Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1571

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
200.122.837/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet griffierecht ex artikel 29 WGBZ. Hoogte griffierecht in hoger beroep. Vordering in hoger beroep beperkt tot verklaring voor recht, terwijl in eerste aanleg een geldbedrag gevorderd was, griffierecht gebaseerd op hoogte geldvordering. Ook ‘eenmans-B.V.’ met weinig draagkracht valt onder tarief voor rechspersonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/196

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.122.837/01

beschikking van 16 april 2013

inzake

@-linq B.V.,

gevestigd te Leerdam

opposante,

advocaat: mr M.W. Veldhuijs te Amsterdam,

tegen

de griffier van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage,

geopposeerde,

hierna te noemen: de griffier,

Het geding

Bij het op 13 februari 2013 ter griffie van het hof ingekomen faxbericht is opposante in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van griffierecht ten bedrage van € 4.961,-. De griffier heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter terechtzitting van 15 maart 2013 mondeling behandeld. Daarbij hebben mr. E.W. van Schaijk, advocaat te Huis ter Heide namens opposante aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen e n mr. drs. ing. J.H.L.M. de Dood namens de griffier de standpunten toegelicht.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Bij de beoordeling van het verzet kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2 Bij dagvaarding van 21 januari 2013 heeft opposante hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 22 oktober 2012 van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Gorinchem gewezen tussen opposante als eiseres in de hoofdzaak en verweerster in het incident en Gulf Extrusions LLC (verder: Gulf) als gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident, waarbij de kantonrechter zich onbevoegd heeft verklaard. Op de rolzitting van 5 februari 2013 is de zaak (bij vervroeging) aangebracht. De zaak is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.121.295/01.

1.3 Volgens het petitum van de dagvaarding in hoger beroep vordert opposante vernietiging van voornoemd vonnis van de rechtbank Dordrecht, voor zover de vorderingen van Gulf zijn toegewezen en de vorderingen van opposante zijn afgewezen en opnieuw rechtdoende, zakelijk weergegeven:

- te verklaren voor recht dat tussen haar en Gulf sprake is van een agentuurovereenkomst naar Nederlands recht;

- te verklaren voor recht dat sprake is van het toerekenbaar door Gulf niet nakomen van deze overeenkomst en dat Gulf aansprakelijk is voor de schade die opposante daardoor geleden heeft, nader op te maken bij staat;

- de vorderingen van Gulf af te wijzen,

een en ander met (na)kosten en rente.

1.4 Voor deze zaak is een griffierecht van € 4.961,- in rekening gebracht.

2.

Opposante verzoekt om herziening van het griffierecht. Zij voert aan dat zij in verband met financiële moeilijkheden ervoor gekozen heeft om in hoger beroep een verklaring voor recht te vragen. Het gaat daarom anders dan in eerste aanleg om een vordering van onbepaalde waarde. De procedure is in beroep met name aanhangig gemaakt om duidelijkheid te verkrijgen over de aard van de tussen partijen gesloten overeenkomst en het van toepassing zijnde recht. Gelet hierop dient het griffierecht volgens opposante te worden verminderd tot een bedrag van € 683,-.

Verder is – onder verwijzing naar artikel 6 EVRM – te berde gebracht dat het in rekening gebrachte griffierecht niet in verhouding is tot de draagkracht van opposante als ‘eenmans-B.V.’.

3.

De griffier heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1

Het hof kan opposante in haar standpunt niet volgen.

4.2

Vooropgesteld wordt dat bij de berekening van het griffierecht volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in een bij dagvaarding aanhangig gemaakte hoger beroepszaak in beginsel moet worden aangeknoopt bij (het bedrag van) de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep zich richt, had te beslissen. Daarbij biedt de wet geen ruimte voor een andere dan de formele uitleg van de vordering en mag de griffier bij de bepaling van het griffierecht niet door de vordering heen kijken (o.a. HR 27 september 2002, NJ 2002, 533). Dit is anders indien het hoger beroep zich beperkt tot een deel van de oorspronkelijke vordering (HR 8 februari 2005, NJ 2005, 227).

Hoewel de bedoelde jurisprudentie dateert uit de periode waarin de Wet tarieven in burgerlijke zaken nog van toepassing was, zijn er geen aanwijzingen dat binnen de huidige wettelijke regeling, de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz), een ander uitgangspunt dient te worden gehanteerd.

4.3

Blijkens het in hoger beroep bestreden vonnis, diende de rechtbank in de hoofdzaak te beslissen over (i) een vordering ter verkrijging van een verklaring van recht dat van september 2007 tot en met maart 2009 sprake was van een arbeidsovereenkomst, althans een agentuurovereenkomst naar Nederlands recht en (ii) een geldvordering van € 126.136,-, met rente en kosten. Voor de vaststelling van het verschuldigde griffierecht in hoger beroep dient op grond van voormelde jurisprudentie in beginsel bij deze vordering te worden aangeknoopt. Weliswaar heeft opposante haar vordering in hoger beroep opnieuw geformuleerd, maar niet gebleken is dat zij daarmee de oorspronkelijke vordering heeft willen beperken. Meer in het bijzonder is niet gebleken dat zij in de procedure in hoger beroep geen betaling meer wenst van de door haar gestelde geleden schade zoals gevorderd in eerste aanleg, nu zij daarvan een verwijzing naar de schadestaat vordert. Ingevolge art. 612 Rv kan de appelrechter die schade, met inachtneming van hetgeen door opposante in eerste aanleg is aangevoerd begroten op € 126.136,-. Voor de vaststelling van het verschuldigde griffierecht in hoger beroep diende de griffier dan ook uit gaan van dit geldbedrag.

Ook heeft de griffier in dit geval terecht het griffierecht voor rechtspersonen in rekening gebracht. Daarvoor is immers de formele hoedanigheid van opposante als BV bepalend.

Het beroep op artikel 6 lid 1 EVRM kan opposante tot slot niet baten, nu er ook voor rechtspersonen een mogelijkheid bestaat van gesubsidieerde rechtsbijstand en verlaging van het griffierecht tot het tarief voor onvermogenden. Hiermee kan een eventuele onevenwichtigheid tussen de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende worden weggenomen. Opposante heeft nagelaten haar stellingen terzake deugdelijk te onderbouwen.

4.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van opposante tegen de beslissing van de griffier ongegrond is.

Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Davids, J.J. Roos en J.M. Willink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.