Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0254

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.102.814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie; kosten omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.102.814

(zaaknummer rechtbank 303458)

beschikking van de familiekamer van 27 december 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. A.M.C. le Loux te Amersfoort,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. I. Lieberwerth te Amersfoort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 februari 2012, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2011 een bijdrage verschuldigd is in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 105,- per kind per maand, althans een zodanige bijdrage en met ingang van zodanige datum als het hof juist acht alsmede de man te veroordelen tot betaling van een achterstallige alimentatie over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 ten bedrage van € 579,-, te verhogen met de wettelijke rente over deze betalingsachterstand.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 mei 2012, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het hoger beroep van de vrouw af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt wijzigt de man zijn verzoek, te bepalen dat de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 november 2010 op nihil wordt vastgesteld, dan wel op een bedrag c.q. met ingang van een datum zoveel eerder als 1 februari 2011 als het hof juist acht.

2.3 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 12 juli 2012, waarin zij het hof verzoekt het incidenteel beroep van de man af te wijzen.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 24 september 2012 een brief van mr. Le Loux van 21 september 2012 met bijlagen;

- op 2 oktober 2012 een brief van mr. Lieberwerth van 1 oktober 2012 met bijlagen;

- op 8 oktober 2012 een brief van mr. Le Loux van dezelfde datum met als bijlage een aanvullend hoger beroepschrift.

2.5 De minderjarige [kind 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 9 oktober 2012 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Goes, advocaat te Amersfoort.

Namens de man is zijn advocaat verschenen.

2.7 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.8 Het hof slaat geen acht op de brief met bijlage van mr. Le Loux van 8 oktober 2012, omdat deze brief met bijlage zonder noodzaak - de gewijzigde omstandigheden in het inkomen van de vrouw dateren van maart 2012 - één dag voor de mondelinge behandeling is ingekomen ter griffie van het hof. De advocaat van de man heeft dit niet met de man, die ter mondelinge behandeling wegens ziekte niet aanwezig was, kunnen bespreken. De man heeft dan ook in redelijkheid niet voldoende kunnen kennisnemen van de bijlage en heeft zich onvoldoende kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1996;

- [kind 2], op [geboortedatum] 2000, en

- [kind 3], op [geboortedatum] 2003,

over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent.

3.2 Bij overeenkomst ouderplan van 26 maart 2008 zijn partijen, voor zover hier van belang, het navolgende overeengekomen:

“De kinderalimentatie á euro 131,- per kind per maand zal via automatische incasso over worden gemaakt elke 25e van de maand aan ouder A.( lees: de vrouw)

De kinderalimentatie zal elk jaar in de maand juni naar index worden opgehoogd naar draagkracht van ouder B.(lees:de man) Ingaande op 25 juni 2008.”

De door de man te betalen bijdrage bedraagt met ingang van 25 juni 2011 ingevolge de wettelijke indexering € 139,24 per kind per maand.

3.3 Bij verzoekschrift van 16 maart 2011 heeft de vrouw de rechtbank Utrecht verzocht bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het tussen partijen op 26 maart 2008 gesloten ouderschapsconvenant voor wat betreft de daarin overeengekomen alimentatie in die zin te wijzigen dat de man met ingang van 1 februari 2011 een bijdrage van € 200,- per kind per maand verschuldigd is in het levensonderhoud van de kinderen van partijen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Voorts verzoekt zij de man te veroordelen om aan haar te voldoen de op basis van het ouderschapsplan vanaf 1 november 2010 tot 1 februari 2011 dan wel tot de ingangsdatum van de te geven beschikking achterstallige alimentatie, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag primair met ingang van 1 november 2010, zijnde de verzuimdatum, en - subsidiair - vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot de dag der algehele voldoening.

3.4 Bij verweerschrift van 19 april 2011 heeft de man de rechtbank Utrecht verzocht - voor zover relevant in deze procedure - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar verzoek tot vaststelling van de door de man bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen bijdrage van € 200,- per kind per maand niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek ter zake af te wijzen. Voorts verzoekt de man de vrouw in haar verzoek hem te veroordelen om aan de vrouw de in het ouderschapsplan vastgelegde alimentatie over de periode 1 november tot 1 februari 2011 vermeerderd met de wettelijke rente te voldoen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek ter zake af te wijzen.

3.5 Bij brief van 24 oktober 2011 heeft de vrouw op basis van door haar overgelegde draagkrachtberekeningen van partijen haar aanvankelijke verzoek om de kinderalimentatie te bepalen op € 200,- per kind per maand verminderd tot € 120,- per kind per maand.

3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen verschuldigd is op € 50,- per kind per maand vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, alsmede bepaald dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 een bedrag van € 579,- dient te betalen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.7 De man is alleenstaand. Het belastbare loon van de man bij de Politie [...] bedroeg volgens de jaaropgaven 2009 en 2010 in die jaren respectievelijk € 30.336,- en € 28.635,-. Aan de man is door de korpsbeheerder van de politieregio [...] met ingang van 20 april 2012 eervol ontslag verleend op eigen aanvraag.

De man heeft in 2011 een belastbaar inkomen van € 30.391,- per jaar. Het hof leidt dit bedrag af uit de draagkrachtberekening van de vrouw in eerste aanleg, die niet op dat punt door de man is betwist.

3.8 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 511,88 aan hypotheekrente;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 67,45 aan ziektekosten in 2012:

- € 152,45 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 14,- eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand en de zorgtoeslag van € 26,-;

- € 131,- aan bijzondere kosten.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 918,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.9 De vrouw vormt met de kinderen van partijen een gezin. Zij is part time, twee dagen per week, werkzaam in de kinderopvang. In de periode van september 2011 tot 1 maart 2012 heeft zij tijdelijk drie dagen per week gewerkt.

Het inkomen van de vrouw bedroeg tot 1 maart 2012 € 1.503,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 108,- per maand en bedraagt blijkens de salarisspecificatie van augustus 2012 € 1.031,90 bruto/€ 850,51 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Zij ontvangt blijkens de voorschotbeschikking toeslagen van de Belastingdienst van 21 april 2012 in 2012 een kindgebonden budget van € 2.051,- en een huurtoeslag van € 3.336,-.

3.10 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 629,46 aan huur met ingang van 1 juli 2012;

- € 31,96 aan ziektekosten in 2012:

- € 151,96 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 14,- eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand en de zorgtoeslag van € 61,-;

- € 37,- aan kosten kinderopvang.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Niet in geschil is dat sprake is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

4.2 In geschil is de door de rechtbank met ingang van 1 februari 2011 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van € 50,- per kind per maand, de ingangsdatum van de gewijzigde bijdrage, de bepaling dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 een bedrag van € 579,- dient te betalen, en het verzoek van de vrouw te man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 1 november 2010 tot 1 februari 2011 over de in deze periode ontstane betalingsachterstand.

De stellingen van de vrouw hebben de strekking dat de bijdrage van de man wordt vastgesteld op € 120,- per kind per maand. De man voert in hoger beroep aan dat dit te hoog is, gezien zijn bijdrage in de kosten van de kinderen in natura: als zij bij hem verblijven en door middel van zijn bijdrage in kleding en schoenen. Hij verzoekt nihilstelling.

4.3 Partijen zijn het in eerste aanleg er over eens geworden dat de behoefte van de drie kinderen op € 600,- per maand kan worden vastgesteld en dat het eigen aandeel van de man daarin € 358,- per maand bedraagt. De vrouw heeft vervolgens in eerste aanleg haar verzoek verminderd in die zin dat zij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen verzoekt van € 120,- per kind per maand.

De man stelt in zijn incidenteel hoger beroep dat rekening moet worden gehouden met de tussen partijen bestaande co-ouderschapregeling welke inhoudt dat de behoefte van de tabel kosten kinderen dient te worden verhoogd met 16% in verband met dubbele woonlasten. De behoefte van de kinderen dient dan ook te worden vastgesteld op € 735,- zijnde 16% van de kosten kinderen (€ 600,-) en kinderbijslag (€ 242,-).

De vrouw betwist dat en stelt dat geen sprake is van volledig co-ouderschap waarbij de kinderen evenveel bij ieder van de ouders verblijven. Verhoging van 16% wordt alleen geadviseerd in zaken waarin de kinderen de helft van de tijd bij ieder van de ouders verblijven hetgeen hier niet het geval is.

4.4 Het hof is met de rechtbank en de vrouw van oordeel dat, nu gebleken is dat de kinderen acht van de veertien dagen bij de vrouw en zes van de veertien dagen bij de man en derhalve niet evenveel tijd bij ieder van de ouders verblijven, in casu geen sprake is van een volledig co-ouderschap. Het hof ziet dan ook geen grond om de behoefte van de kinderen te verhogen in verband met dubbele woonlasten, zoals de man verzoekt. Nu de in eerste aanleg bij brief van mr. Le Loux van 24 oktober 2011 overgelegde draagkrachtberekeningen tussen partijen niet in geschil zijn gaat het hof er met de rechtbank vanuit dat het aandeel van de man op € 358,- per maand kan worden gesteld, en dat een bijdrage van € 120,- per kind per maand uitgangspunt moet zijn bij de berekening van de kinderalimentatie.

4.5 Partijen verschillen vervolgens van mening of en hoe op dit bedrag de kledingkosten en omgangskosten in mindering dienen te worden gebracht.

Met betrekking tot de kledingkosten is het hof met de rechtbank van oordeel dat uitgangspunt dient te zijn dat een onderhoudsuitkering die door de rechter is vastgesteld ten behoeve van een minderjarige rechtstreeks wordt uitbetaald aan de ouder waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft en dat een onderhoudsplichtige ouder zich aldus in beginsel niet op andere wijze kan kwijten van zijn onderhoudsverplichting. Verstrekkingen op andere wijze kunnen (in beginsel) geen grond opleveren tot beperking van een onderhoudsverplichting.

Het hof beschouwt de kledingkosten die de man maakt als een verstrekking waarmee hij op vrijwillige basis in natura bijdraagt in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof ziet dan ook om die reden geen aanleiding het bedrag aan kinderalimentatie te verminderen met kledingkosten.

4.6 In hoger beroep verschillen partijen voorts van mening hoe de omgangskosten, die de rechtbank heeft vastgesteld op € 70,- per kind per maand en waartegen partijen niet hebben gegriefd, meeberekend dienen te worden bij de bepaling van de hoogte van de kinderalimentatie. De vrouw stelt dat deze kosten niet rechtstreeks in mindering dienen te worden gebracht op het eigen aandeel van de man maar dat deze kosten in de draagkrachtberekening moeten worden ingevoerd waarna na draagkrachtvergelijking het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen € 105,- per kind per maand bedraagt. De man betwist deze berekeningswijze en stelt dat op zijn eigen aandeel rechtstreeks de omgangskosten in mindering moeten worden gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

De duur en frequentie van de omgangsregeling zijn niet weersproken zodat vast staat dat het een ruime omgangsregeling betreft waarbij de kinderen 42% van de tijd bij de man verblijven. Het hof is van oordeel dat het in dat geval redelijk en billijk is indien bij de vaststelling van het aandeel van de man in de kosten van de kinderen rekening wordt gehouden met het feit dat de man door deze ruime regeling ook extra kosten heeft, welke de vrouw dan niet heeft, en daardoor al een deel van de behoefte van de kinderen in de periode dat zij bij hem zijn voor zijn rekening neemt.

Het hof is gelet op het vorenstaande dan ook met de rechtbank van oordeel dat deze omgangskosten van € 70,- per kind per maand rechtstreeks op het bedrag van € 120,- per kind per maand in mindering moeten worden gebracht, zodat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld kan worden op € 50,- per kind per maand.

4.7 Met betrekking tot de ingangsdatum overweegt het hof als volgt.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. De rechter zal moeten beoordelen of van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering als het verweer is gevoerd dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is.

De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd.

4.8 Het hof hanteert evenals de rechtbank als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 1 februari 2011, nu gelet op het hiervoor onder 4.1 overwogene, de door de man in hoger beroep verzochte ingangsdatum van 1 november 2010 een zelfstandig tegenverzoek is dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Dat betekent dat de man tot 1 februari 2011 de in het ouderschapsplan van 26 maart 2008 overeengekomen en geïndexeerde bijdrage, welke per 1 januari 2011 € 139,24 per kind per maand bedroeg, had moeten voldoen. Gebleken is dat de man over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 € 200,- per maand in totaal, derhalve € 193,- per maand te weinig, heeft betaald. De man dient dan ook nog € 579,- wegens achterstallige alimentatie aan de vrouw te voldoen.

Voorts is gebleken dat de man met ingang van 1 februari 2011 tot aan de datum van de bestreden beschikking gedurende tien maanden meer alimentatie heeft betaald dan hij had behoeven te betalen, namelijk € 50,- per maand, hetgeen in totaal neerkomt op € 500,-.

Anders dan de rechtbank is het hof met de man van oordeel dat dit verrekend dient te worden en wel zodanig dat het hof zal bepalen dat de vrouw uitsluitend gehouden is tot terugbetaling van de bijdrage over de periode van 1 februari 2011 tot 30 november 2011 voor zover de man gehouden is tot het betalen van een aanvullende bijdrage over de periode van

1 november 2010 tot 1 februari 2011.

4.9 Gelet op het over en weer verschuldigde en het familierechtelijk karakter van de zaak acht het hof geen aanleiding een eventueel nog verschuldigd bedrag te verhogen met de wettelijke rente.

5. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij is bepaald dat de man aan achterstallige alimentatie over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 € 579,- dient te voldoen, te vernietigen en te beslissen als volgt en dient het hof de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011, voor zover daarbij is bepaald dat de man aan achterstallige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011 een bedrag van € 579,- dient te betalen, en voor zover daarbij het verzoek van de man tot terugbetaling van teveel ontvangen kinderalimentatie over de periode 1 februari 2011 tot 30 november 2011 is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw uitsluitend gehouden is tot terugbetaling van de bijdrage over de periode van 1 februari 2011 tot 30 november 2011 voor zover de man gehouden is tot het betalen van een aanvullende bijdrage over de periode van 1 november 2010 tot 1 februari 2011;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 november 2011 voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, M.L. van der Bel en A. Roelvink-Verhoeff, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 27 december 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.