Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1680

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
200.113.817/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van ten overstaan van rechtbank gesloten. Bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Sector Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.113.817/01

Rekestnummer rechtbank : 375476/386539

[vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam,

tegen

[man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.M. Lindhout-Schot te 's-Hertogenbosch.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 24 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 juni 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 29 november 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 25 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met enkele bijlagen, op 26 oktober 2012 ingekomen als brief met bijlagen;

  • -

    op 18 januari 2013 een brief van 17 januari 2013 met bijlagen,

  • -

    op 5 februari 2013 een brief met bijlage;

van de zijde van de man:

op 29 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 8 februari 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man, zonder advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – ten laste van de man aan de vrouw met ingang van 26 juni 2012 een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 1.000 per maand, voor wat betreft de na voormelde datum te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; en is bepaald dat partijen overgaan tot afwikkeling van de tussen hen bestaande huwelijkse voorwaarden, zoals in de beschikking is overwogen.

In de beschikking is overwogen dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden en wel als volgt:

  • -

    het in depot staande bedrag van € 20.000 komt aan de vrouw toe;

  • -

    de vrouw ontvangt bij verkoop van de woning in Frankrijk de helft van de overwaarde;

  • -

    de man voldoet aan de vrouw ter finale kwijting een bedrag van € 65.000, dit bedrag is direct opeisbaar op het moment dat de woning in Frankrijk zal zijn verkocht;

  • -

    met ingang van 1 juni 2013 voldoet de man een rente van 2 % over voormeld bedrag van € 65.000, dit bedrag is direct opeisbaar op het moment dat de woning in Frankrijk zal zijn verkocht.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is of de tussen partijen ter zitting van 5 juni 2012 bij de rechtbank tot stand gekomen overeenkomst inzake de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden correct en volledig is vastgelegd in de bestreden beschikking.

2.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen dan wel aan te vullen, en opnieuw rechtdoende, als aanvulling op te nemen onder het derde gedachtestreepje op pagina 1 van de beschikking van 26 juni 2012 (naar het hof begrijpt) het volgende:

c. bij faillissement van de schuldenaar, diens surseance van betaling of indien de regels van een wettelijke schuldsanering natuurlijke personen op deze persoon van toepassing zal zijn;

d. bij overlijden van de moeder van de man;

e. in tweeduizend dertien (2013) wanneer de beleggingspolis van de man tot uitkering komt.

3.

De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de grieven van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de vrouw te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

4.

In de toelichting op haar grief stelt de vrouw dat de rechtbank in haar beschikking abusievelijk een aantal voorwaarden vergeten is op te nemen die tijdens de mondelinge behandeling van 5 juni 2012 na en tijdens de regeling in der minne ter zitting zijn besproken. Er ontbreekt een belangrijk onderdeel in de regeling, namelijk dat de vrouw duidelijk heeft gezegd in de zittingzaal dat zij alleen tot een regeling wenst te komen indien de voorwaarden A tot en met E, pagina 2 onderdeel ‘deze vordering is opeisbaar’, van de vaststellingsovereenkomst zoals bij de notaris is besproken en vastgelegd op 29 november 2006, overgenomen zouden worden. De vrouw stelt dat bedoeld was dat de vordering ook opeisbaar is bij faillissement van de schuldenaar, diens surséance van betaling, of indien de regels van een wettelijke schuldsanering natuurlijke personen op deze persoon van toepassing zal zijn, bij overlijden van de moeder van de man en in 2013 wanneer de beleggingspolis van de man tot uitkering komt. Ter zitting heeft de vrouw bepleit dat er geen sprake is van een nieuwe vaststellingsovereenkomst en dat de vaststellingsovereenkomst van 29 oktober 2006 slechts op een aantal punten is gewijzigd waar het de hoofdsom, rente en de ingangsdatum van de rente betreft. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw aangevoerd dat zij de stellingen van de man ontkent en betwist en heeft zij aangeboden haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, alsmede door middel van getuigen, zijzelf als partijgetuige, mevrouw Van der Grampel (rechter) en mevrouw De Kok (griffier).

5.

De man stelt dat overeengekomen is dat ten aanzien van de opeisbaarheid van de vordering van € 65.000 de voorwaarden a,c en d zouden gelden zoals verwoord in de tussen partijen gesloten vaststellingovereenkomst van 29 november 2006. De voorwaarden genoemd onder b en e zijn hierbij uitdrukkelijk door partijen uitgesloten. Als partijen overeengekomen zouden zijn dat de vordering sowieso in 2013 opeisbaar zou zijn, dan zou het overbodig zijn geweest een bepaling betreffende rente op te nemen. Ook zou een verwijzing naar de verkoop van de woning dan overbodig zijn geweest. De kans dat de woning zou worden verkocht voor het tot uitkering komen van de beleggingspolis was immers verwaarloosbaar. Volgens de man is ter zitting bij de rechtbank een nieuwe overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen die in de plaats komt van de overeenkomst van 29 november 2006.

6.

Het hof is voorshands van oordeel dat uit de tekst van hetgeen tussen partijen ter zitting van de rechtbank is overeengekomen niet valt op te maken dat sprake zou zijn van een nadere overeenkomst die de overeenkomst van 29 november 2006 aanvult danwel op onderdelen wijzigt.

7.

De stelling van de vrouw dat de overeenkomst van 29 november 2006 nog gelding heeft, en – naar het hof begrijpt - slechts een aanvulling zou zijn op de overeenkomst van 29 november 2006, vindt geen steun in de door de rechtbank vastgelegde overeenkomst tussen partijen, zoals hiervoor omschreven.

De rechtbank heeft in de door haar omschreven overeenkomst van partijen geen enkele verwijzing naar of verbinding gemaakt met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 29 november 2006. .

8.

Gelet op het gespecificeerde en uitdrukkelijke bewijsaanbod dat door de vrouw ter terechtzitting is gedaan, zal het hof de vrouw in de gelegenheid stellen bewijs bij te brengen van haar vooromschreven stelling door – zoals door haar verzocht – het horen van getuigen. Door het hof zal een datum voor het getuigenverhoor worden bepaald, waarbij de door de vrouw nog op te geven getuigen zullen worden gehoord. Het getuigenverhoor zal geschieden ten overstaan van de bij deze te benoemen raadsheer-commissaris.

9.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

laat de vrouw toe tot het bewijs van haar stelling dat partijen ter zitting van 5 juni 2012 overeenstemming hebben bereikt in die zin dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 29 november 2006 is gehandhaafd en dat de door partijen ter zitting van de rechtbank gesloten overeenkomst de overeenkomst van 29 november 2006 enkel heeft gewijzigd of heeft aangevuld op de onderdelen hoogte schuld, hoogte rente en ingangsdatum rente, en wel door het doen horen van getuigen;

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in één der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Labohm, op een na opgave van verhinderdata te bepalen datum en tijdstip;

gelast elk van partijen aan het hof binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking een overzicht te doen toekomen van haar verhinderdata en de vrouw tevens van de verhinderdata van de te horen getuigen in de maanden juni, juli en augustus 2013;

bepaalt dat de vrouw tenminste veertien dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de man en aan de griffier dient op te geven en voor oproeping van de getuigen dient zorg te dragen;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 25 mei 2013 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Ydema, bijgestaan door

mr. Massmann als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.