Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1914

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
22-004328-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen, op de wijze zoals bewezen verklaard. Daarmee bevordert het handelen van de verdachte, met behulp waarvan een illegaal geldcircuit in stand werd gehouden, het plegen van delicten.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004328-12

Parketnummer: 10-751016-10

Datum uitspraak: 17 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 januari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1979,

[adres] volgens opgave van de verdachte:.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 juni 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2009 tot en met 14 juli 2009, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en)(met een totaal van ongeveer 82.950,00 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en), te weten één of meer geldbedrag(en)(met een totaal van ongeveer 82.950,00 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 13 juli 2009 tot en met 14 juli 2009, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, geldbedragen met een totaal van ongeveer 82.950,00 euro voorhanden heeft gehad, , terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat – kort en zakelijk weergegeven – er onvoldoende aanwijzingen in het dossier voorhanden zijn op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat in de woning aan de [adres] te Rotterdam voorwerpen en stoffen aanwezig waren die een evidente relatie met de handel in verdovende middelen hadden. De verdachte had een nauwe band met de medeverdachte [medeverdachte 1] en was met grote regelmaat aanwezig in de woning waarvan hij ook de sleutel bezat. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte beschikte over geldmiddelen die op geen enkele wijze door de hoogte van zijn salaris kunnen worden verklaard en dat hij in het bezit was van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat een fors geldbedrag in voornoemde woning aanwezig was. Voorts heeft de verdachte verklaard dat dit geld in ieder geval niet van zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is; hierdoor is bij de politie het vermoeden ontstaan dat hij deze medeverdachten probeert af te dekken. Ongeacht de vraag of dit vermoeden waar is of dat de verdachte zelf in het bezit was van dit geld, is het hof van oordeel dat er, gelet op het bovenstaande, sprake is van een zodanige betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde dat hij als medepleger moet worden aangemerkt. Nu de verdachte voorts desgevraagd door het hof geen duidelijkheid omtrent het ten laste gelegde wenst te verschaffen terwijl bovengenoemde omstandigheden onmiskenbaar om een uitleg vragen, is het hof – alles overwegende – van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen, op de wijze zoals bewezen verklaard. Daarmee bevordert het handelen van de verdachte, met behulp waarvan een illegaal geldcircuit in stand werd gehouden, het plegen van delicten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. T.J.P. van Os van den Abeelen en mr. M.F.L.M. van der Grinten, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juni 2013.

Mr. M.F.L.M. van der Grinten is buiten staat dit arrest te ondertekenen.