Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:1046

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
200.015.137-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2008:1308, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandschade. Aansrpakelijkheid voor ondergeschikte, art. 6: 170 BW. Vermindering schadevergoedingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.015.137/02

Zaak-rolnummer rechtbank: 70916/HA ZA 07-2421

Arrest d.d. 9 april 2013

in de zaak van

AA TEL B.V.,

gevestigd te Dordrecht ,

principaal appellante,

incidenteel geïntimeerde

hierna te noemen: AA Tel

advocaat: mr. M.A.D. Bol te Rotterdam,

tegen

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

principaal geïntimeerde,

incidenteel appellante,

hierna te noemen: Nationale Nederlanden,
advocaat: mr. A.H.M. van Noort te Den Haag.

Het geding

In deze zaak heeft het hof een eerste tussenarrest d.d. 25 november 2008 gewezen waarbij een comparitie van partijen werd bevolen. Bij een tweede tussenarrest d.d. 26 juni 2012 heeft het hof de incidentele vordering van Nationale Nederlanden tot zekerheidstelling afgewezen en de zaak verwezen naar de rol voor memorie van antwoord aan de zijde van AA Tel in incidenteel appel.

AA Tel heeft in incidenteel appel een memorie van antwoord genomen. Nationale Nederlanden heeft een akte houdende rectificatie genomen.

Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

in principaal en incidenteel appel:

1.

In deze zaak kan – in hoofdlijnen -van de volgende feiten worden uitgegaan.
Voor een meer gedetailleerde weergave van de feiten verwijst het hof naar het vonnis d.d. 28 mei 2008.
a. Op 2 april 2004 te omstreeks 12.30 uur heeft brand gewoed in een gebouw (bestaande uit vier aan elkaar geschakelde portacabins) van de stichting Horizon (hierna: Horizon) aan de Raadhuisstraat 22 te Alphen aan den Rijn. In dit gebouw was de technische dienst (hierna: TD) van Horizon ondergebracht.
b. Ongeveer een half uur eerder, omstreeks 12.00 uur, had [betrokkene 1], een gedetacheerde medewerker van AA Tel (hierna: [betrokkene 1]), in dat gebouw werkzaamheden verricht. [betrokkene 1] was bij Horizon werkzaam in verband met de vernieuwing van de telefooninstallatie aldaar en had in genoemd gebouw tussen 11.50 uur en 12.10 uur een gegalvaniseerde kabelgoot met een slijptol ingekort. De slijptol had [betrokkene 1] tijdelijk in gebruik gekregen van een van de medewerkers van de TD van Horizon, [betrokkene 2], die toen in het kantoortje in het gebouw van de TD aan het vergaderen was samen met zijn collega […].

c. Nationale Nederlanden heeft als opstalverzekeraar van Horizon ter zake van

deze brand op 6 september 2004 een bedrag van € 109.700,40 aan Horizon uitgekeerd en is als zodanig gesubrogeerd in de rechten van Horizon jegens AA Tel op schadevergoeding.

2.

Nationale Nederlanden heeft gevorderd AA Tel te veroordelen tot betaling van

a. € 109.700,40 wegens schadevergoeding,

b. € 4.379,20 wegens expertisekosten, en

c. € 2.843,- wegens buitengerechtelijke incassokosten.

3.

Bij vonnis van 28 mei 2008 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

a. De brand is ontstaan door een fout van [betrokkene 1]. Omdat [betrokkene 1] een ondergeschikte is van AA Tel is AA Tel op grond van artikel 6:170 BW jegens Horizon aansprakelijk.

b. De schadevergoedingsplicht van AA Tel jegens Horizon dient met 30% te worden verminderd, nu de aan Horizon toe te rekenen omstandigheden voor 30% tot de schade hebben bijgedragen.

c. Van de gevorderde schadebedragen ad € 109.700,- en € 4.379,20, totaal belopend € 114.079,60, is dus 70% toewijsbaar, zijnde € 79.855,72.

d. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.843,- zijn niet toewijsbaar.

4.

De principale grief I van AA Tel strekt tot aanvulling van de door de rechtbank vastgestelde feiten. AA Tel stelt dat de portacabins een tijdelijke huisvesting van de TD van Horizon vormden waar de faciliteiten ontbraken om als werkplaats te dienen voor slijpwerkzaamheden. [betrokkene 1] is daar met de slijptol gaan slijpen op uitdrukkelijke aanwijzing van [betrokkene 2], terwijl er brandgevaarlijke stoffen (verf) waren opgeslagen. De medewerkers van de TD van Horizon wisten dat de prullenbak waarin de brand zou zijn ontstaan, van kunststof was.

Nationale Nederlanden heeft deze stellingen van AA Tel niet weersproken, zodat het hof deze feiten tevens in aanmerking zal nemen.

5.

De principale grief II van AA Tel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de geraadpleegde experts stellig zijn in hun conclusie dat de brand is veroorzaakt door de slijpwerkzaamheden van [betrokkene 1] en dat de brand is ontstaan vanuit de kunststof prullenbak. Volgens AA Tel is de conclusie van de experts niet stellig en kan niet worden geconcludeerd dat [betrokkene 1] de brandresten in de prullenbak niet goed heeft uitgetrapt en dat daarom de brand vanuit de prullenbak is ontstaan.

6.

Het hof oordeelt als volgt.

In rechtsoverweging 2.4. en 2.5. van het vonnis heeft de rechtbank citaten opgenomen van onderdelen uit het dossier dat door Nationale Nederlanden ter zake van de onderhavige brand is gevormd. Deze onderdelen zijn in eerste aanleg overgelegd als productie 1 bij inleidende dagvaarding en als productie 2 bij akte na comparitie. De expert [naam expert] heeft in zijn Notitie Onderzoek Brand d.d. 9 april 2004 onder punt 5, sub 1 vermeld: “Uit het gesprek dat ik had met dhr. […], bleek mij dat er uit hun onderzoekje niets was gebleken van een misdrijf. [betrokkene 1] had aan hem verklaard dat hij tijdens het slijpen een beginnend brandje had gehad in de kunststof prullenbak. Dit had (hij: toev. Hof) uitgetrapt en kort hierna was (hij: toev. Hof) weggegaan.” [de expert] vermeldt in zijn notitie onder punt 17 (resumé) dat de brand is ontstaan “door slijpwerkzaamheden door een niet particuliere derde” en licht dat nader toe. [de expert] sluit zijn resumé af met de zin: “Korte tijd later was er brand in de kunststof prullen bak waarin de niet particuliere derde rook had gezien.” De technisch sporenonderzoeker [naam onderzoeker] heeft in zijn rapport d.d. 19 april 2004 vermeld: “Van expert [naam expert] begreep ik, dat voor de brand op korte afstand van de brandhaard slijpwerkzaamheden waren uitgevoerd. Zijn vraag of de brand door deze werkzaamheden kan zijn ontstaan heb ik bevestigend beantwoord. Van een mogelijk andere oorzaak was mij niet gebleken.” [de technisch sporenonderzoeker] concludeert in zijn rapport: “Gelet op het vorenstaande, mede gelet op het ontbreken van een mogelijke andere oorzaak, maakt het zeer waarschijnlijk, dat de brand door één of meer vrijgekomen slijpvonken was ontstaan.”. Deze verklaringen bieden voldoende grond voor de conclusie dat de brand is ontstaan vanuit de prullenbak omdat zich daarin nasmeulende brandresten bevonden die [betrokkene 1] niet voldoende had uitgetrapt nadat hij tijdens zijn slijpwerkzaamheden had gezien dat er rook uit de prullenbak kwam. Daaraan doet niet af dat medewerkers van Horizon niets vreemds hebben gezien toen zij de deur van de werkruimte afsloten ongeveer 5 minuten nadat [betrokkene 1] met zijn afgeslepen kabelgoot was vertrokken. Nasmeulende brandresten in de prullenbak kunnen immers ook zeer wel na het verstrijken van die 5 minuten tot brand leiden. Bovendien neemt de rechtbank terecht in aanmerking dat mogelijke andere oorzaken niet zijn gesteld of gebleken. Het enkele feit dat zich in de betrokken portocabins “rommel” bevond, waaronder blikken en bussen verf, wijst niet op een mogelijke andere oorzaak. Niet gesteld of gebleken is immers dat het hier “rommel” betrof dat uit zichzelf kan gaan branden.

Het hof volgt daarom het oordeel van de rechtbank. De principale grieven I en II kunnen niet leiden tot vernietiging van het beroepen vonnis.

7.

De principale grief III van AA Tel en de incidentele grief 1 van Nationale Nederlanden zijn gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde verdeling van het schadebedrag.

AA Tel stelt dat niet 70% van het schadebedrag, zoals de rechtbank oordeelt, maar slechts 10% van het schadebedrag voor haar rekening dient te komen, althans hoogstens 50%. AA Tel wijst op een aantal omstandigheden die volgens haar ertoe moet leiden dat Horizon in grotere mate medeschuldig is aan het ontstaan van de brand dan de rechtbank aanneemt. Deze omstandigheden zijn de volgende: [betrokkene 1] ging op uitdrukkelijke aanwijzing van twee ervaren technische medewerkers van Horizon slijpen in een ruimte die in het geheel niet geschikt was om deze brandgevaarlijke werkzaamheden uit te voeren; die medewerkers wisten dat aldaar geen brandmelder was noch brandblusvoorzieningen waren en dat zich aldaar een kunststof prullenbak (met daarin (afdroog) papier) en ander brandbaar materiaal (verf) bevonden.
Deze medewerkers wisten ook dat [betrokkene 1] telefooninstallateur was en slijpwerkzaamheden voor hem niet alledaags waren. Bovendien constateerden deze medewerkers een walm en vreemde lucht toen zij het gebouw verlieten, maar zij verzuimden desondanks de ruimte deugdelijk te inspecteren.
Nationale Nederlanden daarentegen stelt in haar toelichting op de incidentele grief 1 dat de rechtbank het schadebedrag ten onrechte met 30% heeft verminderd. Volgens haar dient de schade voor 100% door AA Tel te worden vergoed.

8.

Het hof oordeelt als volgt.
Uitgangspunt is dat de aansprakelijkheid van AA Tel berust op onrechtmatig handelen en nalaten van [betrokkene 1]. Aangenomen moet immers worden dat [betrokkene 1] met de slijptol is gaan slijpen zonder zich voldoende ervan te vergewissen dat zich geen brandbare materialen in de vonkenregen bevonden die ontstaat door het slijpen. Toen vervolgens rook uit de prullenbak kwam heeft [betrokkene 1] weliswaar het smeulende of brandende papier in de prullenbak uitgetrapt, maar heeft hij zich onvoldoende ervan vergewist dat de brandhaard ook helemaal gedoofd was. Ook toen [betrokkene 1] met slijpen klaar was, heeft hij zich daarvan onvoldoende vergewist voordat hij de ruimte verliet. Gezien de aard van de schade (brandschade) moet deze schade daarom als een gevolg van deze gebeurtenis aan [betrokkene 1] en dus aan AA Tel worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:98 BW.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de medewerkers van Horizon onvoldoende hebben bewaakt dat geen brand zou ontstaan als gevolg van de slijpwerkzaamheden van [betrokkene 1] en dat deze - aan Horizon toe te rekenen – omstandigheid mede tot de schade heeft bijgedragen. Deze medewerkers waren bij uitstek bekend met de locatie waarin [betrokkene 1] op aanwijzing van [betrokkene 2] de slijpwerkzaamheden ging uitvoeren, en dat had voor hen reden moeten zijn voor bijzondere oplettendheid ten einde brand te voorkomen, met name ook gelet op de door AA Tel genoemde omstandigheden die het hof hierboven onder rov. 7 heeft vermeld. Daarom is er grond de vergoedingsplicht van AA Tel te verminderen. De incidentele grief 1 van Nationale Nederlanden faalt dus.
De mate van vermindering heeft de rechtbank gesteld op 30%. Het hof volgt dit oordeel. De door AA Tel genoemde omstandigheden bieden geen grond tot een verdergaande vermindering omdat deze omstandigheden juist de reden vormen voor de waakzaamheid waarin de rechtbank terecht aanleiding heeft gevonden de vergoedingsplicht te verminderen met 30%. Een vermindering tot 50% of zelfs tot 10% van de vergoedingsplicht is ook daarom niet op zijn plaats omdat [betrokkene 1] wist dat zijn slijpwerkzaamheden tot een brandend of smeulend vuur in de prullenbak had geleid (vandaar de rook) en hij heeft nagelaten dit te melden aan de betrokken medewerkers toen hij met slijpen klaar was. Aan dit onverantwoord handelen en nalaten van [betrokkene 1] komt daarom een groter gewicht toe dan aan de nalatigheid van de medewerkers van Horizon voldoende waakzaam te zijn.

De principale grief III faalt dus ook.

9.

De incidentele grief 2 van Nationale Nederlanden is gericht tegen de afwijzing van de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

De rechtbank heeft de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat Nationale Nederlanden heeft “nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden”. Ook in hoger beroep blijft Nationale Nederlanden in gebreke met het geven van deze omschrijving, zodat de grief faalt.

10.

De incidentele grief 3 van Nationale Nederlanden faalt ook. De rechtbank heeft de kosten terecht gecompenseerd, nu partijen ieder voor een deel in het ongelijk zijn gesteld.

11.

Nu alle grieven falen dient het beroepen vonnis van 28 mei 2008 te worden bekrachtigd, zowel in principaal appel als in incidenteel appel. Nationale Nederlanden heeft in incidenteel appel ook vernietiging van het vonnis van 26 september 2007 gevorderd, doch heeft tegen dit vonnis geen grieven aangevoerd, zodat Nationale Nederlanden niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen dit vonnis.

12.

Als de telkens in het ongelijk gestelde partij dient AA Tel te worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel en dient Nationale Nederlanden te worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel. De akte houdende rectificatie in incidenteel appel laat het hof voor rekening van Nationale Nederlanden.


Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

verklaart Nationale Nederlanden niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het tussenvonnis van 26 september 2007;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Dordrecht d.d. 28 mei 2008, waarvan beroep;

veroordeelt AA Tel in de kosten van het principale appel, welke kosten, voor zover aan de zijde van Nationale Nederlanden gevallen, tot op heden worden begroot op

€ 3.420,- wegens griffierecht en op € 1.631,- wegens salaris van de advocaat (1 punt Tarief IV);

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Nationale Nederlanden in de kosten van het incidentele appel, welke kosten voor zover aan de zijde van AA Tel gevallen, tot op heden worden begroot op € 1.316,- wegens salaris van de advocaat (0,5 punt Tarief V).

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, Th.L.J. Bod en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.