Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1480

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
09-08-2013
Zaaknummer
BK-11/00881 en 11/00882
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De inspecteur heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat belanghebbende dan wel haar echtgenoot voordelen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen hebben genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2057
V-N Vandaag 2013/1861
V-N 2013/48.1.3

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-11/00881 en 11/00882

Uitspraak d.d. 23 april 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans rechtbank Den Haag) van 12 oktober 2011, nummers AWB 11/586 IB/PVV en 11/587 ZVW, betreffende na te vermelden aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (de aanslag IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.536, en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2007 aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (de aanslag ZVW) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 7.962.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.370 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil, de aanslag ZVW verminderd tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.796, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 1.310 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Partijen hebben vervolgens ieder een nader stuk ingediend, dat in afschrift is gezonden aan de wederpartij.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2013, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”3.1. Feiten

3.1 Eiseres is gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenoot) en drijft een administratiekantoor.

3.2 De echtgenoot heeft op 24 juni 2005 ten overstaan van een notaris verklaard dat hij alle certificaten bezit in [A] N.V. (hierna; de N.V.) gevestigd te Curaçao.

(…)

3.5 Op 15 juli 2008 heeft de Belastingdienst/ [Q] van de Britse belastingdienst een renseignement ontvangen dat onder meer als volgt luidt:

“Since I wrote you on 6th June 2008, our investigator has received the financial statements of [B] Ltd for the year ended 31 st December 2006. […]

These financial statements show that [B] Ltd [hierna: de Ltd.] paid dividends of £3,705,000 for the year, the beneficiary of which would be the ultimate holding company, [de N.V.] of the Netherlands Antilles. As you will be aware from earlier correspondence, we have been told by Mr [Y] of the Netherlands that he is beneficial owner of that company.”

3.6 In zijn brief van 12 maart 2009 verzoekt verweerder aan eiseres de jaarrekeningen en jaarverslagen van de N.V. voor 2005 en 2006 te verstrekken. Deze heeft eiseres niet verstrekt.

3.7 In haar brief van 1 april 2010 antwoordt [C] N.V., bestuurder van de N.V., voorzover hier van belang als volgt op een brief van eiseres.

“Zonder partij te willen worden in een geschil tussen U en de Nederlandse belastingdienst en gelet op Uw uitzonderlijke verzoek bevestigen wij dat U niet geregistreerd staat als deelgerechtigde (aandeelhouder) in onze administratie.

Voorts verzocht U, indien mogelijk, om afschriften van jaarrekeningen 2005 en verder van onze organisatie. Helaas kunnen wij aan dit verzoek niet voldoen om reden:

1e. U niet deelgerechtigd bent;

2e. De jaarrekeningen nog goedkeuring behoeven van de Algemene vergadering van Aandeelhouders en derhalve worden aangemerkt als “concept” uitsluitend voor interne doeleinden.

3e. De veronderstelling dat er door onze organisatie “dividend” is uitgekeerd berust op een misverstand. Elke besluitvorming daarom trend kan slechts worden genomen door de Algemene vergadering van Aandeelhouders. Derhalve berichten wij U dat er geen dividendbetalingen in bet verleden hebben plaatsgevonden en zeker niet aan U.”

3.8 Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV is verweerder, zoals aangekondigd in zijn brief van 11 mei 2010, afgeweken van de door eiseres ingediende aangifte. Ter zake van de N.V. heeft verweerder een geschat regulier voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing betrokken. (…) Tevens heeft verweerder het bijdrage-inkomen voor de aanslag ZVW gecorrigeerd.

3.9 Bij de echtgenoot heeft verweerder eveneens een voordeel uit aanmerkelijk belang van

€ 200.000 in de heffing betrokken.”

3.2. Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan.

3.2.1. In een brief met dagtekening 24 april 2012 schrijft de “Centre For Exchange of Intelligence” van de Britse Belastingdienst aan de Belastingdienst/[R] onder meer het volgende:

“Both Mr. [D] and Mr [Y] continue to maintain that it is Mr [Y] who owns the shares in [A]. However Mr. [Y] appears to have received no personal benefit from those shares; dividends paid by [B] Ltd to [A] have ultimately been used to satisfy debts of Mr. [D].”

3.2.2. In een brief met dagtekening 8 januari 1997 schrijft de echtgenoot van belanghebbende namens [A] aan de heer [E] van [B] Limited (hierna: [B]) het volgende:

“Further to our recent discussions in the Netherlands, we officially authorise and instruct you to open additional accounts with various LME brokers enabling us to open additional accounts with various brokers. We do realise that it will not always be possible to open these accounts under [A] and suggest to use [B] whereby [A] will fully guarantee [B] against all losses and consequences. The instruction to trade “non-lead” positions for [A] and “lead” position for [B] will remain unaltered.”

3.2.3. In een brief met dagtekening 15 maart 2001 schrijft de echtgenoot van belanghebbende namens [A] aan de heer [E] van [B] het volgende:

“We have noted your concerns regarding the current LME losses and agree with your view to close all of the LME trade positions in the best possible manner and consolidate the losses. As discussed earlier, all losses are for the account of [A] and need to be dealt with as such.”

3.2.4. De Inspecteur heeft geen gebruik gemaakt van de op grond van artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk en de op grond van artikel 29 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België bestaande mogelijkheden inlichtingen in te (doen) winnen en nader onderzoek te (doen) verrichten.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep, of belanghebbende terecht is aangemerkt als fiscaal partner van haar echtgenoot, of bij belanghebbende terecht een voordeel uit aanmerkelijk belang van € 200.000 in de heffing is betrokken, zoals de Inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

4.2.1. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij tijdig in hoger beroep is gekomen. 4.2.2. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat belanghebbende en [Y] (hierna: de echtgenoot) gehuwd zijn en het gehele jaar 2007 niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Het centrum van de persoonlijke levenssfeer van de echtgenoot bevindt zich geheel 2007 in Nederland. De bij nader stuk door belanghebbende ingebrachte kopieën van een door de echtgenoot gesloten huurovereenkomst ter zake van een woning in België, nota’s van nutsbedrijven, van eetgelegenheden en van aangeschafte raambekleding maken dit niet anders. Belanghebbende heeft zich per een januari 2011 uitgeschreven in haar woonplaats [Z] en stelt vanaf deze datum in België te wonen op het adres van haar echtgenoot. Dit versterkt de stellige indruk dat belanghebbende en haar echtgenoot nimmer duurzaam gescheiden hebben geleefd.

4.2.3. Ten aanzien van het voordeel uit aanmerkelijk belang stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de echtgenoot het volledige belang houdt in [A] N.V. te Curaçao (hierna: [A]) en dat deze vennootschap het volledige belang houdt in [B], welke laatste vennootschap gevestigd is in het Verenigd Koninkrijk. [B] heeft in 2006 een dividend uitgekeerd aan [A] groot £ 3,705,000. De Inspecteur stelt dat aannemelijk is dat van dit door [A] ontvangen dividend een bedrag groot € 400.000 in 2007 ten titel van dividend is uitgekeerd aan de echtgenoot. Aangezien belanghebbende en de echtgenoot fiscale partners zijn in het jaar 2007, het voordeel uit aanmerkelijk belang een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is en zij beiden voor het jaar 2007 geen keuze hebben gemaakt ter verdeling van het voordeel uit aanmerkelijk belang, de wettelijke verdeling van toepassing is, zodat belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2007 een voordeel uit aanmerkelijk belang had behoren aan te geven van € 200.000.

4.3.1. Belanghebbende acht de Inspecteur niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Weliswaar heeft de Inspecteur binnen de wettelijke termijn van zes weken een hoger beroepschrift ingediend en daarbij om uitstel van motivering verzocht, maar het hoger beroep uiteindelijk niet binnen een door het Hof gestelde termijn nader gemotiveerd.

4.3.2. Belanghebbende voert voorts aan dat zij met de bij nader stuk in het geding gebrachte kopieën van een door haar echtgenoot in maart 2007 gesloten huurovereenkomst voor een woning in België, nota’s van nutsbedrijven, van eetgelegenheden en van aangeschafte raambekleding aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot in 2007 is verhuisd naar België en dat zij en haar echtgenoot in 2007 duurzaam gescheiden hebben geleefd. Van een fiscaal partnerschap is derhalve geen sprake.

4.3.3. Ten aanzien van het door de Inspecteur in aanmerking genomen voordeel uit aanmerkelijk belang stelt belanghebbende zich op het standpunt dat haar echtgenoot geen aanmerkelijk belang bezit, althans dat zij daar niet van op de hoogte is. Belanghebbende bezit zelf geen aandelen zodat zij geen houdster van een aanmerkelijk belang is. Voorts heeft [A] in het jaar 2007 geen dividend uitgekeerd aan haar echtgenoot althans is haar van een dividendbetaling door [A] aan haar echtgenoot niets bekend. Integendeel, blijkt uit een door belanghebbende in het geding gebrachte verklaring van de bestuurder van [A] dat de vennootschap in 2007 geen dividend heeft uitgekeerd.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof voorts naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

5.2. Belanghebbende heeft, naar het Hof begrijpt, geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende en de Inspecteur aanduidt met respectievelijk eiseres en verweerder:

”Verdeling van de bewijslast

3.12

Ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel a, onderdeel b en slot van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), in samenhang gelezen met artikel 47, eerste lid, van de Awr, geldt de omkering en verzwaring van de bewijslast indien de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan of niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht.

3.13

Naar het oordeel van de rechtbank kan er in het onderhavige geval geen sprake zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. Eiseres heeft tijdig aangifte gedaan en daarin de relevante inkomensbestanddelen vermeld. Derhalve heeft zij naar het oordeel van de rechtbank de vereiste aangifte gedaan. Zoals blijkt uit de onder 3.7 geciteerde brief kon eiseres niet beschikken over de jaarstukken en de jaarverslagen van de N.V. en heeft zij daarover zelf navraag gedaan en vervolgens de belastingdienst ingelicht. Mitsdien heeft zij tevens voldaan aan de inlichtingenplicht.

3.14

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat op verweerder de last rust aannemelijk te maken dat eiseres in 2007 een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Inzake de afschrijvingskosten op de inventaris en de creditfactuur rust de bewijslast op eiseres.

Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang

3.14

Met al hetgeen verweerder heeft aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat de N.V. in 2007 aan de echtgenoot een dividend van € 400.000 heeft uitgekeerd. Uit het feit dat de N.V. een dividend heeft ontvangen en de echtgenoot, althans in 2005, certificaten hield in de N.V. volgt niet dat er in 2007 een uitdeling van winst aan de echtgenoot heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelijk derhalve in zoverre aan eiseres.

Kosten met betrekking tot de inventaris van de werkruimte

3.15

In zijn uitspraak van 23 februari 2011 in het beroep van eiseres tegen de aanslag IB/PVV 2005 (zaaknr. AWB 09/869 IB/PVV) heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“3.5. […] Ingevolge het bepaalde in artikel 3.16, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen bij het bepalen van de winst niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning. Dit is, voor zover hier van belang, slechts anders indien de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en de belastingplichtige, die zoals in het geval van eiseres niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

3.16.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de werkruimte naar de verkeersopvatting geen zelfstandig gedeelte van de woning vormt. Alsdan komen de kosten en lasten van de inrichting van de werkruimte niet voor aftrek in aanmerking. Tot de kosten en lasten van de inrichting behoren naar het oordeel van de rechtbank ook de afschrijvingskosten van het meubilair, waaronder de kastenwand. De afschrijvingskosten zijn derhalve voor zover deze betrekking hebben op de kastenwand terecht gecorrigeerd. De computer behoort naar het oordeel van de rechtbank niet tot de inrichting van de werkruimte. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de afschrijvingskosten van de computer, nu deze als bedrijfsmiddel wordt gebruikt, dan ook niet van aftrek uitgesloten. Eiseres heeft evenwel de computer ten onrechte ineens afgeschreven. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.34, derde lid, Wet IB 2001 jo. artikel 7 van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 (teksten 2005) mogen startende ondernemers willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zij hebben aangeschaft in een kalenderjaar waarover bij hen de verhoogde zelfstandigenaftrek als bedoeld in artikel 3.76, derde lid, Wet IB 2001 van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat eiseres de computer heeft aangeschaft in een kalenderjaar waarin bij haar de verhoogde zelfstandigenaftrek van toepassing is. Derhalve dient de computer volgens de normale afschrijvingsregels te worden afgeschreven. Uit de door eiseres overgelegde factuur blijkt dat de aanschafwaarde van de computer € 499 bedroeg. Uitgaande van een levensduur van drie jaar en een restwaarde van nihil dient de afschrijving op de computer voor 2005 te worden gesteld op € 166. In zoverre zijn de afschrijvingskosten op de inventaris derhalve ten onrechte gecorrigeerd.”

Nu eiseres in het onderhavige beroep eveneens heeft aangevoerd dat in de afschrijving op inventaris afschrijvingskosten die zien op de computer zijn begrepen, is de rechtbank van oordeel dat voor het jaar 2006 eveneens een bedrag van € 166 in aftrek kan worden gebracht. Voor het overige bestaat op grond van artikel 3.16, eerste lid, van de Wet IB 2001 geen recht op aftrek. In zoverre slaagt het beroep van eiseres.

Creditfactuur

3.17

In de onder 3.15 geciteerde uitspraak met betrekking tot het jaar 2005 heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“3.4 […] Eiseres heeft in 2005 een bedrag van € 25.000 als kosten ten laste van haar resultaat gebracht. Het is aan eiseres, die dit bedrag ten laste van haar resultaat wenst te brengen, om bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat zij in 2005 tot dat bedrag kosten heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres met hetgeen zij heeft gesteld en de stukken die zij heeft overgelegd daarin niet geslaagd. Eiseres heeft gesteld dat het kosten betreft voor aan haar echtgenoot uitbestede werkzaamheden. Als bewijs heeft eiseres twee facturen van haar echtgenoot aan het administratiekantoor overgelegd. Niet gebleken is dat eiseres die facturen heeft betaald. Nu, naar eiseres heeft gesteld, de echtgenoot in 2007 het gehele bedrag heeft gecrediteerd, acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiseres in 2005 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor door haar echtgenoot verrichte werkzaamheden. De omzet is derhalve terecht met een bedrag van € 25.000 gecorrigeerd.”

Eiseres stelt in haar pleitnota dat de creditering door de echtgenoot in 2007 heeft plaatsgevonden onder de voorwaarde dat [F] Holding B.V. eveneens zou worden gecrediteerd. De rechtbank is echter niet gebleken dat eiseres deze creditering door haar echtgenoot tot de omzet van 2007 heeft gerekend. De rechtbank acht reeds om die reden niet aannemelijk dat de creditfactuur ten laste van de omzet van 2007 dient te komen. Mitsdien faalt deze beroepsgrond.

Berekening van de belastbare inkomens

3.18

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd tot (€ 6.536 -/- € 166 = ) € 6.370 en het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden vastgesteld op nihil.

Aanslag ZVW

3.19

Naar de rechtbank begrijpt, beschouwen partijen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV eveneens als uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag ZVW. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Het bijdrage-inkomen dient op grond van hetgeen onder 3.18 is overwogen te worden vastgesteld op (€ 7.962 -/- € 166 =) € 7.796.

Slotsom

3.20

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank beslist zoals onder II is vermeld.”

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid

7.1. De Inspecteur heeft tijdig pro forma hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en zijn hoger beroep vervolgens gemotiveerd zodat de Inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het is niet aan een partij om te bepalen of de wederpartij tijdig zijn (hoger)beroepschrift van gronden heeft voorzien.

Aanslag ZVW

7.2. Ten aanzien van het hoger beroep van de Inspecteur tegen de beslissing van de rechtbank inzake de aanslag ZVW heeft te gelden dat de grondslag voor deze bijdrage uitsluitend bestaat uit belastbare inkomsten uit werk en woning. Aangezien in hoger beroep de belastbare inkomsten uit werk en woning niet meer in geschil zijn en de Inspecteur geen gronden heeft aangevoerd voor zijn hoger beroep inzake de aanslag ZVW, is het hoger beroep van de Inspecteur in zoverre ongegrond.

Aanslag IB/PVV

7.3. Het Hof zal allereerst de vraag beantwoorden of de echtgenoot van belanghebbende in het jaar 2007 een voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag, behoeven de overige vragen geen behandeling.

7.4. In hoger beroep herhaalt de Inspecteur de in eerste aanleg voor de rechtbank betrokken stelling dat het in het jaar 2006 door [B] aan [A] uitgekeerde dividend groot £ 3,705,00 aannemelijk maakt dat tien percent hiervan in het jaar 2007 als dividend is uitgekeerd aan de echtgenoot van belanghebbende. Volgens de Inspecteur is het dan aan belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken omdat, zo begrijpt het Hof de Inspecteur, belanghebbende de meest gerede partij is om het bewijs te leveren. In hoger beroep heeft de Inspecteur hier nog aan toegevoegd dat belanghebbende en haar echtgenoot in het jaar 2011 een woning in België hebben gekocht. Voor deze woning is op 27 april 2011 een bouwvergunning aangevraagd. De Inspecteur schat de voor de aanschaf en verbouwing van voormelde woning benodigde geldmiddelen op € 2.000.000. Van een hypothecaire lening ten behoeve van de verkrijging en verbouwing van de woning is de Inspecteur niets gebleken, terwijl de opbrengst van de voormalige echtelijke woning in [Z], na aftrek van de hypothecaire schuld, ongeveer € 60.000 moet hebben bedragen. Aangezien de Inspecteur het vervolgens onwaarschijnlijk acht dat belanghebbende en haar echtgenoot alle beschikbare geldmiddelen voor de woning in België hebben ingezet, schat de Inspecteur het eigen vermogen van belanghebbende en haar echtgenoot in 2011 op € 3.000.000. Voor het geval de door de Inspecteur op de aangifte aangebrachte correctie ter zake van een voordeel uit aanmerkelijk belang niet in stand blijft, stelt de Inspecteur een voordeel uit sparen en beleggen, te baseren op het door hem geschatte vermogen van, naar het Hof begrijpt, de aan belanghebbende toe te rekenen helft van voormelde € 3.000.000 is € 1.500.000. In dit kader beroept de Inspecteur zich op interne compensatie. Ook hier stelt de Inspecteur dat het aan belanghebbende is om het tegendeel aannemelijk te maken.

7.5. Bij de beoordeling van het geschil over de door de Inspecteur gestelde voordelen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen heeft, behoudens bijzondere omstandigheden, als bewijsregel te gelden dat op de Inspecteur de last rust feiten en/of omstandigheden aannemelijk te maken die het rechtsgevolg van belastbare voordelen kunnen dragen. Dit is anders ingeval de Inspecteur stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hem geen mogelijkheden ten dienste staan het van hem verlangde bewijs te leveren en belanghebbende de meest gerede partij is om bewijs bij te brengen. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur mogelijkheden ten dienste staan om bewijs bij te brengen van de door hem gestelde voordelen. Zo heeft de Inspecteur op grond van artikel 37 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk de mogelijkheid zodanige inlichtingen in te winnen als nodig zijn om uitvoering te geven aan de wetgeving van Nederland.

Voorts kunnen de bevoegde autoriteiten van de landen voor bijzondere gevallen overeenkomen dat ambtenaren van de belastingdienst van een van de landen op het grondgebied van het andere land aanwezig mogen zijn bij een door het aangezochte land in te stellen onderzoek. Voorts heeft de Inspecteur op grond van artikel 29 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en België de mogelijkheid inlichtingen in te (doen) winnen en nader onderzoek te verzoeken. De Inspecteur, zo heeft hij desgevraagd ter zitting nog bevestigd, heeft geen van deze mogelijkheden benut. Gelet hierop brengt een redelijke bewijslastverdeling met zich mee dat op de Inspecteur de last rust zijn correctie op het inkomen uit aanmerkelijk belang en op het inkomen uit sparen en beleggen aannemelijk te maken. De Inspecteur is niet in zijn bewijslast geslaagd. Daartoe overweegt het Hof nog als volgt.

7.6. Anders dan de Inspecteur meent, is het zonder nader bewijs niet aannemelijk dat het enkele feit van het door [B] aan [A] in het jaar 2006 uitgekeerde dividend met zich meebrengt dat dit dividend geheel of gedeeltelijk aan de echtgenoot van belanghebbende is uitgekeerd en/of aan hem ten goede is gekomen. De Inspecteur heeft dit nadere bewijs niet bijgebracht. Integendeel zou op grond van de onder 3.2.1. tot en met 3.2.3 van de vaststaande feiten genoemde brieven, in onderlinge samenhang bezien, kunnen worden verondersteld dat het in het jaar 2006 door [B] aan [A] uitgekeerde dividend door [A] (mede) is aangewend om de voor haar rekening en risico gekomen lasten uit de termijntransacties op naam van [E] rechtstreeks aan hem te vergoeden.

7.7. Bij nader stuk voert de Inspecteur nog aan dat belanghebbende en haar echtgenoot in 2011 een huis in België hebben gekocht dat, blijkens een aanvraag voor een bouwvergunning, vervolgens wordt verbouwd. Zonder in België onderzoek te doen uitvoeren naar de verkrijging en de koopprijs van de woning, naar de aanneemsom van de verbouwing en naar een eventuele woningschuld, schat de Inspecteur de door belanghebbende en haar echtgenoot aan de koop en verbouwing bestede geldmiddelen op € 2.000.000. Daarbij neemt de Inspecteur ook nog aan dat belanghebbende en haar echtgenoot niet alle hen ter beschikking staande geldmiddelen zullen hebben aangewend voor de koop en de verbouwing en telt op basis van deze veronderstelling nog eens een bedrag groot € 1.000.000 bij voormeld bedrag en komt aldus op een verondersteld aanwezig vermogen van in totaal € 3.000.000. Zelfs als het Hof uitgaat van de juistheid van de aankoop van een huis en een verbouwing in het jaar 2011, brengt dit zonder nader bewijs, dat ontbreekt, nog niet met zich mee dat en in hoeverre belanghebbende en/of haar echtgenoot een en ander uit eigen middelen hebben gefinancierd. Hieruit en uit het tijdsverloop tussen het jaar 2007 en 2011 volgt voorts dat de aankoop van het huis en de verbouwing niet dwingend tot de conclusie leiden dat in 2007 het door de Inspecteur gestelde dividend aan de echtgenoot van belanghebbende is uitgekeerd. Uit vorenstaande volgt voorts dat de Inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast ten aanzien van de door hem bij nader stuk gestelde correctie van het inkomen uit sparen en beleggen.

7.8. Aangezien de Inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat belanghebbende dan wel haar echtgenoot voordelen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen hebben genoten, behoeven de vragen naar het fiscaal partnerschap geen beantwoording meer.

7.9. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is en beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.416 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 472 x 1,5 (gewicht van de zaak)).Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 454.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten van € 1.416;

  • -

    gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 454.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 23 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.