Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1705

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
200.103.044-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wel/geen overeenkomst van opdracht tot stand gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.103.044/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 1091220 / 11-22916

Arrest van 23 april 2013

inzake

[appellant],

wonende te Groningen,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. Wiersma te Groningen,

tegen

KINCAIDFISHER BV,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: KincaidFisher,

advocaat: mr. M. Heijsteeg te Hoofddorp.

Het geding

Bij exploot van 17 februari 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 november 2011 dat de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage (hierna: de kantonrechter), tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd. KincaidFisher heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Tussen partijen is in geschil of KincaidFisher op 8 juni 2011 een opdracht heeft gegeven aan [appellant] tot het maken van een ontwerp voor een applicatie (een zogenaamde “app”). [appellant] stelt dat dit het geval is en vordert daarom de veroordeling van KincaidFisher tot betaling van € 1.864,73 ter zake van de door [appellant] verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Volgens KincaidFisher is geen sprake van een overeenkomst van opdracht, maar heeft zij in het kader van een pilot een aantal personen, waaronder [appellant], uitgenodigd om een icoontje te ontwerpen voor een applicatie. Degene die zou winnen zou als beloning een bedrag van € 500,- krijgen.

2.

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. [appellant] heeft tegen het oordeel van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen een drietal grieven geformuleerd die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.

3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] ten behoeve van Kincaidfisher enige werkzaamheden, anders dan in dienstverband, heeft verricht. Over de inhoud van die werkzaamheden geven partijen wisselende informatie. Volgens [appellant] moest hij een volledige applicatie (“app”) ontwikkelen, terwijl Kincaidfisher stelt dat zij in het kader van een pilot een aantal personen, onder wie [appellant], heeft uitgenodigd om een icoontje te ontwerpen voor een applicatie.
Het hof kan in het midden laten wat de van [appellant] verlangde werkzaamheden precies omvatten, omdat het volgens de stellingen van partijen in de kern slechts gaat om de vraag of [appellant] in aanmerking komt voor een vergoeding (en zo ja, hoe hoog die vergoeding moet zijn).

Volgens [appellant] kan hij aanspraak maken op een vergoeding, berekend door het aantal door hem gewerkte uren te vermenigvuldigen met een uurtarief en te vermeerderen met zijn reiskosten en de BTW. Kincaidfisher stelt dat alleen de beste van de door haar uitgenodigde ontwerpers een vergoeding van € 500,- zou krijgen.
Beide partijen beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunten op een reeks tussen hen gewisselde e-mails. Het hof kan daarin onvoldoende aanknopingspunten vinden voor de juistheid van het standpunt van [appellant], zodat zijn rekenwijze niet aanvaard kan worden. Een nadere onderbouwing in hoger beroep ontbreekt.

Het hof constateert echter wel dat Kincaidfisher in de bundel stukken, die hebben te gelden als haar conclusie van antwoord in eerste aanleg, een e-mail d.d. 29 juni 2011, 10.02 PM, van haar tekenbevoegde directeur [X] heeft opgenomen, waarin vermeld wordt:
"U bent vrij om het gesprek op te vatten zoals u wilt. Wij hebben afspraken gemaakt over 500 euro voor de oplevering van een grafisch design van een van onze apps maar niet tegen de voorwaarde die u stelt.

Ik ben bereid om ondanks uw gedrag, dat bedrag te betalen maar wel tegen de besproken condities van 30 dagen. […]"

De aldus verwoorde afspraak laat zich moeilijk rijmen met het standpunt van Kincaidfisher dat [appellant] geen enkele vergoeding toekomt omdat hij niet het beste ontwerp had en alleen de beste van de door haar uitgenodigde partijen een vergoeding zou krijgen. Dat laatste zou ook onlogisch zijn, omdat de winnaar, zo begrijpt het hof, met Kincaidfisher verder in zee zou gaan en daarin zijn beloning zou vinden. Het hof kan daarom ook de stellingname van Kincaidfisher in dit geding niet aanvaarden. Het hof houdt het er mitsdien voor dat [appellant] ook in de visie van Kincaidfisher aanspraak kan maken op enigerlei vergoeding voor zijn werkzaamheden.
Nu geen van partijen een bewijsaanbod heeft gedaan dat beantwoordt aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, verlaat het hof zich op de in het geding gebracht e-mails en ontleent het daaraan het enige concrete aanknopingspunt voor de bepaling van de vergoeding, te weten de door Kincaidfisher gestelde afspraak.
Op grond hiervan komt het hof tot de slotsom dat [appellant] aanspraak kan maken op een all-in vergoeding van € 500,-.

4.

De conclusie luidt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. KincaidFisher zal worden veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 500,-. Uit de stukken blijkt dat KincaidFisher eind juni 2011 heeft aangeboden dit bedrag te betalen, maar dat [appellant] dit aanbod (uiteindelijk) heeft afgewezen. Onder deze omstandigheden kan [appellant] naar het oordeel van het hof in redelijkheid slechts aanspraak maken op een vergoeding van wettelijke rente met ingang van veertien dagen na heden (in plaats van veertien dagen na factuurdatum). [appellant] heeft voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt werkzaamheden te hebben verricht die op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking komen, zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen.

5.

Bij deze uitkomst past dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.


Beslissing

Het hof

- vernietigt het bestreden vonnis van 24 november 2011;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt KincaidFisher tot betaling aan [appellant] van € 500,-, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na heden;

- verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in beide instanties, zodat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, J.C.N.B. Kaal en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.