Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1067

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
12-07-2013
Zaaknummer
200.071.902-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incasso automatiseringsdienstverlening advocatenkantoor schadevergoeding wegens gestelde wanprestatie/o.d. automatiseerder afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.071.902/01

Zaaknummer rechtbank : 244421 / HAZA 05-2314

arrest van 23 april 2013

inzake

[appellant],

wonende te Rotterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.N.R. [appellant] te Rotterdam,

tegen

Applicationplaza B.V., mede h.o.d.n. knowledgeplaza Applications,

gevestigd te Hoogeveen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Knowledge,

advocaat: mr. J.M. Pol te Assen.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 31 augustus 2010 verwijst het hof naar dit arrest. Van de comparitie van partijen na aanbrengen van 10 november 2010, gelast bij genoemd tussenarrest, is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] negen grieven aangevoerd (genummerd 1 tot en met 8 en 10). Bij memorie van antwoord heeft Knowledge de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

De door de rechtbank in de vonnissen van 13 februari 2008 en 28 april 2010 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2.

Het gaat in deze zaak – samengevat – om het volgende.

2.1.

In december 2002 is door een stroomstoring in Rotterdam het computersysteem van [appellant]’s kantoor uitgevallen (hierna ook: de eerste crash). Een neef van [appellant], [X], was destijds werkzaam bij Knowledge. In de noodsituatie ontstaan door de stroomuitval, heeft [appellant] zijn neef te hulp geroepen. Vervolgens heeft [appellant] Knowledge mondeling opdracht gegeven werkzaamheden te verrichten aan dit computersysteem en is er door [appellant] apparatuur besteld bij Knowledge.

2.2.

Voor deze werkzaamheden en leveringen is [appellant] door Knowledge gefactureerd. Daarbij is een bedrag van € 8.270,02 verrekend voor door [appellant] ten behoeve van Knowledge verrichte juridische diensten. [appellant] heeft deze facturen deels onbetaald gelaten. Tijdens een bespreking tussen partijen in maart 2004 is overeengekomen dat [appellant] nog € 25.000,- aan openstaande facturen aan Knowledge diende te voldoen.

2.3.

Op 16 juni 2004 is het computersysteem van [appellant] opnieuw gecrasht (hierna ook: de tweede crash). Na goedkeuring van een desverzocht door Knowledge gemaakte offerte voor herstelwerkzaamheden, zijn die werkzaamheden vervolgens verricht door Knowledge. Daarbij is onder meer door Knowledge een leenserver geplaatst bij [appellant] ter vervanging van de verouderde server van [appellant].

3.1.

Knowledge vordert in deze procedure in eerste aanleg in conventie betaling door [appellant] van onbetaald gelaten facturen van in hoofdsom (na verrekening) € 15.423,97, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten tot € 16.750,22, met rente over de hoofdsom en kosten rechtens.

3.2.

[appellant] voert aan dat hij schade heeft geleden door eenzijdige beëindiging door Knowledge van haar back-up systeem en het niet nakomen van afspraken en inspanningen om te voorkomen dat de server opnieuw (na de eerste crash) zou crashen door het plaatsen van een leenserver. In reconventie vordert [appellant] op grond daarvan van Knowledge een voorschot van € 15.000,- op te betalen schadevergoeding, betaling van € 8.270,02 (vermeerderd met wettelijke rente) wegens verrichte juridische diensten – bij afwijzing mee te nemen in de verwijzing naar de schadestaatprocedure – een verklaring voor recht dat Knowledge onrechtmatig heeft gehandeld danwel wanprestatie heeft gepleegd jegens [appellant], verwijzing naar de schadestaatprocedure ter berekening en afdoening van door [appellant] geleden schade, het gelasten van een getuigenverhoor en akteverlening van het gedane bewijsaanbod, kosten rechtens.

3.3.

Bij tussenvonnis is [appellant] toegelaten te bewijzen dat a) Knowledge het computersysteem van [appellant] op zodanige wijze zou onderhouden dat – in ieder geval – een crash ervan zou worden voorkomen, b) Knowledge dagelijks een back-up van het computersysteem zou maken, en dat deze afspraken onverkort tussen partijen golden tot 16 juni 2004. Na bewijslevering heeft de rechtbank [appellant] niet geslaagd geacht in het hem opgedragen bewijs. De vorderingen in conventie zijn toegewezen en in reconventie afgewezen.

4.1.

[appellant] komt met negen grieven op tegen het gewezen tussenvonnis en eindvonnis (genummerd 1 tot en met 8 en 10, zodat nummer 9 ontbreekt; het hof hanteert [appellant]’s nummering1). Grief 1 richt zich tegen rechtsoverwegingen 7.1. tot en met 7.7. van het tussenvonnis, waarin de rechtbank de overeenkomst van partijen kwalificeert en overweegt dat [appellant] in beginsel is gehouden de niet betaalde facturen te voldoen wegens in opdracht door Knowledge verrichte werkzaamheden en door deze geleverde apparatuur. Grieven 2, 7 en het eerste deel van grief 8 zien op de (verwerping van de) eerste tekortkomingsstelling van [appellant] aan het adres van Knowledge inhoudende dat in de visie van [appellant] overeen was gekomen een zodanige onderhoudsverplichting van Nasrullahs computersysteem door Knowledge, dat in ieder geval een crash van het systeem zou worden voorkomen, de ter zake gegeven bewijsopdracht aan [appellant] en het oordeel dat hij niet geslaagd is in dat bewijs. Grieven 3, 7 en het tweede deel van grief 8 zien op de (verwerping van de) tweede tekortkomingsstelling van [appellant], namelijk dat Knowledge op eigen initiatief vanaf december 2003 geen back-ups meer heeft gemaakt van het computersysteem, de ter zake gegeven bewijsopdracht aan [appellant] en het oordeel dat hij niet in dat bewijs is geslaagd. Overigens lenen grieven 2, 3, 7, 8 zich voor gezamenlijke behandeling, nu ook de toelichting op de hoofdgrieven 2 en 3 de twee tekortkomingsstellingen niet scherp onderscheidt. Grief 4 regardeert rechtsoverwegingen 7.12.1 tot en met 7.12.4. van het tussenvonnis, waarin de rechtbank inhoudelijke beoordeling van de overige door [appellant] gestelde tekortkomingen in het midden laat, nu hier geen verzuim kan worden aangenomen omdat Knowledge ten onrechte niet in gebreke is gesteld door [appellant]. Grief 5 ziet op rechtsoverweging 7.17 van het tussenvonnis, waarin de onrechtmatige daadsgrondslag van Nasrullahs vordering sneuvelt op het niet voldoen aan zijn stelplicht. In grief 6 staan de rechtsoverwegingen 7.18.1. tot en met 7.18.5. van het tussenvonnis centraal, waarin de vordering van [appellant] tot betaling van € 8.270,02 wegens verrichte dienstverlening wordt verworpen. Grief 10, ten slotte, mist zelfstandige betekenis en ziet op de veroordelingen aan het adres van [appellant] in het eindvonnis – kort gezegd – tot betaling van de achterstallige facturen met rente en proceskosten in conventie en reconventie.

4.2.

De centrale stelling van [appellant] in hoger beroep is dat zijn vorderingen in reconventie gebaseerd zijn op twee stellingen, a) dat er een back-up systeem zou worden bijgehouden door Knowledge en b) dat deze een leenserver zou plaatsen. Het onder a) bedoelde aspect ziet op de kwestie die in grieven 3, 7 en 8, tweede gedeelte wordt aangeroerd (tweede tekortkomingsstelling van [appellant]: geen back-ups), maar laat zich overigens slecht onderscheiden van de materie van grieven 2, 7 en 8, eerste gedeelte (eerste tekortkomingsstelling van [appellant]: geen onderhoud). Kwestie b) staat daar los van. Bij grieven onder 17 voert [appellant] aan dat de grondslagen a) en b) door de rechtbank niet op waarde zijn geschat en verzoekt hij het hof deze grondslagen in hoger beroep ten volle opnieuw te beoordelen. Dit laatste aspect leent zich voor gemeenschappelijke behandeling met grief 4, voor zover dat al niet wordt bestreken door de behandeling van de hoofdgrieven 2 en 3 met daaraan accessoir de grieven 7 en 8.

Omvang overeenkomst in geschil

5.1.

De contractuele relatie tussen partijen is begonnen na de eerste crash van het computersysteem van [appellant] ten gevolge van een stroomstoring in Rotterdam in december 2002. [appellant] heeft toen de hulp van zijn neef [X] ingeroepen, die bij Knowledge als technisch directeur werkzaam was. Het betrof op dat moment herstelwerkzaamheden. Vanwege de familierelatie heeft dat niet geleid tot een schriftelijk contract. Geconstateerd werd dat [appellant] met een verouderd hard- en softwaresysteem werkte en dat met name de server aan vervanging toe was. Daar is [appellant] ook op gewezen. Knowledge heeft het systeem weer aan de praat gekregen en voor de betreffende werkzaamheden gefactureerd. Knowledge erkent dat partijen vervolgens mondeling zijn overeengekomen dat Knowledge het beheer van het systeem van [appellant] zou gaan voeren tegen een uurtarief van € 100,-, waarbij uitsluitend verbeteringsvoorstellen mochten worden uitgevoerd na akkoordbevinding door [appellant]. Hoewel Knowledge heeft geprobeerd tot een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst te komen, is dat door [appellant] niet aanvaard. Vervolgens heeft [appellant] bij brief van 16 juli 2003 de offerte van Knowledge van 8 juli 2003 tot vervanging en aanpassing van de volledige netwerkinfrastructuur van [appellant] aanvaard.

5.2.

Volgens Knowledge is de geoffreerde apparatuur aan [appellant] geleverd en geïnstalleerd eind oktober, begin november 2003. Toen het netwerk goed functioneerde, heeft [appellant] volgens Knowledge aan haar te kennen gegeven dat Knowledge niet langer het beheer over het systeem diende te voeren, maar dat [appellant] Knowledge alleen in geval van incidenten zou inschakelen. Dan zou Knowledge tevoren een offerte moeten uitbrengen, die eerst door [appellant] moest worden gefiatteerd. Volgens Knowledge heeft zij bij herhaling gewaarschuwd dat deze werkwijze bijzonder risicovol was, omdat beheer van een netwerk als bij [appellant] – zeker met een sterk verouderde server – noodzakelijk was. Ook is deze werkwijze volgens Knowledge te omslachtig om bij calamiteiten slagvaardig te kunnen optreden. Vandaar dat er tussen partijen in maart 2004 hierover is gesproken en nadere afspraken zijn gemaakt over het inlopen van betalingsachterstand op de facturen en de toekomstige dienstverlening door Knowledge. Van het toen openstaande bedrag aan facturen (inclusief het bedrag voor aanpassing van de volledige netwerkinfrastructuur) van
€ 33.270,02 is een verrekening overeengekomen met € 8.270,02 voor door [appellant] voor Knowledge verrichte diensten, zodat door [appellant] te betalen over bleef € 25.000,-. Ook is afgesproken dat Knowledge haar dienstverlening zou voortzetten, maar dat deze schriftelijk zou worden vastgelegd. Daartoe heeft Knowledge twee offertes uitgebracht, een dienstverleningsofferte en een apparatuurofferte voor de vervanging van de server. Deze zijn nooit door [appellant] aanvaard, hoewel Knowledge hem minstens tien maal daartoe heeft trachten te bewegen.

5.3.

[appellant] bestrijdt dat de overeengekomen werkzaamheden zijn uitgevoerd en de geoffreerde apparatuur is geleverd en stelt verder dat zou zijn overeengekomen dat Knowledge blijvend onderhoud zou plegen aan het systeem, blijvend back-ups zou maken en een leenserver zou installeren.

Gefactureerde werkzaamheden uitgevoerd en apparatuur geleverd?

5.4.

[appellant] stelt dat voor de omvang van hetgeen partijen zijn overeengekomen bepalend is wat is besproken op 1 maart 2004, zoals bevestigd door [appellant] bij brief van 3 maart 2004. Na verrekening resulteerde dat in een door [appellant] te betalen bedrag van € 25.000,-. [appellant] stelt in zijn toelichting op grief 1 dat de rechtbank evenwel geen acht heeft geslagen op zijn (in hoger beroep gehandhaafde) verweer dat Knowledge niet alles uit de offerte van 25 oktober 2003 en het addendum van 12 november 2003 heeft uitgevoerd en ondeugdelijke specificaties heeft verschaft voor de facturen.

5.5.

Dat verwerpt het hof. Ook in hoger beroep heeft [appellant] niet voldoende concreet onderbouwd welke overeengekomen werkzaamheden en leveringen door Knowledge niet zouden zijn nagekomen, zodat hij niet heeft voldaan aan de van hem in dit opzicht te vergen gemotiveerde betwisting (gelet op de concrete stellingen van Knowledge). In juli 2003 is [appellant] akkoord gegaan met de offerte van Knowledge van 8 juli 2003. Nadat er betalingsachterstand was ontstaan, hebben partijen onder meer daarover een bespreking gehad in maart 2004, acht maanden later. Zoals [appellant] ook erkent, is toen overeengekomen dat hij nog € 25.000,- aan Knowledge diende te voldoen. Deze overeenstemming zag op alle openstaande facturen van 2003, de offerte en het addendum. Als er nog iets niet zou zijn uitgevoerd of geleverd door Knowledge, zou dat in de bespreking van maart 2004 moeten zijn opgeworpen, maar dat is kennelijk niet gebeurd. Hoewel dat zeker in dit licht op zijn weg had gelegen concretiseert [appellant] ook thans niet, althans niet voldoende concreet onderbouwd wat er dan zou ontbreken en wat Knowledge zou hebben verzuimd te leveren. Daarbij heeft [appellant] niet aan zijn klachtplicht voldaan en voorts heeft hij Knowledge niet in gebreke gesteld (zodat wat dat betreft ook grief 4 faalt). Dit betekent dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de overeengekomen werkzaamheden wel zijn verricht en de apparatuur wel is geleverd en geïnstalleerd. Nu mede gelet op de geconcretiseerde stellingen van Knowledge [appellant] niet voldoende geconcretiseerd verweer heeft gevoerd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. In zoverre wordt Nasrullahs algemene (tegen)bewijsaanbod, reeds daarom, gepasseerd. Dat betekent dat grief 1 (en voor zover ziend op de hier bedoelde apparatuur en werkzaamheden: tevens grief 4) tevergeefs is voorgesteld.

Verplichting tot (regulier, periodiek) onderhoud overeengekomen?

5.6.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van overeengekomen regulier onderhoud, maar wel van het verhelpen van storingen op afroep. Daarvoor is gefactureerd en die facturen zijn niet steekhoudend inhoudelijk bestreden, behalve met de niet opgaande stelling dat sprake was van overeengekomen regulier, periodiek onderhoud van het systeem, waarin Knowledge toerekenbaar tekort zou zijn geschoten volgens [appellant]. Ter comparitie heeft [appellant] in eerste aanleg erkend dat hij destijds de keus had tussen een (regulier, periodiek) onderhoudscontract of het verrichten van werkzaamheden door Knowledge op uurbasis, terwijl gekozen is voor het laatste. Daarbij begrijpt het hof dat [appellant] zelf beheer van de automatisering (onderhoud) ziet als mede omvattend het maken van back-ups (vgl. MvG 81). Dat nadien mondeling zou zijn overeengekomen dat Knowledge (regulier, periodiek) onderhoud zou gaan verrichten en zou zorgen voor een functionerend back-up systeem, is een stelling van [appellant] die hij gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Knowledge diende te bewijzen. Van onjuiste verdeling van de bewijslast is geen sprake, nu de rechtbank de hoofdregel van art. 150 Rv. heeft toegepast door [appellant] te belasten met het bewijs van zijn stelling dat (regulier, periodiek) onderhoud aan het systeem van [appellant] zou zijn overeengekomen. Dat Knowledge had moeten worden belast met het bewijs dat [appellant] in december 2003 Knowledge had opgedragen het maken van back-ups te beëindigen, zoals [appellant] aanvoert, verwerpt het hof. De centrale stelling van [appellant] in hoger beroep dat Knowledge tekort is geschoten door a) geen back-up systeem bij te houden en b) geen leenserver te plaatsen, veronderstelt dat sprake was van een periodieke onderhoudsverplichting voor Knowledge, terwijl dat procedureel door [appellant] moet worden bewezen. Waardering van het geleverde bewijs brengt het hof eveneens tot het oordeel dat daarvan geen sprake was, waarbij zij verwezen naar r.o. 2.9. van het eindvonnis, waarmee het hof zich verenigt. Hetgeen [appellant] daar bij grieven onder 98 t/m 114 (2e nr 114; 113 en 114 komen twee keer voor in de MvG) tegen inbrengt, leidt het hof niet tot een ander oordeel, mede gelet op hetgeen Knowledge daar naar aanleiding van de getuigenverklaringen gemotiveerd tegenover zet, zoals (ook) nog eens samengevat bij memorie van antwoord onder 46 t/m 65. In feite komt [appellant] met niet veel meer dan zijn eigen stelling dat “vanzelf sprak” dat overeengekomen was dat Knowledge het systeem van hem zou onderhouden. Dat heeft hij niet bewezen. Het algemene bewijsaanbod van [appellant] bij grieven voldoet niet aan de daaraan in hoger beroep in deze omstandigheden te stellen eisen, zodat dat wordt gepasseerd. Zodoende gaan de grieven 2, 7 en 8 in zoverre niet op.

Aansprakelijkheid voor niet maken back-ups?

5.7.

Bij de herstelwerkzaamheden na de eerste crash is Knowledge gebleken dat de verouderde back-up systematiek bij [appellant] slecht functioneerde. In opdracht van [appellant] is toen een geautomatiseerd back-up systeem door Knowledge ingeregeld. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat Knowledge [appellant] mondeling en schriftelijk heeft gewaarschuwd dat dit een tijdelijke oplossing was, maar dat naar een beter back-up systeem moest worden uitgekeken, waarbij gewezen is op het risico van een crash. Overleg tussen partijen daarover heeft niet tot een nadere opdracht geleid. [appellant] wenste dat Knowledge alleen nadere werkzaamheden zou verrichten indien hij daartoe tevoren opdracht had gegeven en een betreffende offerte van Knowledge had goedgekeurd. Naar het oordeel van het hof is [appellant] te onverschillig omgesprongen met een risicovolle (gebrekkige) structuur van het systeem, hoewel hij bij herhaling is gewaarschuwd dat het gelegde noodverband niet afdoende was op langere termijn. Het gaat dan niet aan om, wanneer vervolgens inderdaad blijkt dat waarvoor is gewaarschuwd zich verwezenlijkt in de vorm van een tweede crash, Knowledge te verwijten dat niet blijvend is voorzien in een functionerend back-up systeem – dat destijds was opgezet bij wijze van crisisherstel, terwijl anderzijds door [appellant] is gezegd dat er alleen na specifieke opdracht bij manifeste storingen door Knowledge diensten mochten worden verricht. Ook de centrale stelling in appel van [appellant] dat Knowledge tekort is geschoten door geen back-up systeem bij te houden, faalt in dit licht. De rechtbank heeft de positie van [appellant] zo kunnen duiden als zij heeft gedaan en hem terecht met het bewijs belast dat Knowledge gehouden was dagelijks een back-up van het systeem te maken en dat die afspraak doorliep tot het moment van de tweede crash. Ook het hof waardeert dit bewijs in dezelfde negatieve zin als de rechtbank, waarbij wordt verwezen naar r.o. 2.16 van het eindvonnis. Hetgeen [appellant] daar bij grieven onder 98 t/m 114 (2e ) tegen inbrengt, leidt het hof niet tot een ander oordeel, mede gelet op hetgeen Knowledge daar naar aanleiding van de getuigenverklaringen gemotiveerd tegenover zet, zoals nog eens weergegeven bij memorie van antwoord onder 46 t/m 65. Ook hier kan Nasrullahs algemene bewijsaanbod vanwege de daarin in een geval als dit in hoger beroep te stellen eisen geen wijziging brengen, zodat dit wordt gepasseerd. Daarop stranden in zoverre grieven 3, 7 en 8, tweede gedeelte.

5.8.

Meerbedoelde centrale stelling van [appellant] in hoger beroep maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Niet kan worden aangenomen dat Knowledge de verplichting had om na het storingsherstel buiten specifieke tevoren geaccordeerde opdracht om, blijvend te voorzien in een functionerend back-up systeem. De kwestie van de leenserver komt aan de orde bij de bespreking van grief 4.

Verzuim overige gestelde tekortkomingen?

5.9.

De rechtbank heeft eveneens op juiste gronden aangenomen dat geen sprake was van verzuim bij de overige door [appellant] gestelde tekortkomingen en gevorderde schadevergoeding in verband met de algemene uitvoering van de overeenkomst. Dit betreft volgens [appellant] een slecht functionerende helpdesk van Knowledge, door deze niet geleverde apparatuur en werkzaamheden hiervoor al behandeld bij de verwerping van grief 1, het op afstand stilleggen door Knowledge van een leenserver die na de tweede crash was geplaatst en het niet adviseren over apparatuur en software op het gebied van tijdsregistratie en dossierbeheer. In zijn toelichting op grief 4 stelt [appellant] dat hij na de tweede crash in juni 2004 [appellant] in gebreke heeft gesteld, maar dat is niet toereikend, aangezien de betreffende door [appellant] gestelde tekortkomingen dateren van voor de tweede crash, zoals Knowledge terecht aanvoert. Grief 4 faalt dan ook.

5.10.

Hetzelfde geldt voor de beweerdelijke verplichting al in een eerder stadium een leenserver te plaatsen. Veronderstellenderwijs wat dat laatste betreft aannemend dat Knowledge gehouden was deze te plaatsen, is niet komen vast te staan dat [appellant] Knowledge ter zake vóór het schadetoebrengende feit (de tweede crash) in gebreke heeft gesteld, zodat ook daaromtrent geen sprake is van verzuim.

5.11.

Voor zover wel zou moeten worden aangenomen dat sprake is van verzuim met betrekking tot het verrichte storingsherstel van Knowledge na de tweede crash, heeft te gelden dat [appellant] onvoldoende concreet heeft aangegeven waar de tekortkomingen in zouden hebben bestaan. Althans wordt daarbij verdisconteerd dat niet voldoende steekhoudend gemotiveerd is weersproken dat buiten medeweten van Knowledge om een derde eerst heeft gepoogd herstelwerkzaamheden uit te voeren, waardoor naar de stelling van Knowledge de zaak verder ten detrimente van [appellant] in het ongerede is geraakt. Bij die stand van zaken is door [appellant], gelet op dit onweersproken gebleven verweer van Knowledge, niet aan zijn stelplicht voldaan met betrekking tot de verweten tekortkomingen die zouden hebben plaatsgevonden na de tweede crash.

Onrechtmatig handelen Knowledge?

5.12.

Hoewel deze grief bij memorie van antwoord niet wordt bestreden door Knowledge, is grief 5 eveneens tevergeefs voorgesteld. (Ook) in hoger beroep heeft [appellant] niet aan zijn stelplicht voldaan ter zake van de opgeworpen onrechtmatige daadsgrondslag van zijn eis in reconventie. In zijn toelichting op grief 5 verwijst [appellant] naar de eerdere delen van zijn grieven en somt voorts enkel, zonder nadere toelichting, dezelfde omstandigheden op die blijkens hetgeen voorafgaat in zijn memorie hebben te gelden als onderbouwing van zijn stelling dat Knowledge, kort gezegd, wanprestatie heeft gepleegd. Zodoende ontbreekt ook in appel iedere uiteenzetting waarom dit zou kwalificeren als onrechtmatige daad.

Verrekening vordering wegens juridische dienstverlening

5.13.

Grief 6 moet stranden op gebrek aan rechtsgrond. [appellant] beroept zich op vernietigbaarheid van een kwijtschelding van een deel van zijn vordering uit hoofde van juridische dienstverlening aan Knowledge ten belope van € 8.270,02, die is verrekend met een opeisbare vordering van Knowledge op hem. Hij voert daartoe noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep een rechtsgrond aan die deze vernietiging zou kunnen dragen, terwijl het hof die evenmin vermag te zien. De stelling dat zijn “coulance” niet langer in stand behoort te worden gelaten gelet op de gestelde wanprestatie/onrechtmatige daad aan de zijde van Knowledge, is daartoe rechtens niet geëigend – nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld in deze procedure dat sprake is van zodanige wanprestatie/onrechtmatige daad zijdens Knowledge, zoals uit het voorgaande blijkt.

Slotsom

6.

Gelet op het vorenoverwogene, gaat geen van de grieven 1 tot en met 8 op. Grief 10 ontbeert, als gezegd, zelfstandige betekenis en deelt het lot van de overige grieven. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden verwezen in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2008 en 28 april 2010;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Knowledge begroot op € 505,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, S.J. Schaafsma en G.R.B. van Peursem en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.

1 Mogelijk is het tweede gedeelte van grief 8 bedoeld als (de niet als zodanig genummerde) grief 9 – het hof behandelt dit als het tweede deel van grief 8.