Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1531

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
200.096.389-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afspraken energieleveranciers betreffende meterstanden; in rekening brengen van door voorgangers geleverde energie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.096.389/01

Zaaknummer rechtbank : 1179035 \ CV EXPL 10-71914

Arrest d.d. 28 mei 2013

inzake

E.On Benelux Levering B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

appellante,

hierna te noemen: E.On,

advocaat: mr. A.J. van de Graaf te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Schiedam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.H. de Bruin te Rotterdam.

Het geding

E.On is bij dagvaarding van 20 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 29 juli 2011 van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam. Bij memorie van grieven (met producties) d.d. 20 maart 2012 heeft E.On vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd, die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (d.d. 10 juli 2012) heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen schriftelijk gepleit (op 11 december 2012), waarbij E.On een productie heeft ingebracht. Hierna hebben partijen stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1.

In eerste aanleg vorderde E.On betaling door [geïntimeerde] van € 2.153,09, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, op grond van een overeenkomst tot levering van gas en elektra aan een woning aan [adres]. De levering heeft plaatsgevonden over de periode van 29 april 2009 tot en met 1 juni 2009, dus ruim een maand. E.On had de hoogte van voormeld bedrag gebaseerd op meterstanden, vermeld in een eindafrekening d.d. 31 juli 2009. Die eindafrekening resulteerde in een bedrag van € 2.570,04. Nadat [geïntimeerde] de juistheid van de meterstanden gemotiveerd had betwist, heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen. E.On komt daartegen op met haar grieven.

2.

In hoger beroep heeft E.On haar vordering gewijzigd. Zij vordert thans in hoofdsom een bedrag van € 2.395,25. Dit bedrag is terug te vinden op een nieuwe eindafrekening d.d. 4 juni 2011. Op die eindafrekening zijn ten aanzien van de elektriciteit andere meterstanden vermeld dan op de eerdere eindafrekening. Het verschil van die nieuwe meterstanden resulteert in een lager verbruik van elektriciteit. Voor het gasverbruik is er geen verschil met de eerdere eindafrekening.

3.

[geïntimeerde] bestrijdt dat hij de nieuwe eindafrekening heeft ontvangen en stelt dat deze daardoor zijn werking mist.

Dit verweer van [geïntimeerde] treft geen doel. De gestelde betalingsverplichting is gebaseerd op de overeenkomst. E.On mag de hoogte van het bedrag dat zij op basis van die overeenkomst vordert, in hoger beroep wijzigen en opnieuw onderbouwen. Zij heeft dit gedaan met de overlegging van de nieuwe eindafrekening, waarin een specificatie van de meterstanden is opgenomen. Het hof neemt die nieuwe afrekening als uitgangspunt voor de beoordeling. Aldus heeft E.On succes met haar eerste grief die tot dat resultaat strekte.

4.

Met de tweede grief onderbouwt E.On het gevorderde bedrag als volgt. Het bedrag bestaat uit het werkelijke verbruik over de periode dat [geïntimeerde] energie afnam bij E.On (dus de periode van 29 april 2009 tot en met 1 juni 2009) alsmede het daadwerkelijke verbruik van energie over de periode vanaf 2 april 2007, welk verbruik nog niet in rekening is gebracht. Het verbruik door [geïntimeerde] is gedurende twee jaar lang structureel te laag geschat en hij heeft dus structureel te weinig betaald. Op grond van afspraken van alle betrokken partijen in de energiewereld moet elke energieleverancier uitgaan van de in het zogeheten EDSN-register vastgelegde meterstanden. Volgens E.On kan haar niet worden tegengeworpen dat zij, door uit te gaan van die standen, gebruik in rekening brengt over de periode voordat zij de levering overnam. E.On acht de stelling van [geïntimeerde] dat aan een gedeelte van de vordering geen tussen partijen geldende titel ten grondslag ligt, in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

5.

Het hof volgt E.On hierin niet. E.On kan aan [geïntimeerde] slechts die energie in rekening brengen die [geïntimeerde] van haar heeft afgenomen. Voor betaling door [geïntimeerde] aan E.On van energie die door anderen aan [geïntimeerde] is geleverd, ontbreekt een rechtsgrond. Niet valt in te zien waarom (honorering van) de hierop betrekking hebbende stelling van [geïntimeerde] in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn. De gestelde afspraak tussen de energieleveranciers regardeert [geïntimeerde] niet.

6.

E.On brengt bij het schriftelijk pleidooi nog naar voren dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd zou worden verrijkt als hij het aan anderen wegens energielevering verschuldigde bedrag niet aan E.On hoeft te betalen. E.On heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd en niet eens gesteld dat zij is verarmd. Ook deze grond kan niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. De tweede grief faalt dus.

7.

Het falen van de tweede grief brengt mee, dat de derde grief betreffende de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de vierde grief betreffende de proceskosten evenmin succes hebben. De vijfde grief heeft geen zelfstandige betekenis en volgt het lot van de tweede, derde en vierde grief.

8.

Het slagen van de eerste grief baat E.On niet. Het falen van de vier andere grieven brengt mee dat het vonnis zal worden bekrachtigd en de gewijzigde vordering zal worden afgewezen met veroordeling van E.On in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis van 29 juli 2011;

  • -

    wijst af het meer of anders door E.On gevorderde;

  • -

    veroordeelt E.On in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] bepaald op € 284 aan griffierecht en op € 1.264 aan salaris voor de advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan- de Sonnaville en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.