Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2065

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
200.106.378-01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2012:BV0774
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1542, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

bankbonus, aanspraak, goedwerkgeverschap, goedwerknemerschap, 611, verwijzingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/192
AR-Updates.nl 2013-0573
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.106.378/01

Zaaknummer Hoge Raad : 10-05432

Zaaknummer Hof Amsterdam: 200.001.993/01

arrest van 18 juni 2013

inzake

[werknemer],

wonende te [woonplaats], gemeente[gemeente],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: [werknemer],

advocaat: mr. E.F. Seunke te Haarlem.

tegen

The Royal Bank of Schotland N.V. ("RBS"),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: RBS,

advocaat: mr. L.B. de Graaf te 's-Gravenhage,

Het geding na verwijzing

Bij exploot van 25 april 2012 heeft RBS [werknemer] opgeroepen voort te procederen bij dit hof, nadat de Hoge Raad bij arrest van 13 januari 2012 het in de onderhavige zaak gewezen arrest van het hof te Amsterdam van 22 juni 2010 had vernietigd. Bij memorie na verwijzing heeft RBS gepersisteerd in haar - in de procedure voor verwijzing bij het hof Amsterdam ingenomen - standpunt. Bij antwoordmemorie na verwijzing heeft [werknemer] het door RBS aangevoerde bestreden.

Vervolgens heeft RBS de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling

1.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.

[werknemer], geboren [in] 1970, is op 5 juni 1997 als trainee in dienst getreden van ABN Amro Bank N.V., rechtsvoorganger van RBS (hierna: de Bank). Per 5 juni 2000 is hij bevorderd tot "convertible trader" binnen de afdeling "Global Equity Derivates Department" (hierna: GEDD) waar hij was belast met handel in converteerbare obligaties, door partijen aangeduid als het "Convertible bonds-boek" (hierna: CB-boek).

3.

Van september 2001 tot in september 2002 was [werknemer] bovendien belast met werkzaamheden in het kader van het "Global Swap Book" (hierna: GSB).

4.

De direct leidinggevende van [werknemer], [betrokkene 1], heeft op 16 september 2002 aan zijn direct leidinggevende te Londen, [betrokkene 2], per e-mail gevraagd om toestemming om de resultaten (de “P&L”; de profit and loss) van GSB en CB-boek samen te voegen (te “mergen”). Daarop reageerde [betrokkene 2] per e-mail van vrijdag 20 september 2002, als volgt:

“The GSB is an activity which is directly managed by myself and [werknemer]]. As such it is an independent line from CB trading. On [t]his basis I do not agree to me[rg]e the two lines ie. CB’s and GSB.

Let’s focus on making some profits and stop dealing with such minute issues please.”

5.

In reactie daarop heeft [betrokkene 1] zich bij e-mail van diezelfde dag,
vrijdag 20 september 2002, beklaagd over dit antwoord bij de direct leidinggevende van [betrokkene 2], [betrokkene 3] te Londen, als volgt:

“See below [betrokkene 2] reply. Obviously talking to him is not working. There were very clear agreements that [werknemer] was staying part of the CB desk and would manage the swap book as a part of this. [werknemer] put a lot of time and effort into developing this from a book that always lost money before he took over, into a very profitable business on the basis of these agreements. For [betrokkene 2] to try to change this now and also claim he ‘directly’ manages this book is taken as an insult to all the hard work that the team here put into developing this profitable business. If we cannot trust that agreements made will be honoured we have a serious problem. I think we will need to discuss this as fast as possible since [betrokkene 2]’s view is completely not shared by the CB team (and to avoid confusion this includes [werknemer]) and this email has infuriated all of us (see [werknemer]’s email).”

6.

De email waaraan [betrokkene 1] refereerde is die van [werknemer] van dezelfde dag, maar ongeveer een uur eerder, aan [betrokkene 3] en luidt als volgt:

“There was a very clear deal that my managing the GSB would be part of my work at the CB desk and as such the GSB p and l is an[…] integral part of the CB desk P and L.

[betrokkene 1] has chased merging these p and l lines for half a year now but with the GSB p and l (with reserves) at almost 4 million euro some people think they can change the deal and start making silly claims.

As trust is an essential part of being a trader within this department I feel I can no longer manage the swap book unless

-The GSB line is merged with the CB line.

- My work and p and l is seen as an integral part of the CB group effort and [betrokkene 1]’s management.

I hope you realise that this is an extremely important issue for me.

Waiting for your prompt reply.”

7.

Op dinsdag 24 september 2002 heeft er een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de Bank te Amsterdam tussen [werknemer] en [betrokkene 3], in aanwezigheid van twee medewerkers van de afdeling HR.

8.

[werknemer] is in september 2002 - de precieze datum is in geschil - met onmiddellijke ingang ontheven van zijn werkzaamheden aan het GSB.

9.

De Bank heeft bij brief van 26 september 2002 aan [werknemer] ter bevestiging van de inhoud van het in r.o. 7 genoemde gesprek, onder meer het volgende geschreven:

“The intention of the meeting was to address the subject content of the email [hof: de in r.o. 6 geciteerde email], which had been sent by you to your manager [betrokkene 2] the week commencing 16th September 2002. The email communicated to management that if certain actions and decisions were not taken by them you ‘felt’ you could no longer, within your current role, continue with managing the SWAP Book within Equity Derivatives. The wording within the email implied that you were essentially giving management an ultimatum.

Management, understanding and appreciating your feelings in relation to the SWAP book have decided to move the responsibility of managing the SWAP book to London. You will then only have to look after the trades in relation to the CB desk. This will take effect immediately.

However, what needs to be stressed is the action that you took in sending such an email and the language with which you used in this form of communication is unacceptable. It is not deemed professional or constructive within the business and as a result this will be placed in your file. It is not a form of behaviour or communication which is conducive to providing a positive working environment and thus must stop.

Please take this as a written warning that this must not happen again. […]”

10.

Bij de Bank bestaat een praktijk van toekenning van bonussen. Over 1999 heeft [werknemer] een bonus ontvangen van € 20.420,10 bruto, over 2000 van € 40.124,15 bruto en over 2001 van € 161.400 bruto. Over 2003 ontving [werknemer] een bonus van € 72.214 bruto en over 2004 van € 196.000 bruto. Over 2002 is [werknemer] geen bonus uitgekeerd waarvoor als reden is gegeven dat ten gevolge van moeilijke marktomstandigheden minder geld voor bonussen beschikbaar was.

11.

Op 15 november 2004 heeft [werknemer] de Bank gedagvaard en betaling gevorderd van een aantal bedragen ter zake van salaris, bonussen en schadevergoeding, een en ander met nevenvorderingen.

12.

De Rechtbank Amsterdam, sector kanton, heeft, na het wijzen van enkele tussenvonnissen, in haar vonnis van 7 september 2007 de Bank veroordeeld om aan [werknemer] een schadevergoeding van € 750.000 bruto te voldoen en de overige vorderingen van [werknemer] afgewezen.

13.

[werknemer] heeft hoger beroep ingesteld onder vermeerdering van zijn eis, en gevorderd - voor zover thans na verwijzing nog relevant - dat de Bank wordt veroordeeld tot betaling aan hem van (i) bedragen aan schadevergoeding in verband met het feit dat hem de werkzaamheden aan het GSB in september 2002 zijn ontnomen en (ii) een aanvullende bonus over 2004 gebaseerd op een bonuspool van 30% van de winst van GEDD, een en ander met nevenvorderingen.

14.

De Bank heeft het beroep bestreden en harerzijds incidenteel appel ingesteld.

15.

Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 22 juni 2010 het bestreden vonnis vernietigd en de Bank veroordeeld aan [werknemer] te betalen (i) € 407.758,50 bruto als schadevergoeding in verband met het feit dat de werkzaamheden aan het GSB [werknemer] in september 2002 zijn ontnomen, zijnde een bedrag wegens gemiste bonus over 2002, en (ii) € 49.000 bruto ter zake van aanvullende bonus over 2004. Het hof Amsterdam heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

16.

[werknemer] heeft tegen het arrest van het hof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Bank heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

17.

Bij arrest van 13 januari 2012 (LJN: BV0774) heeft de Hoge Raad (i) het principale cassatieberoep verworpen, (ii) in het incidentele cassatieberoep genoemd arrest van het hof Amsterdam vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing, een en ander (iii) met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten van het principale en incidentele cassatieberoep.

18.

In dit hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad is nog het volgende aan de orde:

i. Heeft [werknemer] aanspraak op een aanvullende bonus over 2004, omdat de Bank het percentage van de winst van GEDD dat in de bonuspool werd gestort voor dat jaar met 6% heeft verlaagd ten opzichte van 2003, zodat anders dan in 2003 de bonuspool niet uit 30% van de winst van GEDD bestond, maar uit 24% van die winst?

ii. Indien de als i. aangeduide vraag bevestigend wordt beantwoord dient de omvang van de aanvullende bonus te worden bepaald, en de daarover verschuldigde wettelijke rente en wettelijke verhoging te worden beoordeeld.

iii. Is de Bank aansprakelijk voor de schade van [werknemer] als gevolg van het feit dat hem in september 2002 de werkzaamheden aan het GSB zijn ontnomen?

iv. Indien de als iii. aangeduide vraag bevestigend wordt beantwoord dient te worden beoordeeld of [werknemer] schade heeft geleden en wat de omvang van die schade en de daarover verschuldigde wettelijke rente is.

19.

De overige door het hof Amsterdam gegeven oordelen vormen geen onderwerp meer van het juridische debat, omdat daar in cassatie niet met succes tegen opgekomen is.

20.

Het hof zal geen acht slaan op de memories na verwijzing voor zover daarin nieuwe stellingen en weren zijn vervat. Het hof dient de zaak te beoordelen in de stand waarin zij verkeerde toen het arrest van hof Amsterdam werd vernietigd. De cassatieprocedure en het geding na verwijzing dienen er niet toe om voor partijen de gelegenheid tot een nieuwe instructie van de zaak te scheppen. Het arrest van de Hoge Raad biedt geen aanknoping om partijen toe te staan hun stellingen en weren aan te passen en/of nadere producties in het geding te brengen.

21.

Het hof zal eerst de in r.o. 18 als i. aangeduide vraag beoordelen.

22.

Bij de beoordeling heeft te gelden dat de stellingen van de Bank dat zij de omvang van de bonuspool jaarlijks aan het einde van het jaar eenzijdig vaststelt en ook vóór 2004 steeds aldus heeft vastgesteld, (door [werknemer]) onweersproken zijn. Dit volgt uit r.o. 5.2 van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad. Als logisch gevolg hiervan heeft tevens te gelden dat die wijze van vaststelling een contra-indicatie is voor de gestelde aanspraken van [werknemer]. Immers, het oordeel van de Hoge Raad “dat het oordeel [van het hof Amsterdam] dat over 2004 nog € 49.000,-- ter zake van (aanvullende) bonus toewijsbaar is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is”, is gebaseerd op het onweersproken zijn van genoemde stellingen.

23.

Het hof overweegt verder, met inachtneming van het voorgaande, als volgt.

24.

Gesteld noch gebleken is dat er met [werknemer] schriftelijke afspraken zijn gemaakt over de omvang van de bonuspool. Het hof begrijpt de stellingen van [werknemer] aldus, dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bonuspool uit 30% van de winst van GEDD zou bestaan en dat dit vertrouwen in strijd met het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) door de Bank is beschaamd. Daartoe is door [werknemer] aangevoerd dat het bij de Bank een “bestendige praktijk” was dat de bonuspool uit 30% van de winst van GEDD bestond. Het hof verwerpt deze stelling van [werknemer]. Een bestendige praktijk als door [werknemer] verdedigd is, zo al feitelijk juist, in het licht van wat in r.o. 22 is geoordeeld, onvoldoende om het vertrouwen te rechtvaardigen dat er recht bestond op een bonuspool van - steeds - 30% van de winst van GEDD. Voor het overige is door [werknemer] niet onderbouwd welke handelwijze van de Bank, in aanmerking nemende de in ieder geval tot 2004 bestaande eenzijdige vaststelling door de Bank van de omvang van de bonuspool aan het einde van het jaar, bedoeld vertrouwen bij hem heeft gewekt.

25.

Ook aan de verklaringen van de getuige [getuige 1] en [betrokkene 3] kan dit vertrouwen niet zijn ontleend. [getuige 1] verklaart dat er “een afspraak op schrift [is] gesteld over de formule hoe de bonuspool voor de afdeling GEDD op jaarbasis wordt vastgesteld te weten 30% van de winst voor belasting die de afdeling GEDD had gehaald”, en [betrokkene 3] verklaart: “De bonuspool bestaat uit 30% van de nettowinst voor belastingen van GEDD”. Gesteld noch gebleken is dat bedoelde, naar het hof begrijpt: binnen de Bank bestaande “afspraak” met [werknemer] is gecommuniceerd. Daar komt - als gezegd - bij dat heeft te gelden dat de omvang van de bonuspool elk jaar eenzijdig door de Bank werd vastgesteld.

26.

Gezien het voorgaande verwerpt het hof tevens de stelling(en) van [werknemer] dat het in strijd is met het goedwerkgeverschap (art. 7:611 BW) dat de Bank een belangrijke arbeidsvoorwaarde eenzijdig, zonder toepasselijkheid van een beding ex art. 7:613 BW, heeft gewijzigd.

27.

Uit het voorgaande volgt dat [werknemer] geen aanspraak heeft op een aanvullende bonus over 2004. De in r.o. 18 als ii. aangeduide punten behoeven daarom verder niet te worden beoordeeld.

28.

Het hof zal vervolgens beoordelen of de Bank aansprakelijk is voor de schade van [werknemer] als gevolg van het feit dat hem in september 2002 de werkzaamheden aan het GSB zijn ontnomen.

29.

De Bank heeft het GSB in 2001 ondergebracht bij het CB-team te Amsterdam, waar [betrokkene 1] leiding gaf aan de handelaren [werknemer] en [X]. Het dagelijkse, feitelijke beheer van GSB werd gedaan door [werknemer]. Daarbij diende deze de door de Bank gegeven handelslimieten in acht te nemen. De Bank heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [betrokkene 2] bij dit feitelijke beheer niet was betrokken. In dat licht dekt de mededeling van [betrokkene 2] in zijn e-mail van 20 september 2002 (zie r.o. 4) dat het GSB ook “directly” door hem werd beheerd, de lading niet. Niettemin is door [werknemer] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat indien het mis zou gaan met het GSB [betrokkene 2] daarover verantwoording moest afleggen nu het beheer van het GSB door [werknemer] geschiedde onder (ook) zijn verantwoordelijkheid .

30.

Het CB-boek en het GSB waren onafhankelijk van elkaar. In 2002 was het GSB niet alleen bedoeld om renterisico’s van de handelsboeken af te dekken (zoals dat van het CB-boek), wat de Bank betoogt, maar ook om zelfstandig winst te genereren. Door de Bank is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat dit oogmerk volgt uit de voor het GSB gestelde ruime handelslimieten. Dat het GSB in zowel eerdere, als latere jaren mogelijk niet (meer) dit oogmerk had, doet hier niet aan af.

31.

In het licht van het voorgaande is door de Bank eveneens onvoldoende gemotiveerd weersproken dat het GSB in 2002 bonusgevend was. Daar komt bij dat de Bank bij conclusie van dupliek sub 14 heeft erkend dat [betrokkene 2] in 2002 over het GSB een bonus heeft ontvangen, zij het dat die bonus slechts voor een gering deel aan zijn totale bonus heeft bijgedragen.

32.

De Bank heeft gesteld dat de grote financiële risico’s van het GSB het noodzakelijk maakten dat er een vertrouwensbasis was tussen [werknemer] als feitelijk beheerder enerzijds en het eindverantwoordelijke management, [betrokkene 2] (en [betrokkene 3]), anderzijds. Dit is door [werknemer] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daar komt bij dat [werknemer] in zijn e-mail van 20 september 2002 (zie r.o. 6) zelf aangeeft dat “trust is an essential part of being a trader within this department”.

33.

[werknemer] was aangesteld als convertible trader. Door hem is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat inherent is aan die functie dat door de Bank van hem verlangd kon worden dat hij een ander boek ging doen, dan het boek waarop hij op enig moment werkzaam was. Dat neemt - vanzelfsprekend - niet weg dat bij de besluitvorming en het besluit van de Bank ter zake de eisen van het goedwerkgeverschap (art. 7: 611 BW) in acht moeten worden genomen. Daarbij dient de Bank voldoende rekening te houden met de belangen van de trader, waaronder eventuele (latente) bonusaanspraken.

34.

Niet in geschil is dat het verzoek van [betrokkene 1] als vermeld in r.o. 10.4, om de P en L-lijnen van het CB-boek en het GSB samen te voegen, tot doel had de kans op een hogere bonus van het CB-team, waaronder [werknemer], te bevorderen. Door [werknemer] is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat dit verzoek door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] is afgewezen - kort gezegd - omdat het CB-boek en het GSB verschillende activiteiten vertegenwoordigden en onafhankelijk van elkaar waren, waarbij het GSB (mede) tot doel had de renterisico’s van ook andere handelsboeken dan het CB-boek af te dekken.

35.

[betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren bevoegd de gevraagde samenvoeging te weigeren.

36.

Dat neemt niet weg dat [werknemer] zich mocht beklagen bij het management over de weigering om de P en L lijnen van het CB-boek en het GSB samen te voegen. Daarbij zal hij zich echter als een goed werknemer (art. 7:611 BW) dienen op te stellen. Het hof is van oordeel dat [werknemer] zich niet overeenkomstig heeft gedragen.

37.

De e-mail van [werknemer] van 20 september 2002 (09.14 AM), geschreven in duidelijk geformuleerd Engels, laat zich niet anders begrijpen dan dat [betrokkene 3] een ultimatum werd gesteld: als niet aan de door [werknemer] in deze email gestelde eisen zou worden voldaan, dan “I feel I can no longer manage the swap book”. Dat [werknemer] met “I feel” niet meer tot uitdrukking heeft willen brengen dan dat hij het gevoel had dat hij zijn werk niet meer goed zou kunnen doen indien de eisen niet zouden worden ingewilligd, acht het hof ongeloofwaardig. Het is niet goed voor te stellen dat [werknemer], die hoog is opgeleid, dagelijks in een internationale, engelstalige werkomgeving in de financiële dienstverlening fungeert, en die zich bedient van duidelijk geformuleerd Engels, dacht met een typisch understatement als “I feel” een minder harde boodschap over te brengen dan met het weglaten van “feel”.

38.

Daar komt bij dat de e-mail ook een forse beschuldiging inhoudt ten aanzien van [betrokkene 2]. In die e-mail wordt gerefereerd aan de “silly claim” van [betrokkene 2] dat deze het GSB “directly” bestuurde. Volgens [werknemer] claimde [betrokkene 2] daarmee ten onrechte een deel van de over GSB te verdienen bonus. Het hof verwerpt dit standpunt. Als gezegd geschiedde het dagelijkse, feitelijke beheer van het GSB weliswaar door [werknemer], maar onder verantwoordelijkheid van [betrokkene 2]. Dat [betrokkene 2] gelet op die verantwoordelijkheid aanspraak zou kunnen hebben op een deel van de GSB-bonus is in dat licht alleszins denkbaar. Dat [betrokkene 2] die bonus op oneigenlijke gronden claimde, bijvoorbeeld door de Bank valselijk voor te houden dat hij mede bij het feitelijke beheer van het GSB betrokken was, of in afwijking van gemaakte afspraken, is niet gebleken. Door desondanks te spreken van “silly claims” heeft [werknemer] zich naar het oordeel van het hof ten opzichte van zijn leidinggevende [betrokkene 2] op hoogst onzorgvuldige wijze uitgelaten.

39.

Van [werknemer] mocht, gezien zijn hiervoor geschetste positie, worden verwacht op voorhand te begrijpen dat zijn e-mail als een ultimatum en een motie van wantrouwen zou kunnen worden gezien, ernstig zou kunnen worden opgevat en tot consequentie zou kunnen hebben dat zijn betrokkenheid bij het GSB zou eindigen. Hierbij is van belang dat [werknemer] in die mail zelf aangeeft dat hij vanwege het ontbreken van het noodzakelijk vertrouwen het GSB niet langer kan beheren indien zijn eisen niet zouden worden ingewilligd. Dat die e-mail “wellicht te emotioneel” en een “noodkreet” was, overtuigt het hof niet. Dat er sprake was van een noodsituatie die, zonder dat dit [werknemer] is toe te rekenen, hevige emoties veroorzaakte, onder invloed waarvan de e-mail is geschreven, is niet gebleken. De teleurstelling dat het management het vooruitzicht op een hogere bonus niet wilde faciliteren, is niet als een zodanige noodsituatie aan te merken.

40.

Dat [werknemer] ten tijde van het sturen van de e-mail nog in afwachting was van de uitkomst van een gesprek dat [betrokkene 1] zou hebben met [betrokkene 3], werpt geen relevant ander licht op de te verwachten reactie op die e-mail. De e-mail van 20 september 2002 (10.17 AM) van [betrokkene 1] aan [betrokkene 3], waarin wordt gevraagd om overleg op de kortst mogelijke termijn (zie r.o. 5), is van een later tijdstip dan die van [werknemer] (09.14 AM), terwijl daarbij wordt verwezen naar die e-mail van [werknemer]. Daar komt bij dat onvoldoende is onderbouwd dat [werknemer] redelijkerwijze mocht verwachten dat [betrokkene 3] op verzoek van [betrokkene 1] alsnog zou toegeven aan de gevraagde samenvoeging van de P en L-lijnen. Duidelijk had moeten zijn dat reeds het eerdere verzoek van [betrokkene 1] irritatie van - in ieder geval - [betrokkene 2] had opgeleverd, die daarover in zijn e-mail van 20 september 2002 (03.48 AM) aan [betrokkene 1] schreef: “Let’s focus on making some profits and stop dealing with such minute issues please.”

41.

In het licht van het voorgaande had het op de weg van [werknemer] gelegen om vóór de aangekondigde bespreking van 24 september 2002 minst genomen “gas terug te nemen” ten aanzien van - in ieder geval - de door hem gestelde eisen, indien hij de situatie ten goede had willen doen keren. Dat heeft hij niet gedaan.
Naar het oordeel van het hof heeft [werknemer] in de periode gelegen tussen het versturen van zijn e-mail en het gesprek met [betrokkene 3] op 24 september 2002 voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden over zijn positie naar aanleiding van die e-mail, en om zijn, - zoals [werknemer] stelt: - in een emotionele gemoedstoestand onzorgvuldig gekozen -bewoordingen terug te nemen. Daarom is naar het oordeel van het hof ook niet relevant of [betrokkene 3] het gesprek van 24 september 2002 al dan niet is ingegaan met het voornemen [werknemer] te ontheffen van zijn activiteiten met betrekking tot het GSB, dan wel om - zoals [werknemer] stelt en de Bank betwist - het reeds genomen besluit ter zake aan hem mee te delen. Daar komt bij dat [werknemer] thans wel stelt dat hij bereid was in bedoeld gesprek de door hem gestelde eisen los te laten, maar niets concreets aanvoert waaruit blijkt dat en hoe hij bereid was het geschonden vertrouwen te herstellen.

42.

Bij deze stand van zaken handelde de Bank niet in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door (i) [werknemer] niet (expliciet) te wijzen op de consequenties van zijn e-mail, (ii) hem niet meer tijd te geven voor reflectie en om terug te komen op zijn e-mail en (iii) later niet bereid te zijn om haar besluit terug te draaien. Ten aanzien van dit laatste is van belang dat inmiddels een trader in Londen met het beheer van het GSB was belast, met daarbij de opdracht dat veel behoudender te doen dan daarvoor door [werknemer] was gebeurd, terwijl dat beheer vanaf dat moment slechts aanspraak gaf op een geringe beheervergoeding in plaats van een bonus.

43.

Of [betrokkene 3] en [betrokkene 2] op enig moment vanwege disfunctioneren zijn ontslagen leidt, indien juist, niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is dat dit - betwiste - disfunctioneren verband houdt met onderhavige kwestie.

44.

Uit het voorgaande volgt dat de Bank niet aansprakelijk is voor de schade van [werknemer] als gevolg van het feit dat hem in september 2002 de werkzaamheden aan het GSB zijn ontnomen. De in r.o. 18 als iv. aangeduide punten behoeven daarom verder niet te worden beoordeeld.

45.

Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van [werknemer] nu de door hem gestelde feiten, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

46.

Het voorgaande brengt mee dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 7 september 2007 zal worden vernietigd, met uitzondering van de kostenveroordeling, en dat de vorderingen van [werknemer] zullen worden afgewezen. Er is geen reden om de bestreden tussenvonnissen te vernietigen, nu daarin geen te executeren dicta zijn vervat. Bij deze uitkomst past dat [werknemer] in de kosten van het principaal en incidenteel appel wordt veroordeeld.

47.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof genoemd vonnis geheel vernietigen en het dictum herformuleren.

Beslissing

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 7 september 2007,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [werknemer] aan de Bank te betalen een bedrag van € 5.400,-- ter zake van de proceskosten van de procedure in eerste aanleg;

  • -

    veroordeelt [werknemer] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van de Bank tot op heden begroot op € 90,64 kosten exploot, € 254,-- griffierecht en
    € 18.320,-- aan salaris advocaat (4 punten, tarief VIII);

  • -

    veroordeelt [werknemer] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de Bank tot op heden begroot op € 4.580,-- aan salaris advocaat (1 punt, tarief VIII);

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, J.M.Th. van der Hoeven-Oud en
V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013 in aanwezigheid van de griffier.