juni 2011 tot 22 november 2011 vastgesteld op € 120,- per maand per kind, met ingang van 22 november 2011 tot 23 mei 2012 op € 105,- per maand per kind en met ingang van 23 mei 2012 op € 130,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna: kinderalimentatie, ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2], geboren [in] 2009 te[geboorteplaats], hierna: de minderjarigen.

2.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, naar het hof begrijpt, zijn verzoek alsnog toe te wijzen.

3.

De moeder verzoekt de vordering (het hof leest: het verzoek van de vader) af te wijzen en de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

Onjuiste of onvolledige gegevens

4.

Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.

Het hof overweegt als volgt. De vader heeft een eigen onderneming. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het gerechtshof Amsterdam, in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 13 maart 2012, als uitgangspunt bij de berekening van de draagkracht van de vader een gemiddeld bedrijfsresultaat over 2009 en 2010 van € 27.215,- in aanmerking heeft genomen.

Uit de thans overgelegde stukken, waaronder de aangifte Inkomstenbelasting 2011, heeft de vader naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat hij in 2011 een bedrijfsresultaat van € 10.880,- heeft behaald. Gezien het behaalde bedrijfsresultaat in 2009 en 2010 van respectievelijk € 29.498,- en € 24.932,- is het inkomen van de man in 2011 derhalve gedaald. Het hof ziet geen aanleiding, zoals door de moeder is betoogd, om de betrouwbaarheid van de jaarcijfers van 2011 in twijfel te trekken. Nu het hof Amsterdam destijds bij gebreke van stukken van de zijde van de vader van 2011 terecht een gemiddeld bedrijfsresultaat over 2009 en 2010 in aanmerking heeft genomen, komt het hof thans tot de conclusie dat de eerder gegeven beschikking van het hof Amsterdam van 13 maart 2012 aan de hand van de toen overgelegde stukken juist was maar dat op basis van de thans overgelegde stukken is gebleken dat die beschikking van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Dit brengt met zich dat het hof met ingang van 17 juli 2011 opnieuw zal beoordelen of de kinderalimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Behoefte

6.

De behoefte van de minderjarigen aan de gevraagde alimentatie staat als niet bestreden vast.

Draagkracht

7.

Nu de vader winst uit onderneming geniet, die van jaar tot jaar kan fluctueren, is het hof van oordeel dat met betrekking tot het inkomen van de vader in 2011 in redelijkheid dient te worden uitgegaan van een gemiddelde winst over de jaren 2009, 2010 en 2011, respectievelijk € 29.498,-, € 24.932,- en € 10.880,-. De winst uit onderneming bedraagt over die jaren derhalve gemiddeld € 21.770,-. Aangezien uit de overgelegde stukken tevens is gebleken dat de winst uit onderneming in 2012 € 21.751,- bedraagt en de vader ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij verwacht in 2013 eenzelfde resultaat als in 2012 te behalen, neemt het hof met ingang van 2011 in redelijkheid een winst van € 21.770,- per jaar in aanmerking.

Naast de zelfstandigenaftrek en de MKB winstvrijstelling houdt het hof voorts rekening met een eigenwoningforfait van € 1.348,- per jaar (gebaseerd op een WOZ-waarde van € 245.000,- zoals vermeld in de aangifte Inkomstenbelasting van de vader over 2011), een fiscaal aftrekbare rente op een hypothecaire geldlening van € 9.000,- per jaar, de op de vader toepasselijke heffingskortingen, de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

8.

Al dan niet in afwijking van de door de vader ter zitting van het hof overgelegde draagkrachtberekening neemt het hof de volgende maandlasten van de vader in aanmerking: € 750,- rente op een hypothecaire geldlening, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 132,- (aanvullende) premie Zorgverzekeringswet, hierna: ZVW, € 14,- verplicht eigen risico ZVW en € 182,- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Op de woonlasten strekt in mindering de “gemiddelde” basishuur en op de premie ZVW het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel ZVW.

9.

Anders dan in de overgelegde draagkrachtberekening, houdt het hof geen rekening de door de vader in zijn draagkrachtberekening opgevoerde ouderenkorting en aanvullende ouderenkorting. Gezien zijn leeftijd komt de man daarvoor niet in aanmerking. Voorts merkt het hof op dat het als uitgangspunt de tarieven van Trema 2011-2 in aanmerking heeft genomen in plaats van de tarieven van Trema 2013, zoals de vader in zijn berekening heeft toegepast. Met betrekking tot het forfait overige eigenaarslasten heeft het hof het gebruikelijke bedrag van € 95,- per maand in aanmerking genomen in plaats van het door de vader opgevoerde bedrag van € 55,- per maand, alsmede een eigen risico ZVW van € 14,- per maand (in 2011) in plaats van het door de vader opgevoerde bedrag van € 35,- per maand. Het hof gaat er van uit dat het door de vader opgevoerde bedrag ter zake het eigen risico kennelijk op het eigen risico van dit jaar ziet in plaats van 2011. Nog afgezien daarvan bedraagt het eigen risico in 2013 maximaal € 350,- per jaar ofwel € 29,- per maand, zodat het door de vader opgevoerde bedrag ook voor dit jaar te hoog is.

10.

Uit het vorenstaande volgt dat de vader met ingang van 17 juni 2011 geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te voldoen, ook niet indien het hof een forfait overige eigenaarslasten van € 55,- per maand in aanmerking zou nemen.

Het vorenstaande leidt er derhalve toe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 13 maart 2012 – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 juni 2011 op nihil bepalen.

Terugbetaling

11.

Aangezien ter zitting van het hof vast is komen te staan dat de vader tot op heden nimmer kinderalimentatie heeft voldaan is geen sprake van een terugbetalingsverplichting.

Proceskosten

12.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen reden, zoals door de moeder is verzocht, de vader te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren.

13.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het hof te Amsterdam van 13 maart 2012 – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 juni 2011 op nihil;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Stollenwerck en Bos, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2013.