Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0550

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
P11/0467
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Ondanks dat de wet voor verlenging van de terbeschikkingstellingsmaatregel naast het gevaarscriterium niet tevens de eis stelt dat ten tijde van de verlenging nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis, dient aan die eis, gelet op de aard en strekking van de maatregel en de in het kader van de oplegging van die maatregel geldende eisen, bij verlenging wel te worden voldaan.

Het hof neemt de eindconclusie van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum over dat bij de terbeschikkinggestelde geen sprake (meer) is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en dat in samenhang hiermee niet meer kan worden gesproken van een pathologisch bepaald recidivegevaar, op grond waarvan de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P11/0467

Beslissing d.d. 20 december 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats]

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2011, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

-het proces-verbaal van de zitting van het hof van 23 januari 2012;

- de tussenbeslissing van het hof van 6 februari 2012;

- de rapportage betreffende de terbeschikkinggestelde van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 9 oktober 2012.

Het hof heeft ter zitting van 6 december 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.H.P. van Esser, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal, mr E.J. Julsing-Nijenhuis. Voorts zijn ter zitting als deskundigen gehoord mw. drs. C.H.S. Gerritsma, psycholoog, en dr. J. Marx, psychiater.

Overwegingen

De tussenbeslissing van het hof

Het hof heeft bij tussenbeslissing van 6 februari 2012 het onderzoek heropend en de zaak aangehouden, teneinde de terbeschikkinggestelde op te laten nemen in het Pieter Baan Centrum voor nader onderzoek. Uit de stukken is gebleken dat in de loop der tijd verschillende uiteenlopende diagnoses zijn gesteld met betrekking tot de persoon van de terbeschikkinggestelde. Voorts was sprake van een dreigende behandelimpasse tussen de terbeschikkinggestelde en de kliniek. Het hof achtte het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk dat de terbeschikkinggestelde zou worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC) en dat gedurende deze opname onderzoek gedaan zou worden naar de diagnostiek en naar verdere behandelmogelijkheden. Voorts achtte het hof een neurologisch en/of neuropsychologisch onderzoek aangewezen.

Het standpunt van het Pieter Baan Centrum

Uit de conclusie van de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 9 oktober 2012 volgt dat bij de terbeschikkinggestelde geen sprake (meer) is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De zwakkere kanten en kwetsbaarheden van de terbeschikkinggestelde (enige rigiditeit, rationaliseren, intellectualiseren en neiging tot piekeren) kunnen qua intensiteit en de mate van interferentie met een normaal functioneren niet als pathologisch worden gekwalificeerd. Voorts zijn geen aanwijzingen voor actuele middelenproblematiek. De terbeschikkinggestelde beschikt in aanleg over benedengemiddeld tot laaggemiddeld intelligente vermogens, waarbij zijn intellectuele capaciteiten vrij sterk disharmonisch verdeeld zijn. Van zwakbegaafdheid is echter geen sprake. Op basis van voorgaande klinische overwegingen en de resultaten van de gestructureerde risicotaxatie wordt het risico op recidivering in (seksueel) gewelddadig gedrag zowel binnen als buiten een behandelsetting als laag ingeschat. De terbeschikkinggestelde toont voldoende inzicht in de problemen waarmee hij mogelijk wordt geconfronteerd als hij op vrije voeten zou komen. De terbeschikkinggestelde wordt in staat geacht om op adequate wijze hulp te zoeken (zowel binnen zijn steunsysteem als de professionele hulpverlening). Het is dan ook niet nodig om deze hulpverlening plaats te laten vinden in een gedwongen strafrechtelijk kader. Geadviseerd wordt om de verpleging van overheidswege onvoorwaardelijk te beëindigen.

De deskundige J. Marx heeft ter zitting op 6 december 2012 het standpunt van het Pieter Baan Centrum gehandhaafd en als volgt toegelicht.

De terbeschikkinggestelde functioneert op de grens van laaggemiddelde tot zwakbegaafde intelligentie. Zijn cognitieve vermogens zijn echter niet dusdanig laag dat dit leidt tot een verhoogd recidiverisico. De toekomstplannen van de terbeschikkinggestelde zijn niet irreëel en de terbeschikkinggestelde beseft dat hij nog begeleiding nodig heeft. Deze begeleiding hoeft echter niet binnen een forensisch zorgkader plaats te vinden. Anders dan de kliniek is het Pieter Baan Centrum van oordeel dat in de persoonlijkheidsontwikkeling van de terbeschikkinggestelde vooral sprake is van internaliserend gedrag bij oplopende spanningen. Er is sprake van sociaalvaardige reacties. Het somatische lijden van de terbeschikkinggestelde is onderbelicht in eerdere pro justitia rapportages.

Het standpunt van de kliniek

De kliniek heeft ter zitting op 6 december 2012 bij monde van deskundige C.H.S. Gerritsma haar standpunt gehandhaafd en als volgt toegelicht.

Ten aanzien van de persoonlijkheidsontwikkeling van de terbeschikkinggestelde, die geleid heeft tot criminaliteit, legt de kliniek meer de nadruk op externaliserende factoren. De kliniek blijft bij haar advies om de TBS-maatregel met twee jaar te verlengen. De kliniek is begonnen met het resocialisatietraject door op laagdrempelig niveau te oefenen met begeleid verlof. De terbeschikkinggestelde is leergierig, maar heeft nog veel begeleiding nodig.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

De conclusies van het Pieter Baan Centrum lijken op belangrijke punten lijnrecht tegenover de conclusies en diagnose gesteld door de kliniek te staan. In zijn conclusie heeft het Pieter Baan Centrum gedegen gemotiveerd waarom het voor wat betreft de diagnose en de risicoprognose afwijkt van de conclusies van de kliniek. Nu het Pieter Baan Centrum concludeert dat geen sprake is van een ziekelijke stoornis, geen sprake is van middelengebruik en dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat, betekent dit dat de TBS-maatregel niet langer gerechtvaardigd is, ook niet in een voorwaardelijke vorm.

De raadsvrouw heeft verzocht om de TBS-maatregel onvoorwaardelijk te beëindigen en de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Voor de verlenging van de terbeschikkingstelling is de aanwezigheid van een stoornis een vereiste. Nu de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum geen stoornis hebben vastgesteld en pathologisch bepaald delictgevaar ontbreekt, dient de beslissing van de rechtbank te worden vernietigd en de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Ondanks dat de wet voor verlenging van de terbeschikkingstellingsmaatregel naast het gevaarscriterium niet tevens de eis stelt dat ten tijde van de verlenging nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis, dient aan die eis, gelet op de aard en strekking van de maatregel en de in het kader van de oplegging van die maatregel geldende eisen, bij verlenging wel te worden voldaan.

Uit de rapportages van het Pieter Baan Centrum en de kliniek en de hierop ter zitting op 6 december 2012 door de deskundigen gegeven toelichting blijkt dat tussen het Pieter Baan Centrum en de kliniek een verschil van inzicht bestaat omtrent de aanwezigheid van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling bij de terbeschikkinggestelde en het daarmee samenhangende recidivegevaar. De deskundigen van het Pieter Baan Centrum zijn van mening dat bepaalde stressoren, onder meer de fysieke beperkingen van de terbeschikkinggestelde, onvoldoende belicht zijn geweest gedurende eerdere diagnostische onderzoeken en hebben de beschikbare informatie op andere wijze gewogen bij het bepalen van het aanwezige recidivegevaar. De kliniek daarentegen hecht meer gewicht aan de aanwezigheid van externaliserende factoren in de persoonlijkheidsontwikkeling van de terbeschikkinggestelde en het gevaar op overschatting van zijn capaciteiten.

Hoewel het hof de door de kliniek geschetste risicofactoren onderkent, met name de zelfoverschatting door betrokkene, ziet het hof, de verschillende standpunten afwegend, onvoldoende gronden om de maatregel voort te zetten.

Het hof neemt de eindconclusie van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum over dat bij de terbeschikkinggestelde geen sprake (meer) is van een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, en dat in samenhang hiermee niet meer kan worden gesproken van een pathologisch bepaald recidivegevaar.

Gelet op het vorenoverwogene dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2011 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr G. Oldekamp als voorzitter,

mr. Y.A.J.M. van Kuijck en mr W.R. Rosingh als raadsheren,

en prof. dr. B.C.M. Raes en dr. A. Verheugt als raden,

in tegenwoordigheid van mr C.M.M. van der Waerden als griffier,

en op 20 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.