Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1064

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
200.069.145-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg huurovereenkomst opvang vreemdelingen Geen gebrek in de zin van art. 7: 204(2) BW Terugverwijzing naar kantonrechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.069.145/01

Rolnummer rechtbank : 921497/10-58

arrest van 23 april 2013

inzake

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA),

gevestigd te Rijswijk,

appellant,

hierna te noemen: COA,

advocaat: mr. A.R. de Jonge te ‘s-Gravenhage,

tegen

Veluwse Vastgoedcombinatie II B.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde,

hierna te noemen: VVC,

advocaat: mr. A.P.J. Blokland te Ede.

Het geding

Voor de procedure tot aan het tussenarrest van 23 oktober 2012 verwijst het hof naar dat tussenarrest. Op 22 januari 2012 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Aan het einde van de comparitie is de zaak naar de rol van 12 februari 2013 verwezen voor uitlating partijen royement. Bij brief van 11 februari 2013 heeft mr. De Jonge voornoemd bericht dat partijen geen schikking hebben bereikt en is namens COA verzocht arrest te wijzen. Ter rolle van 12 februari 2013 hebben beide partijen arrest verzocht. De rolrechter heeft bepaald dat arrest zal worden gewezen op kopie van het procesdossier dat voor de comparitie was gefourneerd (naar het hof verstaat: met inbegrip van het proces-verbaal van comparitie van partijen). Arrest is nader bepaald op heden.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

Het hof verwijst voor de feiten en de grieven naar het tussenarrest van 23 oktober 2012 en blijft bij en neemt over hetgeen daarin is overwogen.

2.

Grief 1 is gericht tegen rechtsoverweging 1.8 van het tussenvonnis, waarin de kantonrechter vaststelt dat COA met de Gemeente Westerveld is overeengekomen dat COA zou afzien van opvang van asielzoekers op ‘Groot Bartje’. Dat is volgens grief 1 met toelichting onjuist, omdat COA niet zou hebben toegezegd onder alle omstandigheden af te zien van opvang daar, maar alleen in beginsel. Wat daar verder van zij, de grief ontbeert zelfstandige betekenis en voor zover de klacht als opmaat voor grieven 2 en 3 moet worden gezien, faalt zij op de gronden hierna aangegeven bij de verwerping daarvan.

3.

Partijen verschillen op een aantal punten van mening over de juiste toedracht van de feiten. Het gaat in de eerste plaats om de vraag of tijdens de eerste bespreking op 26 maart 2008 door VVC meteen al is gesproken over ‘Groot Bartje’ in Westerveld, zoals VVC stelt, of, zoals COA meent, dat VVC aanvankelijk naast de locatie in Gulpen alleen over een locatie in Borger sprak en pas de dag erna onaangekondigd opeens met ‘Groot Bartje’ op de proppen kwam, waarbij VVC zou hebben aangegeven zich aanvankelijk in de Drentse locatie te hebben vergist. Het betreft in de tweede plaats de vraag of op 27 maart 2008 het concept-ATC-standaardcontract voor tijdelijke opvang van COA (hierna: het standaardcontract) globaal is besproken, zoals VVC meent, of integraal en artikelsgewijs, zoals COA stelt, en dus met inbegrip van de voorwaarde dat de verhuurder dient te zorgen voor de vereiste vergunningen en eventueel benodigde vrijstelling van het geldende bestemmingsplan. Ten slotte verschillen partijen over de vraag of er in ‘Groot Bartje’ voldoende restauratieve voorzieningen waren, of dat daar nog een investering van een half miljoen euro voor nodig zou zijn, zoals COA stelt, maar VVC betwist. De twee eerste geschilpunten komen aan de orde in grieven 2 en 3. Het derde punt kan in het midden blijven, omdat dit in de door de grieven ontsloten omvang van het hoger beroep geen rol speelt.

4.

In grieven 2 en 3 staat de vraag centraal of partijen zijn overeengekomen dat VVC verantwoordelijk was voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen en vrijstellingen (waaronder een vrijstelling van het bestemmingsplan) voor vreemdelingenopvang en/of zij overeenstemming hadden bereikt onder een opschortende voorwaarde met die inhoud, te vergelijken met artikel 7.3 van het standaardcontract.

5.

Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van de overeenkomst de maatstaf geldt uit het Haviltex-arrest (LNJ: AG4158). Bij de uitleg van de overeenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof onderschrijft de visie van de kantonrechter dat partijen niet zijn overeengekomen dat VVC verantwoordelijk was voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen en vrijstellingen voor vreemdelingenopvang en dat evenmin een dergelijke opschortende voorwaarde is overeengekomen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de getuigenverklaringen niet volgt dat partijen op 27 maart 2008 overeenstemming hebben bereikt over de toepasselijkheid tussen hen van artikel 7.3 van het standaardcontract. Het hof verwijst naar rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8 van het bestreden tussenvonnis en sluit zich daarbij aan. Het hof voegt hieraan toe dat een bevestigend antwoord van VVC op de algemene vraag van COA of VVC over ‘alle benodigde vergunningen’ beschikte, naar het oordeel van het hof onvoldoende is om te kunnen aannemen dat partijen overeenkwamen dat VVC contractueel verantwoordelijk werd voor specifieke vergunningen/vrijstellingen voor vreemdelingenopvang. Een dergelijke algemene vraag zal redelijkerwijs mogen worden opgevat als de vraag naar de voor een gebruikelijke exploitatie van een recreatiepark benodigde vergunningen, zoals VVC terecht aanvoert. COA had naar het oordeel van het hof specifieker bij VVC moeten informeren. Bij gebreke van een voldoende duidelijke afspraak ter zake kan COA, mede gelet op haar eigen expertise over opvang van vreemdelingen in Nederland, niet worden gevolgd in haar standpunt dat de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de vereiste publiekrechtelijke vrijstelling in dit geval integraal bij VVC is komen te liggen, zoals VVC eveneens terecht aanvoert. Het wordt geacht voor risico van COA te komen dat deze vrijstellingen al dan niet vanwege problemen in het verleden en de in rechtsoverweging 2 bedoelde (gekwalificeerde) toezegging er niet zijn gekomen. De stelling van COA bij grieven (onder meer in 3.6.) dat partijen dat niet zouden zijn overeengekomen, is in zoverre niet toereikend, het komt voor risico van COA. Dat één en ander wordt niet anders als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de locatie ‘Groot Bartje’ pas op 27 maart 2008 aan de orde zou zijn gekomen, zodat COA ook nadien pas in haar systeem kon verifiëren of aan die locatie wellicht bezwaren kleefden. Immers, op 27 maart 2008 is wel meteen mondelinge overeenstemming bereikt omtrent het gebruik van die locatie, zonder dat COA een voldoende duidelijk kenbaar voorbehoud heeft gemaakt, voor het geval uit bedoelde verificatie zou blijken dat deze locatie op bezwaren zou stuiten. Dat uit bespreking van het standaardcontract het tegendeel zou blijken, vindt naar het oordeel van het hof onvoldoende steun in de afgelegde getuigenverklaringen, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen in rechtsoverwegingen 3.5. en 3.7 van het tussenvonnis. Ook hetgeen COA verder ter onderbouwing van haar tweede en derde grief aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel – wat er verder zij van de door de kantonrechter gehanteerde overwegingen waar deze grieven op zien. In de omstandigheden van dit geval heeft VVC redelijkerwijs niet behoeven te begrijpen dat zij verantwoordelijk werd voor het verkrijgen van vrijstelling van het bestemmingsplan voor vreemdelingenopvang. Daarbij speelt mede een rol dat de besprekingen plaatsvonden onder extreme tijdsdruk, omdat de op te vangen vreemdelingen al in bussen onderweg waren in afwachting van nadere berichten van COA over hun tijdelijke opvanglocatie. Van COA had mogen worden verwacht dat zij juist in deze omstandigheden voldoende duidelijk zou hebben gemaakt dat zij de verantwoordelijkheid voor vrijstelling van het bestemmingsplan beoogde weg te contracteren. Grief 2 faalt dus en inzoverre grief 3 eveneens.

7.

Grief 3 ziet tevens op de vraag of het niet voorhanden komen van een vrijstelling van het bestemmingsplan moet worden aangemerkt als een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW. Naar het oordeel van het hof is dat niet zo, alleen al omdat de in rechtsoverweging 2 bedoelde toezegging van COA aan de Gemeente kwalificeert als een wèl aan de huurder toe te rekenen omstandigheid. Dat wordt niet anders als ervan wordt uitgegaan dat COA slechts in beginsel een toezegging heeft gedaan in de hiervoor in rechtsoverweging 2 bedoelde zin. Daarmee is aan het wettelijke vereiste dat het om een nièt aan de huurder toe te rekenen omstandigheid moet gaan, niet voldaan. Grief 3 faalt derhalve ook in zoverre.

8.

De tussenconclusie op grond van het vorenoverwogene is dat COA schadeplichtig is jegens VVC en niet andersom. Grief 4 bestrijdt dat COA definitief heeft toegezegd gemaakte omboekingskosten te zullen vergoeden. COA stelt dat zij in het kader van pogingen tot minnelijke afwikkeling van de mislukte kwestie ‘Groot Bartje’ ter voorkoming van een procedure bereid is geweest tot betaling van redelijkerwijs gemaakte omboekingskosten, zonder erkenning van aansprakelijkheid ter zake. Zij beschouwt dit als een aanbod, dat door VVC niet is aanvaard. Nu het vanwege de claim van VVC niet tot minnelijke afwikkeling is kunnen komen, aldus COA, is van erkenning van vergoeding van omboekingskosten geen sprake.

9.

De stelling dat COA slechts in het kader van een aanbod om de zaak minnelijk te regelen bereid was om de omboekingskosten te betalen, kan COA niet baten. VVC stelt dat het niet fair was om het risico dat 2.000 vluchtelingen in een gewoon recreatiepark moesten worden ondergebracht naar haar te verschuiven. Het hof begrijpt dat VVC zich erop beroept dat de redelijkheid en billijkheid volgens welke COA en VVC zich jegens elkaar hebben te gedragen meebrengt dat COA die kosten voor haar rekening neemt. Dat betoog slaagt. Vanwege de acute situatie rond de Chinese vreemdelingen moest er op stel en sprong noodopvang worden geregeld. Dat betekende onder meer dat ‘Groot Bartje’ ten belope van de overeengekomen 582 bedden moest worden ‘leeggeboekt’. De betreffende recreanten worden dan elders ondergebracht. De kosten daarvan behoren voor rekening van COA te komen. Voor het overige behoeft deze grief geen onderzoek. Het voorgaande zal door de kantonrechter na verwijzing in de beoordeling kunnen worden betrokken. Alsdan resteert tevens de vraag of VVC nog aanspraak kan doen gelden op de overeengekomen leegstandsvergoeding over de periode 2-9 april 2008.

10.

Ten overvloede overweegt het hof in dit verband, mede naar aanleiding van hetgeen tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep aan de orde is geweest (vgl. de laatste inhoudelijke alinea van het proces-verbaal van die comparitie op blad 3), dat in het vervolg van de procedure bij de kantonrechter bij de beoordeling van de omvang van de aan COA toe te rekenen schade – die nog niet aan de orde is geweest tot nu toe – onder meer het eigen schuld-verweer dat door COA is opgeworpen aan de orde dient te komen. Dat de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de vereiste vrijstelling niet bij haar lag, laat immers onverlet dat VVC er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat voor de opvang van een groot aantal Chinese vreemdelingen mogelijk toestemming nodig zou zijn van de Gemeente en dat het niet vanzelfsprekend was dat die toestemming er zou komen. Mede bezien in dat licht is VVC, naar zij zelf ook ter comparitie heeft aangegeven, (mogelijk te) voortvarend te werk gegaan met betrekking tot het (al dan niet zonder enig voorbehoud) contracteren met exploitant Interparcs B.V. (een overeenkomst die overigens door COA wordt betwist).

11.

Grief 5 is gericht tegen rechtsoverweging 3.15 van het tussenvonnis. De grief deelt het lot van grieven 2 en 3, nu naar het oordeel van het hof niet is overeengekomen dat VVC verantwoordelijk was voor het verkrijgen van vrijstelling en geen sprake is van een gebrek in de zin van art. 7:204 lid 2 BW.

12.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van COA als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en verwijst de zaak terug naar de rechter in eerste aanleg om met inachtneming van dit arrest verder recht te doen;

- veroordeelt COA in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak begroot op
€ 263,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskostenveroordelingen vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, E.M. Dousma-Valk en G.R.B. van Peursem en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.