Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0592

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
200.098.779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige voogdij, toestemming om minderjarigen naar Spanje te laten uitreizen; verzoek om terugplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummers gerechtshof: 200.098.779, 200.105.280 en 200.105.281

(zaaknummers rechtbank: 314725 (2 november 2011) en 317658 (16 januari 2012)

beschikking van de familiekamer van 20 december 2012

In de zaken met zaaknummers 200.098.779 en 200.105.280

[verzoekster],

voorheen gedetineerd te Den Haag, thans woonachtig in Spanje,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. V.J.M. Janszen te Haarlem,

en

Stichting Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen,

gevestigd te Deventer,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

voorheen gedetineerd te Zeist, thans woonachtig in Spanje,

verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. T. Farber te Hoofddorp.

In de zaak met zaaknummer 200.105.281

[verzoeker],

voorheen gedetineerd te Zeist, thans woonachtig in Spanje,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. T. Farber te Hoofddorp,

en

Stichting Nidos Jeugdbescherming voor vluchtelingen,

gevestigd te Deventer,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

voorheen gedetineerd te Den Haag, thans woonachtig in Spanje,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. V.J.M. Janszen te Haarlem.

In de zaak met zaaknummer 200.098.779

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 31 oktober 2011, heeft de stichting verzocht toestemming te geven om na te noemen [minderjarige] te laten uitreizen naar Spanje.

1.2 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 2 november 2011, uitgesproken onder zaaknummer 314725, heeft de rechtbank aan de stichting toestemming verleend om [minderjarige] onder begeleiding van de Dienst voor terugkeer en vertrek naar Spanje te laten uitreizen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 december 2011, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te gelasten na te noemen [minderjarige] terug te plaatsen in Nederland, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 februari 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaken met zaaknummers 200.105.280 en 200.105.281

3. Het geding in eerste aanleg

3.1 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 30 december 2011, heeft de stichting verzocht toestemming te geven om na te noemen [minderjarige 2] te laten uitreizen naar Spanje.

3.2 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 januari 2012, uitgesproken onder zaaknummer 317658, heeft de rechtbank de stichting toestemming verleend om [minderjarige 2] onder begeleiding van de Dienst terugkeer en vertrek te laten uitreizen naar Spanje.

In de zaak met zaaknummer 200.105.280

4. Het geding in hoger beroep

4.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 april 2012, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te gelasten na te noemen [minderjarige 2] bij haar terug te plaatsen dan wel bij de bij de ouders dan wel een beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

4.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer 200.105.281

5. Het geding in hoger beroep

5.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 april 2012, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te gelasten [minderjarige 2] terug te plaatsen in Nederland, kosten rechtens.

5.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De stichting verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6. Het verdere verloop in alle zaken in hoger beroep

6.1 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 21 mei 2012 een brief van de stichting van 16 mei 2012 met bijlagen;

- op 19 oktober 2012 een brief van mr. Janszen van die datum met bijlage.

6.2 De mondelinge behandeling heeft op 26 oktober 2012 plaatsgevonden. Namens de moeder en de vader zijn hun advocaten verschenen. Namens de stichting zijn verschenen L. Ramdas (jeugdbeschermer), en A.H. KeivanRad (regiomanager). Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is F.A. Leeflang verschenen.

6.3 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

6.4 Het hof constateert dat voormelde brief van mr. Janszen van19 oktober 2012 met bijlage te laat is ingekomen ter griffie. Desgevraagd hebben mr. Farber en de vertegenwoordigers van de stichting ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van die brief met bijlage, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die brief met bijlage zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brief met bijlage.

7. De vaststaande feiten

In alle zaken

7.1 De vader en de moeder zijn de juridische ouders van:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009, en

- [minderjarie 2] (ook wel bekend onder de naam [minderjarige 2] Angel), verder te noemen “[minderjarige 2]”, geboren op [geboortedatum] 2011, gezamenlijk ook wel verder te noemen “de kinderen”.

7.2 Op 3 september 2011 zijn de ouders bij aankomst op de luchthaven Schiphol aangehouden op verdenking van de invoer van verdovende middelen en mishandeling van [minderjarige]. De ouders zijn van 3 september 2011 tot 30 april 2012 in Nederland gedetineerd geweest. Op 30 april 2012 zijn zij teruggereisd naar Spanje.

7.3 Bij beschikking van 16 september 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank

Haarlem de beschikking van de kinderrechter van 5 september 2011, waarbij de stichting voor de duur van zes maanden is belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige], bekrachtigd.

7.4 [minderjarige] verbleef tot zijn uitreis naar Spanje op 3 november 2011 in een crisispleeggezin.

7.5 Bij beschikking van 13 december 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank

’s-Gravenhage de stichting belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 2], vastgesteld dat alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [minderjarige 2] aan Bureau Jeugdzorg worden toegekend en bepaald dat [minderjarige 2], zolang de moeder in Nederland is gedetineerd, in elk geval tot 4 januari 2012 bij de moeder in de penitentiaire inrichting zal verblijven.

7.6 [minderjarige 2] verbleef tot 5 december 2011 bij de moeder en is, toen de stichting is belast met de tijdelijke voogdij, in een pleeggezin geplaatst. Op 14 december 2011 is [minderjarige 2] met de moeder herenigd. Op 19 januari 2012 is [minderjarige 2] naar Spanje gereisd.

8. De motivering van de beslissing

In alle zaken

8.1 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Janszen aangevoerd dat sprake is van undue delay en dat reeds daarom de bestreden beschikkingen dienen te worden vernietigd. Het hof begrijpt deze stelling, mede gezien de toelichting van mr. Janszen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, aldus dat, nu vaststaat dat de appelschriften zijn ingekomen 2 december 2011 en 13 april 2012 en dat eerst op 26 oktober 2012 de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en heden uitspraak wordt gedaan, de procedure onredelijk is vertraagd. Vaststaat dat om diverse redenen de procedure op diverse verzoeken en in overleg met partijen meerdere keren is aangehouden.

8.2 Op grond van artikel 20 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waakt de rechter tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft deze zo nodig, op verzoek van partijen of ambtshalve maatregelen. Partijen hebben immers op grond van artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: ”EVRM”) recht op een behandeling van hun zaak en op een uitspraak binnen een redelijke termijn. De sanctie die mr. Janszen verbindt aan de onredelijk vertraagde procedure is vernietiging van de bestreden beschikkingen. Naar het oordeel van het hof is dat niet mogelijk, nu die sanctie niet aan het overtreden van voormeld artikel is verbonden. Reeds daarom kan het verzoek niet worden toegewezen. Het hof is overigens van oordeel dat sprake is van een behandeling van de zaak en een uitspraak binnen een redelijke termijn.

8.3 Vaststaat dat de ouders belang hebben bij een oordeel van het hof over de bestreden beschikkingen. Het hof stelt daarbij de volgende artikelen voorop.

8.4 Ingevolge artikel 8 lid 1 EVRM heeft ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge lid 2 van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

8.5 Ingevolge artikel 1:306 lid 1 BW mag de stichting een hem toevertrouwde minderjarige niet zonder toestemming buiten Nederland plaatsen. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat de rechter slechts toestemming verleent indien hij plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.

In de zaak met zaaknummer 200.098.779 ([minderjarige])

8.6 Met haar eerste grief legt de moeder aan het hof voor de vraag of het in het belang van [minderjarige] was hem in november 2011 buiten Nederland te plaatsen.

8.7 Naar het oordeel van het hof dient die vraag positief te worden beantwoord. Immers, [minderjarige] was ten tijde van de bestreden beschikking twee jaar oud, Spaans onderdaan en de ouders hadden verklaard dat het hun bedoeling was [minderjarige] verder in Spanje te laten opgroeien en zelf ook, na hun detentie, terug te keren naar Spanje. De feitelijke toedracht was ook dat de ouders met [minderjarige] vanuit Aruba naar Spanje reisden en slechts een tussenstop op Schiphol hadden, waar zij werden aangehouden. Om [minderjarige] op dat moment langer in Nederland te laten was niet in zijn belang. Vanwege de detentie van de ouders kon hij geen gezinsleven met hen in Nederland hebben. De moeder stelt dat, ondanks toezeggingen, niet is gebleken dat [minderjarige] bij aankomst in Spanje door een pleeggezin is opgevangen. Dat maakt niet dat de rechtbank geen goede belangenafweging heeft gemaakt. Vaststaat immers dat goede opvang van [minderjarige] in Spanje was geregeld zodra hij daar zou arriveren, zo heeft de stichting gemotiveerd aangevoerd. Ten slotte stelt de moeder dat de rechtbank onjuiste informatie heeft gekregen en heeft laten meewegen bij het oordeel, namelijk dat de moeder meerdere jaren in detentie zou blijven. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking de duur van de detentie uitdrukkelijk niet meegewogen, maar enkel het feit dat sprake was van detentie en dat er onzekerheid bestond over het feit of de ouders na detentie de zorg voor [minderjarige] weer op zich konden nemen. De eerste grief faalt dan ook.

8.8 Met haar tweede grief voert de moeder aan dat de toestemming van de rechtbank als bedoeld in artikel 1:306 BW berust op verkeerde feiten en omstandigheden. Zo gaat de rechtbank er ten onrechte van uit dat de moeder was ontheven van het ouderlijk gezag en dat zij [minderjarige] heeft mishandeld.

8.9 Naar het oordeel van het hof zou ook in het geval de moeder (in Spanje) belast was met ouderlijk gezag, de rechtbank toestemming hebben moeten verlenen om [minderjarige] buiten Nederland te plaatsen. De feiten en omstandigheden zoals vermeld in 8.7 gaven daartoe immers voldoende aanleiding. De rechtbank overweegt niet dat de moeder [minderjarige] heeft mishandeld. In de bestreden beschikking overweegt de rechtbank dat de moeder gedetineerd is in verband met verdenking van onder meer mishandeling. Grief twee berust dus deels op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking, en faalt.

8.10 Met haar derde grief voert de moeder aan dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad haar zienswijze naar voren te brengen, omdat zij na de mondelinge behandeling en zonder advocaat door de rechter is gehoord. Voorts voert zij aan dat haar advocaat in de strafzaak niet op de hoogte is gehouden van de procedures.

8.11 Uit het overlegde proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 2 november 2011 blijkt dat de griffier na afronding van de zitting, toen de moeder alsnog verscheen, kort telefonisch contact heeft gehad met mr. Rack, die heeft meegedeeld akkoord te gaan met heropening van de behandeling zonder zijn aanwezigheid. Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat vervolgens de moeder is gehoord. Mr. Rack was de advocaat van de moeder. Uit het voorgaande volgt dat niet geconcludeerd kan worden dat de moeder niet in de gelegenheid is gesteld met haar advocaat te worden gehoord. Dat de advocaat niet op de hoogte is gehouden van het verloop van de procedure, is het hof niet gebleken. Daarbij ligt het overigens tevens op de weg van een advocaat actief na te gaan wat de stand van zaken is in een lopende procedure en welke procedures geëntameerd kunnen worden.

8.12 Uit het voorgaande volgt dat, nu ook de derde grief faalt, het verzoek in hoger beroep van de moeder zal worden afgewezen.

In de zaken met zaaknummers 200.105.280 en 200.105.281 ([minderjarige 2])

8.13 Zowel de moeder als de vader voeren met hun eerste grief aan dat het niet in het belang van [minderjarige 2] was om hem buiten Nederland te plaatsen.

8.14 Naar het oordeel van het hof was het in het belang van [minderjarige 2] om hem buiten Nederland te plaatsen. Het is immers gebleken dat de moeder de veiligheid van [minderjarige 2] ernstig in gevaar heeft gebracht door de wijze waarop zij drugs heeft gesmokkeld. De moeder had bolletjes vloeibare cocaïne geslikt op of voor 3 september 2011, toen zij ongeveer zes maanden zwanger was van [minderjarige 2]. Als gevolg van onder meer deze drugssmokkel verbleef de moeder in detentie. De moeder heeft daarmee de veiligheid van [minderjarige 2] ernstig in gevaar gebracht. Verder stond vast dat de toekomst van [minderjarige 2] in Spanje lag, hij Spaans onderdaan is en het de bedoeling van de ouders was om [minderjarige 2] in Spanje te laten opgroeien. Ook hier geldt dat de ouders op doorreis waren naar Spanje ten tijde van hun aanhouding. Gelet op zijn jonge leeftijd en het feit dat er grote zorgen waren over de mogelijkheden van de ouders om [minderjarige 2] op te voeden, was het in zijn belang om naar Spanje terug te keren. Dat de moeder op basis van voormelde beschikking van de kinderrechter van 13 december 2011 tot 4 januari 2012 voor [minderjarige 2] heeft mogen zorgen in de penitentiaire inrichting, doet aan de verleende toestemming hem te laten uitreizen niet af. Immers, de kinderrechter heeft voorafgaand aan die beslissing overwogen dat het de stichting in beginsel vrij staat om [minderjarige 2] op enig moment bij de moeder weg te halen, maar dat daarbij zijn belangen wel voorop moeten staan. Op 4 januari 2012 zou duidelijk zijn uit het vonnis in de strafzaak van de ouders of de moeder direct naar Spanje zou terugkeren dan wel dat zij in Nederland langdurig in detentie zou moeten blijven. In het eerste geval zou [minderjarige 2] samen met zijn moeder kunnen terugreizen naar Spanje, in het tweede geval zou [minderjarige 2] alleen terugkeren naar Spanje, aldus de kinderrechter in voormelde beschikking. [minderjarige 2] kon zonder zijn moeder uitreizen naar Spanje, mits het in zijn belang was. Dat de stichting bij haar beslissing om [minderjarige 2] buiten Nederland te plaatsen de belangen van [minderjarige 2] niet heeft voorop gesteld, is niet dan wel onvoldoende gebleken. De eerste grief faalt dus.

8.15 De moeder voert met haar tweede grief aan dat de bestreden beschikking berust op verkeerde feiten en omstandigheden. Ten onrechte gaat de rechtbank ervan uit dat [minderjarige 2] in Spanje de nodige verzorging en opvoeding kan krijgen en dat hij, gelijk zijn oudere broer, in een pleeggezin wordt geplaatst. Ook passeert de rechtbank onvoldoende gemotiveerd de diverse onderbouwde standpunten en verweren van de moeder, aldus de moeder.

8.16 De stichting heeft in eerste aanleg gemotiveerd aangevoerd dat de Spaanse kinderbeschermingsinstanties beschikten over een adequaat wettelijk kader om [minderjarige 2] (en zijn broer) de noodzakelijke bescherming en maatregel van pleegzorg te garanderen, een kader dat passend was om de juiste aandacht en welzijn voor [minderjarige 2] te verzekeren. Dat [minderjarige 2] niet direct na aankomst in een perspectiefbiedend gezin is geplaatst acht het hof niet onlogisch. De Spaanse autoriteiten dienen in het belang van [minderjarige 2] een grondig maar ook spoedig onderzoek te doen naar een perspectief biedend pleeggezin waar zijn belangen het best gewaarborgd worden. In dit geval speelt echter ook mee dat het wenselijk werd geacht om de twee broers in hetzelfde pleeggezin te plaatsen. Dat een perspectief biedend gezin niet direct klaar staat is dan ook niet onlogisch. Vaststaat dat voor [minderjarige 2] goede opvang geregeld was zodra hij in Spanje zou arriveren.

Het hof begrijpt dat de moeder met ‘diverse uitdrukkelijk onderbouwde standpunten en verweren van de moeder’ bedoelt, hetgeen haar advocaat heeft neergelegd in de pleitnota van 13 december 2011. Die stellingen zijn kort samengevat de volgende: de moeder zou (gelijk de medewerkers van de penitentiaire inrichting verklaarden) goed voor [minderjarige 2] zorgen en dat zelfs tot haar vrijlating kunnen doen, de moeder heeft [minderjarige] niet mishandeld, de raad heeft de moeder op 25 november 2011 verzekerd [minderjarige 2] niet bij haar weg te halen, het hoger beroep tegen de toestemming tot uitreizen van [minderjarige] liep nog en oma (moederszijde) kan voor de kinderen zorgen.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze stellingen niet tot een andere beslissing leiden. De eerste twee stellingen zijn reeds besproken in 8.14: [minderjarige 2] kon zonder zijn moeder uitreizen naar Spanje, mits het in zijn belang was. Dat de moeder [minderjarige] heeft mishandeld is geen omstandigheid die de kinderrechter betrekt bij het verzoek tot vervangende toestemming om [minderjarige 2] te laten uitreizen. Dat dit overigens ten aanzien van [minderjarige] berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking is hiervoor bij 8.6 reeds besproken. Dat de raad de moeder op 25 november 2011 heeft verzekerd [minderjarige 2] niet bij de moeder weg te halen, volgt niet, althans onvoldoende, uit de overgelegde producties (de moeder doelt op productie 7). Dat de moeder hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking van de kinderrechter om [minderjarige] te laten uitreizen, doet daaraan naar het oordeel van het hof evenmin af. Immers, de beschikking was uitvoerbaar bij voorraad en de moeder heeft geen schorsing van de tenuitvoerlegging verzocht. Feit is dat [minderjarige] op 3 november 2011 rechtsgeldig kon uitreizen. Dat oma (moederszijde) voor de kinderen kon zorgen, is niet gebleken, maar is ook een beslissing die aan Spaanse zijde ligt.

8.17 De vader voert met zijn tweede grief overigens aan dat de kinderrechter de beschikking heeft gebaseerd op verkeerde feiten en omstandigheden. De vader wijst op het feit dat de moeder [minderjarige] heeft mishandeld, dat overbrenging van [minderjarige 2] naar Spanje rust en duidelijkheid zal brengen en dat de stichting een zorgvuldige afweging heeft gemaakt.

8.18 Ten aanzien van de mishandeling verwijst het hof naar hetgeen eerder reeds is overwogen (onder 8.9). Dat overbrenging naar Spanje rust en duidelijkheid zal brengen en dat de stichting een zorgvuldige afweging heeft gemaakt, acht het hof omstandigheden die de kinderrechter terecht aan de beschikking ten grondslag kon leggen. Feit is dat het perspectief van [minderjarige 2] in Spanje lag en dat hij, gezien eerder reeds overwogen omstandigheden, spoedig in een perspectiefbiedend gezin diende te worden geplaatst. Zijn veiligheid was in het geding en ook zijn belang aan het tot stand komen van een spoedige hechtingsrelatie met degene(n) die hem zouden gaan verzorgen en opvoeden.

8.19 De grieven falen, zodat de verzoeken van de moeder en de vader in hoger beroep zullen worden afgewezen.

9. De slotsom

In alle zaken

9.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

9.2 Het hof zal de proceskosten (bedoeld zal zijn:) in beide instanties compenseren gezien de aard van de procedure.

10. De beslissing

In alle zaken

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 2 november 2011 en van 16 januari 2012;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, A. Smeeïng-van Hees en F.M.P.M. Strengers, bijgestaan door mr. H. van Waterschoot als griffier, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.