Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BZ0171

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.104.637
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De man woont in de echtelijke woning van partijen, die gemeenschappelijk eigendom is van partijen. De man betaalt totale hypotheekrente (€ 502,39 per maand). Op grond van de eigenwoningregeling kan de man bij zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen als eigenaar de helft van het bedrag van € 502,39 (€ 251,-) als aftrekpost in verband met de eigen woning opvoeren. Daarnaast wordt rekening gehouden met de helft van het eigen woningforfait in 2011 van € 2.668,- en 2012 van € 2.910,-. Ter zake van de andere helft van de door hem betaalde hypotheekrente kan de man alleen aanspraak maken op een aftrekpost indien hij deze voor de vrouw betaalt in het kader van een onderhoudsverplichting jegens haar. Niet aannemelijk geworden dat daarvan sprake is. Bovendien heeft de vrouw verklaard ter zake de voormalige echtelijke woning in haar belastingaangifte niets op te voeren: noch een belaste periodieke uitkering wegens levensonderhoud noch de helft van de hypotheekrente. Het hof houdt daarom in verband met de andere helft van de door de man betaalde hypotheekrente geen rekening met een aftrekpost. Nu evenmin sprake lijkt te zijn van verstrekking van het woongenot door de vrouw aan de man van haar helft van de woning in het kader van een onderhoudsverplichting, bestaat geen aanleiding om bij de man de helft van het eigenwoningforfait als periodieke uitkering in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.637

(zaaknummer rechtbank 210247 / ES RK 10-841)

beschikking van de familiekamer van 6 december 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. M.B.M. Kaaij te Nijmegen,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. W.J. van der Kroon te Culemborg.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2011 en 29 februari 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 april 2012, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 29 februari 2012. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de man om vaststelling van kinderalimentatie wordt afgewezen, dan wel te bepalen dat de door haar aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen [kind 3] zal worden vastgesteld op nihil per 1 december 2011, dan wel dat de door haar te betalen bijdrage zal worden vastgesteld op een dusdanig bedrag dat het hof juist acht per 1 december 2011 en verder te bepalen dat de man de door haar teveel betaalde bijdrage binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan haar dient terug te betalen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 mei 2012, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het verzoek van de vrouw deels gegrond te verklaren en in het incidenteel hoger beroep zijn verzoek gegrond te verklaren, alsmede in het principaal en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw aan hem minimaal een kinderalimentatie van € 101,- per maand over de maanden december 2011 en januari 2012 zal betalen en vanaf 1 februari 2012 minimaal een kinderalimentatie van € 117,- per maand zal betalen, althans een kinderalimentatie die het hof juist acht, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 18 juli 2012, waarin zij het hof verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen.

2.4 Ter griffie van het hof is op 5 oktober 2012 binnengekomen een brief van mr. Van der Kroon van diezelfde datum met bijlagen.

2.5 [kind 3] heeft bij brief van 8 augustus 2012 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.7 Op 5 november 2012 is binnengekomen een brief van mr. Van der Kroon van 31 oktober 2012. Nu de mondelinge behandeling al was gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog brieven na te zenden slaat het hof geen acht op deze brief.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 14 april 1989 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 augustus 2011 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 30 november 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen z[kind 1]boren:

- [kind 1], verder te noemen “[kind 1]”, op [geboortedatum] 1989;

- [kind 2], verder te noemen “[kind 2]”, op [geboortedatum[ 1992, en

- [kind 3], verder te noemen “[kind 3]”, op [geboortedatum] 1996.

[kind 1] en [kind 2] zijn inmiddels meerderjarig. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind 3].

3.3 In voormelde beschikking van 23 augustus 2011 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beslissing op het verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie aangehouden.

3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang, bepaald dat de vrouw met ingang van 30 november 2011 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] met € 249,- per maand.

Ten aanzien van de vrouw

3.5 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1959, is alleenstaand. Het belastbare loon van de

vrouw bedraagt volgens de jaaropgave 2011 in dat jaar € 27.080,-.

3.6 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 48,95 aan ziektekosten in 2011:

- € 115,78 premie basisverzekering ZVW en premie aanvullende verzekering,

- € 14,17 eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 36,- per maand;

- € 55,27 aan ziektekosten in 2012:

- € 117,94 premie basisverzekering ZVW en premie aanvullende verzekering,

- € 18,33 eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 32,- per maand;

- € 7,31 aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ten aanzien van de man

3.7 De man, geboren op [geboortedatum] 1955, vormt met [kind 3] een gezin.

De man heeft in geheel 2011 een Ziektewetuitkering ontvangen. Het belastbare loon van de man bedraagt volgens de jaaropgave 2011 in dat jaar € 37.089,-.

De man ontvangt thans een WIA-uitkering volgens de specificatie van april 2012 € 2.897,32 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.8 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 98,17 aan ziektekosten in 2011:

- € 129,- premie basisverzekering ZVW en premie aanvullende verzekering,

- € 14,17 eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 45,- per maand voor een alleenstaande.

- € 102,98 aan ziektekosten in 2012:

- € 133,65 premie basisverzekering ZVW en premie aanvullende verzekering,

- € 18,33 eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande.

4. De motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.1 In geschil is de door de rechtbank met ingang van 30 november 2011 vastgestelde bijdrage van € 249,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3].

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [kind 3] in 2011 € 457,- per maand bedraagt, zodat die behoefte in rechte vaststaat. Geïndexeerd naar 2012 bedraagt de behoefte

€ 462,94 per maand.

4.3 Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

4.4 De vrouw stelt dat haar draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] te betalen. De man betwist dat.

4.5 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.6 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De vrouw heeft in 2011 en 2012 recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.7 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de vrouw voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.

4.8 Het hof houdt wat de woonlasten van de vrouw betreft in 2011 rekening met een huur van € 523,- per maand en met ingang van 1 januari 2012 met een huur van € 529,- per maand, zijnde het gemiddelde van de huur in dat jaar.

4.9 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de vrouw in de maand december 2011 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] van € 263,- per maand, inclusief een fiscaal voordeel van € 58,- per maand en met ingang van 1 januari 2012 van € 255,- per maand, inclusief een fiscaal voordeel van € 58,- per maand.

4.10 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.11 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof in 2011

rekening met zijn belastbaar loon volgens de jaaropgaaf 2011. Wat betreft 2012 verschillen partijen van mening per welke datum de man een WIA-uitkering ontvangt. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij het niet precies weet, maar dat het hof, zoals de vrouw stelt, met ingang van 1 maart 2012 rekening mag houden de WIA-uitkering. De man heeft niet de betalingsspecificaties van de ZW-uitkering in de maanden januari 2012 en februari 2012 overgelegd, zodat het hof voor de vaststelling van de ziektewetuitkering in de eerste twee maanden van 2012 uitgaat van dezelfde gegevens als in 2011. Met ingang van 1 maart 2012 betrekt het hof de WIA-uitkering in de beoordeling, blijkens de specificatie van april 2012 € 2.897,32 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van 7,1%.

Voor de periode dat de man een ziektewetuitkering ontvangt heeft hij recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande ouderkorting en de verhoging van de alleenstaande ouderkorting. Vanaf 1 maart 2012 heeft hij recht op de algemene heffingskorting en de alleenstaande ouderkorting.

4.12 De vrouw betoogt dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met een vermogen van minimaal € 48.500,-, aangezien de man in de boedelscheidingsprocedure stelt ter hoogte van dit bedrag een vordering op de gemeenschap te hebben. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat de vordering niet vaststaat en dat de man de vordering tegenover de betwisting van de vrouw nog moet bewijzen. Het hof is van oordeel dat de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat op dit moment sprake is van vermogen bij de man en - daarmee - evenmin dat de man rendement uit dit vermogen behaalt.

4.13 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.

4.14 De man woont in de echtelijke woning van partijen. Deze woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen. Aan deze woning is een hypothecaire geldlening verbonden op grond waarvan partijen € 502,39 per maand verschuldigd zijn aan de geldverstrekker. De man betaalt deze last. Op grond van de eigenwoningregeling kan de man, nu hij sinds het uiteengaan van partijen in de echtelijke woning woonachtig is gebleven, bij zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen als eigenaar de helft van het bedrag van € 502,39, dat wil zeggen € 251,-, als aftrekpost in verband met de eigen woning opvoeren. Daarnaast wordt rekening gehouden met de helft van het eigen woningforfait in 2011 van € 2.668,- en 2012 van € 2.910,-, dat wil zeggen € 1.334,- respectievelijk € 1.455,-. Ter zake van de andere helft van de door hem betaalde hypotheekrente, kan de man alleen aanspraak maken op een aftrekpost indien hij deze voor de vrouw betaalt in het kader van een onderhoudsverplichting jegens haar. Tijdens de mondelinge behandeling is niet aannemelijk geworden dat daarvan sprake is. Bovendien heeft de vrouw verklaard ter zake de voormalige echtelijke woning in haar belastingaangifte niets op te voeren: noch een belaste periodieke uitkering wegens levensonderhoud noch de helft van de hypotheekrente. Het hof houdt daarom in verband met de andere helft van de door de man betaalde hypotheekrente geen rekening met een aftrekpost. Nu evenmin sprake lijkt te zijn van verstrekking van het woongenot door de vrouw aan de man van haar helft van de woning in het kader van een onderhoudsverplichting, bestaat geen aanleiding om bij de man de helft van het eigenwoningforfait als periodieke uitkering in aanmerking te nemen. Wel houdt het hof aan de zijde van de man rekening met het forfaitair bedrag aan overige eigenaarslasten van € 95,- per maand.

4.15 De vrouw stelt dat de man recht heeft op het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Op basis van de hier voormelde gegevens berekent het hof het verzamelinkomen van de man in 2011 op € 37.089,- en in 2012 op € 40.215,-. De man heeft in 2011 recht op kindgebondenbudget van € 619,- per jaar en in 2012 van € 453,- per jaar. Gelet op voormelde verzamelinkomens heeft de man geen recht op zorgtoeslag in 2011 en 2012.

4.16 De man voert aan kosten voor [kind 2] € 25,- per maand op. Gebleken is dat zowel de man als de vrouw kosten maken voor de oudere kinderen. Nu de behoefte en behoeftigheid van deze kinderen niet zijn onderbouwd, laat het hof deze kosten buiten beschouwing voor de vaststelling van de draagkracht en de verhouding waarin partijen moeten bijdragen in de kosten van [kind 3].

4.17 Voor de berekening van de draagkracht maakt het hof onderscheid in twee perioden: de periode dat de man een ziektewetuitkering ontvangt en de periode dat hij is aangewezen op een WIA-uitkering. Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man in de periode dat hij een ziektewetuitkering ontvangt draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] van € 643,- per maand en met ingang van 1 maart 2012 van € 547,- per maand.

4.18 Verdeling van de behoefte van [kind 3] in 2011 van € 457,- per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de vrouw met ingang van 1 december 2011 een bijdrage van € 110,- per maand dient te leveren, waarbij rekening is gehouden met het feit dat de vrouw niet het fiscaal voordeel kan realiseren. Gelet op de behoefte van [kind 3] van € 462,94 in 2012, stelt het hof de bijdrage van de vrouw in de kosten van [kind 3] met ingang van 1 maart 2012 vast op € 147,- per maand, rekening houdend met het mogelijk te realiseren fiscaal voordeel.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als na te melden.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan het uit het huwelijk van partijen geboren kind betreft.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 februari 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] aan de man dient te voldoen:

- met ingang van 1 december 2011 € 110,- per maand, en

- met ingang van 1 maart 2012 € 147,- per maand, de toekomstige termijnen

telkens bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Roelvink-Verhoeff, A. Smeeïng-van Hees en A.E.F. Hillen, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 6 december 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.