Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1706

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
200.116.495.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1063, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 juni 2013

Zaaknummer : 200.116.495/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-6867

[verzoekster],

wonende te[adres],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.A.S. Maduro te Rotterdam,

tegen

[verweerder]

wonende te Amsterdam,

[verweerder] in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E. Tahitu te Amsterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 november 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 augustus 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 15 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 5 december 2012 een brief van 3 december 2012 met bijlage;

- op 18 december 2012 een brief van 14 december 2012 met bijlagen;

- op 1 maart 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 13 maart 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 14 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de moeder;

- de advocaat van de vader.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om schriftelijk zijn mening kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – met wijziging in zoverre van de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen te Curaçao d.d. 6 september 2011 – :

  • -

    de door de vader met ingang van 1 december 2003 tot en met 31 december 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van[minderjarige], geboren op [geboortedatum]te[geboortedatum] (hierna te noemen: de minderjarige), bepaald op nihil;

  • -

    de door de vader met ingang van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige bepaald op € 14,- per maand;

  • -

    de door de vader met ingang van 1 januari 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige bepaald op € 27,- per maand.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook kinderalimentatie.

2.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek ter zake van de verlaging van de kinderalimentatie af te wijzen, kosten rechtens.

3.

De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen dan wel ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bekrachtigen.

4.

De moeder kan zich in hoger beroep niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat op basis van artikel 269 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) de rechter relatieve bevoegdheid toekomt. Het werkelijk verblijf van de minderjarige betreft Curaçao. De Curaçaose rechter was volgens de moeder derhalve bevoegd om te oordelen over de onderhavige zaak. Voorts stelt de moeder - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat wat betreft de periode 2003 tot en met 2012 de vader een zeer laag inkomen had waardoor er geen ruimte is voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Er is volgens de moeder geen sprake van een wijziging van omstandigheden.

5.

De vader stelt in zijn verweer dat de rechtbank ’s-Gravenhage in de onderhavige procedure bevoegd was en is. Volgens hem betreft de rechtsmachtkwestie in de onderhavige procedure geen internationale maar een interregionale zaak. De vader schaart zich met betrekking tot de relatieve bevoegdheid volledig achter de motivering van de rechtbank. Verder stelt de vader dat hij in zijn inleidende verzoek primair heeft verzocht om nihilstelling met ingang van 1 december 2003, omdat hij vanaf november 2003 in detentie heeft gezeten. Hij acht het derhalve niet onredelijk dat de rechtbank zijn verzoek heeft beoordeeld met ingang van 1 december 2003. De vader meent, anders dan de moeder, dat wel sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu hij - na de beschikking van 6 september 2001 - vanaf december 2003 in detentie heeft gezeten. De door de rechtbank vastgestelde bedragen die de vader betaalt, te weten € 14,- per maand over het jaar 2011 en € 27,- per maand vanaf 2012, zijn volgens hem redelijk en in overeenstemming met zijn draagkracht.

Het hof overweegt als volgt.

Bevoegdheid

6.

Vaststaat dat de vader op Curaçao is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder verklaard dat ook de moeder op Curaçao is geboren en de Nederlandse nationaliteit heeft. De vader woont in Amsterdam en de moeder woont, tezamen met de minderjarige, op Curaçao. De vader heeft de minderjarige erkend in 2001.

7.

Voor de beantwoording van de vraag of in een zaak als de onderhavige de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, kan niet worden teruggegrepen op verdragen en evenmin op Europese regelgeving. Relevante Koninkrijkswetgeving ontbreekt. De sedert 2002 geldende artikelen 1 t/m 14 Rv zijn niet van toepassing. De in die artikelen opgenomen bepalingen hebben blijkens de wetsgeschiedenis (MvT) uitsluitend betrekking op de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter en uitdrukkelijk geen betrekking op interregionale betrekkingen of zaken. Uit deze wetsgeschiedenis laat zich aldus afleiden dat met de invoering van de genoemde bepalingen niet beoogd is te breken met het voorheen in interregionale zaken geldende recht. Op grond daarvan ligt een analoge toepassing van de artikelen 1 t/m 14 Rv op interregionale zaken dan ook niet voor de hand. De rechtsmachtkwestie in de onderhavige zaak betreft derhalve geen internationale maar een interregionale zaak.

8.

Bij gebreke van enig andere wettelijke houvast dient voor de interregionale rechtsmacht (als vanouds) te worden aangeknoopt bij de regeling van de relatieve competentie van de rechter en wel aldus dat aangenomen moet worden dat de regeling van de relatieve competentie tevens de basis vormt voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (distributie is attributie). De uitdrukkelijke afschaffing van deze regel voor internationale zaken in 2002 heeft geen gevolgen voor de vaststelling van de interregionale rechtsmacht.

9.

Volgens artikel 265 Rv dienen zaken betreffende minderjarigen behandeld te worden door de rechter van de woon- of verblijfplaats van de minderjarige. De minderjarige heeft in dit geval echter in Nederland woon- noch verblijfplaats. De stelling dat in deze voor “Nederland” moet worden gelezen “het Koninkrijk der Nederlanden”, vindt geen steun in het recht. Voor de relatieve bevoegdheid geldt dan artikel 269 Rv dat als bevoegde rechter de rechter te ’s-Gravenhage aanwijst. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter is hiermee gegeven.

Toepasselijk recht

10.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht het recht van de Nederlandse Antillen op het wijzigingsverzoek heeft toegepast, nu de onderhoudsgerechtigde op Curaçao haar woonplaats heeft. Het hof neemt de overwegingen hierbij over. Hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Inhoudelijk

11.

De vader heeft wijziging van de kinderalimentatie verzocht omdat de kinderalimentatie in verband met gewijzigde omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De moeder stelt in hoger beroep dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Volgens haar zijn de omstandigheden van de vader na de beschikking van 6 september 2001 nagenoeg dezelfde gebleven.

12.

Het hof is uit de stukken en het besprokene ter zitting genoegzaam gebleken dat de vader - na de beschikking van 6 september 2001 - vanaf 26 november 2003 tot 23 december 2004 en vanaf 11 november 2008 tot 11 november 2010 gedetineerd is geweest, hetgeen - anders dan de moeder betoogt - een rechtens relevante wijziging als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen oplevert. Op grond daarvan dient de rechter de behoefte en de draagkracht opnieuw vast te stellen.

Behoefte minderjarige

13.

De behoefte aan een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie staat als niet bestreden vast.

Draagkracht vader

14.

Uit de door de vader overgelegde Inkomensverklaringen van de Belastingdienst is van de volgende inkomens gebleken:

2003: verzamelinkomen € 4.232,-;

2004: geen inkomen;

2005: verzamelinkomen € 13.817,-;

2006: verzamelinkomen € 13.918,-;

2007: verzamelinkomen € 15.066,-;

2008: geen inkomen;

2009: geen inkomen:

2010: geen inkomen;

2011: loongegevens: € 17.428,-;

2012: loongegevens: € 18.126,-.

15.

Vaststaat dat de lasten van de vader nagenoeg gelijk zijn gebleven. Gelet hierop zal het hof uitgaan van de lasten zoals deze zijn opgenomen in de door de vader in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening. Uit het bovenstaande volgt dat de vader in de jaren 2003 tot en met 2010 een zeer laag inkomen genoot. Naar het oordeel van het hof heeft de vader genoegzaam aangetoond dat zijn draagkracht over die jaren geen ruimte toeliet voor betaling van enige kinderalimentatie.

16.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vader over de jaren 2011 en 2012 de financiële gegevens over zoals door de rechtbank vermeld, welke draagkrachtberekening als zodanig niet is bestreden door de moeder.

17.

Uit het bovenstaande volgt dat de draagkracht van de vader met ingang van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 een bijdrage toelaat van € 14,- per maand en met ingang van 1 januari 2012 een bijdrage toelaat van € 27,- per maand, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

18.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

19.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, van Nievelt en Sierksma, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2013.