Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0258

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.114.330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing; geldigheid van alsnog overgelegd indicatiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.114.330

(zaaknummer rechtbank 328207)

beschikking van de familiekamer van 20 december 2012

inzake

[verzoekers],

wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen respectievelijk “de moeder” en “de vader”,

samen te noemen “de ouders”,

advocaat: mr. A.M.C.J. Klostermann te Utrecht,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg,

gevestigd te Diemen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de pleegouders van [het kind],

verder te noemen “de pleegouders”,

niet verschenen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 24 september 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 oktober 2012, zijn de ouders in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De ouders verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat na te noemen [het kind] direct terug wordt geplaatst bij de ouders.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 oktober 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de ouders bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2012 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de stichting zijn verschenen [...], gezinsvoogd en [...], inhoudelijk manager. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is, met kennisgeving vooraf, niemand verschenen.

2.4 Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof binnengekomen een brief van de stichting van 13 november 2012 met als bijlage een aangepast indicatiebesluit en de reactie daarop van mr. Klostermann in haar brief van 15 november 2012. Bij haar brief heeft mr. Klostermann als bijlage een eindverslag VoorZorg overgelegd. Nu het hof geen toestemming heeft gegeven nog stukken na te zenden, slaat het hof geen acht op deze bijlage.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2010 [het kind] geboren. De moeder is alleen belast met het gezag over [het kind].

3.2 Bij beschikking van 29 juni 2010 heeft de kinderrechter [het kind] onder toezicht gesteld van de stichting. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van 20 september 2012 tot 23 september 2013.

3.3 De stichting heeft op 14 februari 2012 en 18 september 2012 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”).

3.4 Bij beschikking van 29 juni 2010 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [het kind] uit huis te plaatsen.

3.5 Bij beschikking van 14 maart 2012 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [het kind] uit huis te plaatsen in een voorziening voor verblijf pleegouders 24 uurs, met ingang van 14 maart 2012 tot 23 september 2012. Deze machtiging is niet ten uitvoer gelegd.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 31 juli 2012, heeft de stichting, voor zover hier van belang, verzocht ter effectuering van het bij het verzoekschrift gevoegde indicatiebesluit een machtiging te verlengen om [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [het kind] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs, zoals bedoeld in het indicatiebesluit van 18 september 2012 met kenmerk [...], met ingang van 24 september 2012 tot 23 september 2013.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.2 Een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing (artikelen 1:261 en 1:262 BW) is, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ, gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 WJZ, waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. Het indicatiebesluit is de grondslag waarop de kinderrechter de beschikking neemt. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd.

4.3 Ingevolge artikel 6 lid 1 WJZ geeft de stichting in het indicatiebesluit in ieder geval:

? een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

? een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

? de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

? de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

? een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen;

Op grond van artikel 6 lid 2 WJZ geeft de stichting in het indicatiebesluit aan of coördinatie van zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.

4.4 Ingevolge artikel 23 Uitvoeringsbesluit WJZ bedraagt de in het indicatiebesluit vast te leggen termijn gedurende welke de aanspraak geldt, ten hoogste een jaar na de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet, is aangevangen. Dat is anders ingeval - zakelijk weergegeven - een kind al langer dan twee jaar bij hetzelfde pleeggezin geplaatst is en thuisplaatsing bij de ouders niet is te voorzien dan wel indien sprake is van een AWBZ-indicatie waarbij het kind al langer dan twee jaar op dezelfde zorgvorm is aangewezen en te voorzien is dat hij of zij op deze zorgvorm aangewezen blijft.

4.5 Ingevolge artikel 1:262 lid 3 BW bedraagt de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht maximaal drie maanden.

4.6 De ouders stellen in hun eerste grief dat het door de stichting overgelegde indicatiebesluit niet voldoet aan de formele eisen van de wet.

4.7 Bij het verzoek in eerste aanleg heeft de stichting een indicatiebesluit van 14 februari 2012 overgelegd waarbij de termijn gedurende welke de aanspraak geldt, niet werd aangeduid anders dan met de woorden “in overleg met zorgaanbieder”. De termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht ontbrak.

Enkele dagen voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de stichting een nieuw indicatiebesluit van 18 september 2012 overgelegd, waarbij als termijn gedurende welke de aanspraak geldt, werd vermeld “van 18-09-2012 t/m 22-09-2013”, derhalve langer dan een jaar. De termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht ontbrak wederom. De rechtbank heeft desondanks een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] verleend.

4.8 Bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de stichting een aangepast indicatiebesluit, gedateerd 18 september 2012, overgelegd waarin als termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen, wordt vermeld: “vanaf 22-09-2012 t/m 22-09-2013”, derhalve een jaar. De termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht is in dit besluit echter niet vermeld.

Ter mondelinge behandeling heeft het hof de stichting verzocht binnen een week een correct indicatiebesluit over te leggen. Het hof heeft daarbij vermeld dat de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht, ontbreekt en tevens het advies gegeven een jurist te raadplegen. Aan de ouders is een termijn van een week gegeven om te reageren op het door de stichting over te leggen indicatiebesluit.

Bij de onder 2.4 vermelde brief heeft de stichting een indicatiebesluit overgelegd waarin opnieuw de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht niet is vermeld. Wel is aanvullend vermeld: “de zorg is op 24-09-2012 gestart”. Daarnaast is de datum van afgifte gewijzigd in 23 september 2012, welke wijziging het hof zonder nadere toelichting – die echter ontbreekt – niet kan plaatsen. Voorts is als leeftijd van [het kind] vermeld: “28 maanden”, in plaats van “19 maanden” (zoals was vermeld in de voorgaande versie van het besluit), waarbij echter opvalt dat de bijgaande toelichting exact hetzelfde is gebleven, hetgeen opnieuw vragen oproept. Ten slotte lijkt het erop dat na de vermelding “de zorg is op 24-09-2012” gestart, een deel of pagina van het besluit is weggevallen. Dit alles roept ernstige twijfel op aan de zorgvuldigheid waarmee het indicatiebesluit is opgesteld.

4.9 Het hof constateert dat de stichting voor de vierde maal in de onderhavige procedure een indicatiebesluit heeft overgelegd dat niet aan de wettelijke eisen voldoet. De termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht ontbreekt opnieuw. Met de eis in artikel 6 lid 1 aanhef en sub d WJZ wordt beoogd te voorkomen dat de zorg door tijdsverloop niet meer aansluit bij de behoefte. Artikel 6 lid 3 WJZ bevat een sanctie voor het geval dat de zorg niet binnen de termijn die op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en sub d WJZ in het indicatiebesluit moet zijn vermeld, tot gelding is gebracht. Hieruit blijkt dat laatstgenoemde wetsbepaling niet een puur “bureaucratisch” vereiste bevat voor financiering van zorg, maar dat die bepaling op inhoudelijke grond in de wet is opgenomen. Daar komt bij dat de handelwijze van de stichting in strijd is met artikel 8 EVRM, nu een maatregel van kinderbescherming als die tot uithuisplaatsing van een minderjarige een inmenging van het openbaar gezag betekent in de uitoefening van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven van ouder en kind (artikel 8 lid 1 EVRM). Die inmenging is niet toegestaan, tenzij deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in de in lid 2 van dit artikel genoemde gevallen. Indien, zoals hier, niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor de hiervoor bedoelde inmenging, is sprake van schending van artikel 8 EVRM.

4.10 Nu grief 1 slaagt, behoeven de grieven 2, 3 en 4 geen verdere bespreking.

4.11 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking dient te vernietigen. Het hof zal het verzoek van de stichting tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing alsnog afwijzen en de ouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek om [het kind] direct bij haar ouders terug te plaatsen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 24 september 2012 en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de stichting tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] af;

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek [het kind] direct bij hen terug te plaatsen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, H. van der Beek en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 20 december 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.