Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY9678

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
200.110.811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is het noodzakelijk de kinderen blijvend te beschermen tegen de moeder door haar uit het gezag te ontzetten. Bij de kinderen zijn blauwe plekken op het lichaam geconstateerd. Verder zagen de kinderen er vuil uit; zij bleken niet bekend met in bad gaan en haren wassen. De moeder gaf de kinderen in plaats van reguliere maaltijden cola te drinken en chips te eten. Niet alleen is ernstige nalatigheid door de moeder in de dagelijkse verzorging van de kinderen geconstateerd, ook was sprake van affectieve verwaarlozing. Zo bleek bij aanvang van de begeleide bezoekregeling dat de moeder op eigen initiatief geen fysiek contact met de kinderen zocht. De vader is op 17 januari 2012 veroordeeld voor het plegen van seksuele handelingen met de (destijds) tweejarige kind 1. Ook zijn er vermoedens dat de vader kind 2 heeft misbruikt. Nu de moeder het seksueel misbruik van kind 1 niet heeft kunnen voorkomen, en zij ondanks de intensieve hulpverlening die haar is aangeboden de kinderen fysiek en affectief heeft verwaarloosd, acht het hof, evenals de raad, een minder verstrekkende maatregel zoals de moeder heeft verzocht, te weten jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen niet aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.110.811

(zaaknummer rechtbank 126533)

beschikking van de familiekamer van 20 december 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. E.M. Elfrink te Hengelo (O),

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Overijssel,

gevestigd te Almelo,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de raad”.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de vader”,

niet verschenen.

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Almelo,

verder te noemen “de stichting”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Almelo van 9 februari 2012, 5 april 2012 en 9 mei 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 31 juli 2012, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 9 mei 2012. De moeder verzoekt het hof bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad betreffende de ontzetting af te wijzen, dan wel een onderzoek te gelasten, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 september 2012, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De raad verzoekt het hof primair de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens en subsidiair, alleen indien het hof de bestreden beschikking zou vernietigen, de na te noemen kinderen onder toezicht te stellen van de stichting voor de periode van een jaar en om die kinderen uit huis te plaatsen bij een pleeggezin zoals vermeld in de indicatiebesluiten, voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2012 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en A.N. Spoon (woonbegeleidster moeder vanuit Saron). Namens de raad zijn K. Oude Essink Nijhuis (juridisch deskundige) en C.J. Wijting (gedragsdeskundige) verschenen. Namens de stichting zijn L. Hams (gezinsvoogd) en J. Remers verschenen. De vader is met berichtgeving vooraf niet verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de moeder is op [geboortedatum] 2008 [kind 1] geboren. Uit het in april 2012 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder met de vader is op [geboortedatum] 2010 [kind 2] geboren.

[kind 1] en [kind 2] zullen hierna gezamenlijk ook “de kinderen” worden genoemd. De vader heeft [kind 1] erkend, maar hij is niet de biologische vader van [kind 1].

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 3 februari 2012, heeft de raad verzocht primair de moeder en de vader te ontzetten uit het ouderlijk gezag over de kinderen met benoeming van de stichting tot voogd en subsidiair de kinderen onder toezicht te stellen van de stichting voor de periode van een jaar en de stichting te machtigen de kinderen uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3 De moeder en de vader hebben bij de rechtbank mondeling verweer gevoerd.

3.4 Bij tussenbeschikking van 9 februari 2012 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de kinderen van 15 februari 2012 tot 11 april 2012 onder toezicht gesteld met benoeming van de stichting als gezinsvoogdijinstelling en machtiging verleend tot plaatsing van de kinderen in een pleeggezin met ingang van 15 februari 2012 en voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.5 Bij tussenbeschikking van 5 april 2012 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de termijn voor de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 11 juni 2012, en de termijn voor de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een crisispleeggezin verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de moeder en de vader ontzet uit het ouderlijk gezag over de kinderen en de stichting tot voogd benoemd.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Op grond van artikel 1:269 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank indien dit in het belang van de kinderen noodzakelijk wordt geoordeeld een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van onder meer a. misbruik van het gezag of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer kinderen en b. slecht levensgedrag.

4.2 Het hof is van oordeel dat het in dit geval in het belang van de kinderen noodzakelijk is de moeder van het gezag over de kinderen te ontzetten, nu er sprake is van grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van de kinderen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het rapport van de raad van 2 februari 2012 is de moeder bekend met een verstandelijke beperking en psychische problematiek.

Van november 2008 tot november 2010 hebben de ouders met [kind 1] in de 24-uurs opvang van Zorggroep ’t Zadel gewoond. Vervolgens zijn de ouders met de kinderen in november 2010 begeleid zelfstandig gaan wonen bij Zorggroep ’t Zadel. In april 2011 heeft de moeder aangifte tegen de vader gedaan wegens seksueel misbruik van [kind 1]. In juli 2011 heeft de moeder zich aan de hulpverlening van Zorggroep ’t Zadel onttrokken en is zij met de kinderen naar een vriendin die zij kende van internet vertrokken. Bij terugkeer van de moeder op 11 november 2011 in de 24-uurs opvang, zijn bij de kinderen blauwe plekken op het lichaam geconstateerd. Verder zagen de kinderen er vuil uit; zij bleken niet bekend met in bad gaan en haren wassen. De moeder gaf de kinderen in plaats van reguliere maaltijden cola te drinken en chips te eten. Niet alleen is ernstige nalatigheid door de moeder in de dagelijkse verzorging van de kinderen geconstateerd, ook was sprake van affectieve verwaarlozing. Zo bleek, aldus de gezinsvoogd ter mondelinge behandeling bij dit hof, bij aanvang van de begeleide bezoekregeling dat de moeder op eigen initiatief geen fysiek contact met de kinderen zocht. Ook ontbreekt het de moeder aan inzicht in haar eigen aandeel in de problematiek van de kinderen. Zij wijt het grensoverschrijdend gedrag van [kind 1] en [kind 2] aan het feit dat zij hun moeder missen. Met de raad is het hof van oordeel dat het grensoverschrijdend gedrag van de kinderen te wijten is aan onveilige hechting en affectieve verwaarlozing.

De vader is op 17 januari 2012 veroordeeld voor het plegen van seksuele handelingen met de (destijds) tweejarige [kind 1]. Ook zijn er vermoedens dat de vader [kind 2] heeft misbruikt.

Nu de moeder het seksueel misbruik van [kind 1] niet heeft kunnen voorkomen, en zij ondanks de intensieve hulpverlening die haar is aangeboden de kinderen fysiek en affectief heeft verwaarloosd, is het naar het oordeel van het hof noodzakelijk de kinderen blijvend te beschermen tegen de moeder door haar uit het gezag te ontzetten. Een minder verstrekkende maatregel zoals de moeder heeft verzocht, te weten jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen, acht het hof, evenals de raad, niet aangewezen, gezien de grove verwaarlozing die heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat de moeder zich in het verleden heeft onttrokken aan hulpverlening.

4.3 Uit het voorgaande volgt dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

4.4 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking.

voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen. Het subsidiaire verzoek van de raad behoeft derhalve geen bespreking.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 9 mei 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, H.L. van der Beek en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 20 december 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.