Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2152

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
200.121.040/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing baby. Onverklaarbaar ernstig letsel dat op verschillende tijdstippen is ontstaan levert noodzaak tot uithuisplaatsing op.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg 5, geldigheid: 2012-04-17
Wet op de jeugdzorg 9a, geldigheid: 2013-04-17
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261, geldigheid: 2013-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 april 2013

Zaaknummer : 200.121.040/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3582

[appellant 1], en

[appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. S. van der Eijk te Wateringen,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Den Haag,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 29 januari 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 21 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage en 4 januari 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

Jeugdzorg heeft op 22 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

  • -

    op 8 maart 2013 een brief van 7 maart 2013 met bijlagen;

  • -

    op 25 maart 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 27 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de heer [A] namens de raad;

  • -

    mevrouw[B] en mevrouw[C]namens Jeugdzorg.

De advocaat van de ouders heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Ter zitting is Jeugdzorg in de gelegenheid gesteld het aan de verzochte machtiging ten grondslag liggende indicatiebesluit aan het hof over te leggen. Van Jeugdzorg is op 4 april 2013 een faxbericht met bijlagen (twee indicatiebesluiten) ingekomen.

Van de zijde van de ouders is bij het hof op 8 april 2013 een faxbericht van diezelfde datum ingekomen. Voor zover de ouders daarin bezwaar maken tegen het na het sluiten van het onderzoek ter zitting indienen van nadere stukken door Jeugdzorg, acht het hof dit processuele bezwaar ongegrond. Immers, ter zitting heeft het hof Jeugdzorg daartoe in de gelegenheid gesteld.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij beschikking van 21 december 2012 is, voor zover van belang, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], (hierna te noemen: de minderjarige) voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg van 21 december 2012 tot 6 januari 2013. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening van 21 december 2013 tot 6 januari 2013. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Bij beschikking van 4 januari 2013 is, voor zover van belang, de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van Jeugdzorg van 6 januari 2013 tot 21 maart 2013. Verder is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een ziekenhuis en aansluitend in een crisispleeggezin van 6 januari 2013 tot 21 maart 2013, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. Voorts is bepaald dat de machtiging van kracht blijft indien en voor zover een indicatiebesluit binnen vier weken na 4 januari 2013 is afgegeven, welke strekt tot uithuisplaatsing van de minderjarige in dezelfde categorie. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot de terechtzitting van 19 maart 2013.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

In hoger beroep is voorts het volgende komen vast te staan:

  • -

    de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn verlengd tot 21 september 2013;

  • -

    met ingang van 10 januari 2013 verblijft de minderjarige in een AWBZ-voorziening voor ernstig meervoudig gehandicapte kinderen ([D]).

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de verlening van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

2.

De ouders verzoeken het hof, na wijziging ter zitting, de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft de uithuisplaatsing van de minderjarige en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad strekkende tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen, althans de uithuisplaatsing van de minderjarige te beëindigen respectievelijk op te heffen.

3.

De raad en Jeugdzorg verweren zich daartegen.

4.

De ouders stellen dat de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige ten onrechte zijn verleend. Zij voeren daartoe het volgende aan. De ouders herkennen zich niet in het beeld dat van hen is geschetst in het raadsonderzoek van 21 december 2012. Zij verwijzen naar een viertal bij het beroepschrift overgelegd verklaringen waaruit een eerlijk, rechtvaardig en liefdevol gezin naar voren komt. De ouders bestrijden dat zij het letsel bij de minderjarige hebben veroorzaakt. Onvoldoende is vast komen te staan dat zij enige betrokkenheid hebben bij het letsel van de minderjarige, aldus de ouders. Er zijn bij de artsen verschillende visies over het letsel van de minderjarige. De informatie wisselt voortdurend.

5.

De raad heeft ter zitting verweer gevoerd. Een kinderbeschermingsmaatregel acht de raad noodzakelijk zolang er geen duidelijkheid bestaat over de oorzaken van het letsel van de minderjarige. Vooralsnog zijn er geen afwijkingen in het DNA aangetroffen die het toestandsbeeld van de minderjarige kunnen verklaren. Er is een strafrechtelijk onderzoek gaande.

6.

Jeugdzorg heeft de stellingen van de ouders gemotiveerd bestreden. Jeugdzorg stelt dat uit medisch onderzoek is gebleken dat de minderjarige op verschillende tijdstippen ernstig letsel heeft opgedaan, dat naar alle waarschijnlijkheid is toegebracht. Dit is gebeurd in de periode waarin de ouders primair verantwoordelijk waren voor zijn verzorging en veiligheid. De oorzaken van het letsel zullen verder vastgesteld moeten worden door middel van forensisch onderzoek. De rol van de ouders bij de toedracht van het letsel kan op dit moment niet vastgesteld worden, maar de veiligheid van de minderjarige dient voorop te staan, aldus Jeugdzorg. De medische informatie over de minderjarige was inderdaad wisselend, maar dit komt door de ontwikkelingen die zich voordeden in de gezondheidsituatie van de minderjarige. Jeugdzorg herkent het door de ouders van zichzelf geschetste beeld, maar wijst op de situatie rondom de oudere broer van de minderjarige en de omstandigheid dat in het verleden huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in het gezin. Over de levensverwachting van de minderjarige worden thans geen uitspraken meer gedaan.

Indicatiebesluit

7.

In het meest verstrekkende verweer betogen de ouders dat de door Jeugdzorg overgelegde indicatiebesluiten niet een indicatiebesluit vormen zoals bedoeld in de beschikking van 4 januari 2013. Zij voeren daartoe aan dat de kinderrechter doelde op een inhoudelijk schrijven strekkende tot uithuisplaatsing, afgegeven uiterlijk binnen vier weken na 4 januari 2013. De indicatiebesluiten voldoen daar niet aan, aldus de ouders.

8.

Het hof is van oordeel dat het door Jeugdzorg overgelegde indicatiebesluit van 23 januari 2013 voldoet aan hetgeen de kinderrechter heeft bepaald, nu het is afgegeven binnen vier weken na 4 januari 2013 en strekt tot uithuisplaatsing van de minderjarige in dezelfde categorie. Immers de aan de minderjarige geboden zorg heeft geen betrekking op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Wet op de jeugdzorg, maar op een vorm van zorg vallende onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten. In dat licht bezien is het in artikel 9a van die wet bedoelde orgaan dat een indicatiebesluit afgeeft.

Machtigingen tot uithuisplaatsing

9.

Het hof stelt vast dat de periode waarvoor de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn verleend, inmiddels is verstreken. Evenwel hebben de ouders, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing van de minderjarige te laten toetsen. Het hof zal beoordelen of de kinderrechter terecht de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige heeft verleend. Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan zulks indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

10.

Het hof overweegt als volgt. De minderjarige is geboren op 1 november 2012. Kort na zijn geboorte, te weten op 28 november 2012 in de avond, is hij door de moeder naar het ziekenhuis gebracht. Na diverse onderzoeken is vastgesteld dat sprake was van ernstig letsel, waaronder tien botbreuken, een sleutelbeenfractuur (links), diverse bloedingen en mogelijk hersenbeschadiging. De betrokken artsen zijn van mening dat dit letsel naar alle waarschijnlijkheid is toegebracht. De ouders bestrijden dit. Als mogelijke oorzaken hebben zij een zeer zware bevalling alsmede een val van de vader met de minderjarige op 28 november 2012 naar voren gebracht. Als niet bestreden staat vast dat de door de medici geconstateerde kwetsuren verschillende data van ontstaan hebben.

11.

Gelet op de aard en de ernst van het letsel, waarvan vaststaat dat dat op verschillende data moet zijn ontstaan, de leeftijd van de minderjarige, die als baby volledig afhankelijk is van zijn verzorgers, alsmede het gegeven dat op dit moment nog geen duidelijkheid bestaat over de oorzaken van het letsel, is het hof van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing van de minderjarige was geïndiceerd. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen. Nu de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige inmiddels is verstreken, komt het hof niet toe aan het subsidiaire verzoek van de ouders de uithuisplaatsing van de minderjarige te beëindigen respectievelijk op te heffen.

12.

Het hof wenst op te merken dat het van belang is dat op korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over de betrokkenheid van de ouders bij het letsel van de minderjarige.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Kempen en van Wijk, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2013.