Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY8188

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
11-00513
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:916, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Verplichte vrijval herinvesteringsreserve wegens belangenwijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 152
FutD 2013-0173 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2013/72
VNT 2013/13t.2.4
V-N 2013/13.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 11/00513 en 11/00514

uitspraakdatum: 4 december 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X Beheer BV gevestigd te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 mei 2011, nummers AWB 10/1439 en 10/1441, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2000 en 2004 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van respectievelijk

fl 15.494.122 en € 16.807.351. Daarbij zijn bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht van respectievelijk € fl 702.022 en € 987.447.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar bedrag van respectievelijk fl. 896.106 en € 11.583.909. De beschikkingen heffingsrente zijn verminderd tot respectievelijk fl. 40.295 en € 680.498.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) heeft de beroepen bij uitspraak van 26 mei 2011 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslag voor het jaar 2000 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van fl. 621.976 (€ 282.240), de aanslag voor het jaar 2004 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 6.899.927, en de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4. Belanghebbenden heeft bij brief van 4 juli 2011, ingekomen bij het Hof op

5 juli 2011, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012 te Arnhem. De zaken met de nummers 11/00501 tot en met 11/00519 zijn gezamenlijk behandeld, waarbij belanghebbende is vertegenwoordigd door A, bijgestaan door B en C. De Inspecteur is daar eveneens verschenen.

1.8. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van deze pleitnota’s is in deze uitspraak ingelast.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.10. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is op 12 juni 2012 een brief van belanghebbende met bijlagen bij het Hof binnengekomen. Het Hof heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen. De Inspecteur heeft op belanghebbendes brief gereageerd bij brief van 20 juni 2012.

1.11. Bij brief van 3 juli 2012 heeft het Hof aan partijen meegedeeld dat na heropening het onderzoek zich zal beperken tot de in 1.10 genoemde correspondentie en dat op de nadere zitting aan belanghebbende de gelegenheid wordt geboden tot uitvoering van een aanbod tot getuigenbewijs in de zaken 11/00516 (getuige D) en 11/00519 (getuige E).

1.12. De Inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2012 in de zaken 11/501 en 11/515 nadere overwegingen doen toekomen inzake het vormen en afboeken van een herinvesteringsreserve in relatie tot een belangenwijziging.

1.13. Belanghebbende heeft bij brief van 19 november 2012 meegedeeld dat de getuigen D en E niet zullen worden meegenomen naar de nadere zitting. Verder heeft belanghebbende enige bijlagen meegezonden.

1.14. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012 te Arnhem. De zaken met de nummers 11/00501 tot en met 11/00519 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door A, bijgestaan door B. De Inspecteur is daar eveneens verschenen. Van deze zitting is eveneens proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.15. Gelet op het beperkte onderzoek na heropening, slaat het Hof geen acht op de brief van de Inspecteur van 16 oktober 2012. Ook slaat het Hof om die reden geen acht op de brief van belanghebbende van 19 november 2012 voor zover daarin niet de aangelegenheden aan de orde zijn die in de in juni 2012 gevoerde correspondentie (zie 1.10) naar voren zijn gebracht.

2. Feiten

2.1. Door middel van een juridische fusie zijn met ingang van 1 januari 2004 negen vennootschappen opgegaan in belanghebbende als verkrijgende vennootschap. Per die datum hadden een aantal verdwijnende vennootschappen een herinvesteringsreserve gevormd.

2.2. De aandelen in belanghebbende waren tot 4 juni 2004 volledig in het bezit van de zogenoemde F-groep. Vanaf deze datum zijn alle 20 gewone aandelen (middellijk) in handen van A, zijn de twee prioriteitsaandelen in bezit van Stichting Prioriteit X van welke stichting F en A bestuurslid zijn, en zijn alle certificaten van de 48 cumulatief preferente aandelen in handen van F. Alle aandelen hebben een nominale waarde van € 227. Volgens partijen is het belang bij het nominale aandelenkapitaal in X Beheer BV op 4 juni 2004 derhalve voor 20/68, ofwel 29,4% gewijzigd. A is met ingang van 4 juni 2004 benoemd tot enig bestuurder van X Beheer BV.

2.3. De cumulatief preferente aandelen geven recht op een aandeel in de winst van X Beheer BV tot 7% van de nominale waarde van die aandelen. De prioriteitsaandelen geven recht op een vergoeding ter grootte van de wettelijke rente. Aan de cumulatief preferente aandelen komt daarnaast 10% van de resterende winst van de vennootschap toe (verminderd met het primair dividend van 7%). De resterende winst komt toe aan de houder van de gewone aandelen.

2.4. Voor de feiten ten aanzien van het compromis verwijst het Hof naar de uitspraak van heden met registratienummers 11/00502 tot en met 11/00510, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat als hij op grond van voornoemde hofuitspraak het compromis moet nakomen, dat dan ook geldt ten aanzien van belanghebbende.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de tot 2003 gevormde herinvesteringsreserves terecht in 2004 aan de winst zijn toegevoegd. In het bijzonder is daarbij in geschil of in 2004 het uiteindelijke belang in belanghebbende in belangrijke mate is gewijzigd, ten gevolge waarvan artikel 15e Wet Vpb (vanaf 2007 artikel 12a Wet Vpb) toepassing vindt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag voor het jaar 2004 en vernietiging van de beschikking heffingsrente over dat jaar.

3.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4. Gelet op het bij de Rechtbank overeengekomen compromis heeft belanghebbende ter zitting haar hoger beroep inzake de aanslag voor het jaar 2000 (nummer 11/00514) ingetrokken.

4. Beoordeling van het geschil

Belangwijziging

4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat A op 4 juni 2004 een belang van 29,4% bij het nominale aandelenkapitaal in belanghebbende heeft verkregen, dat de (certificaten van de) 48 cumulatief preferente aandelen in handen zijn gebleven van F, dat deze aandelen bij voorrang recht geven op een primair dividend van 7% (van 48 aandelen × € 227 nominale waarde), ofwel € 763 per jaar, dat de winstgerechtigdheid van deze cumulatief preferente aandelen is beperkt tot 10% van de winst van belanghebbende, dat de door A verkregen gewone aandelen recht geven op 90% van de winst, en dat dientengevolge het financiële belang, en daarmee het uiteindelijke belang, in belanghebbende per 4 juni 2004 in belangrijke mate – dat wil zeggen ten minste voor 30% – is gewijzigd. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank, zodat belanghebbendes andersluidende standpunt wordt verworpen.

4.2. Ook belanghebbendes betoog omtrent het compromis kan niet slagen. Voor de daartoe gebezigde gronden verwijst het Hof naar de uitspaak van heden met registratienummers 11/00502 tot en met 11/00510.

4.3. Het vorenstaande brengt mee dat de ultimo 2003 gevormde herinvesteringsreserves op grond van artikel 15e Wet Vpb in 2004 ten bate van de winst dienen vrij te vallen.

Hoorplicht

4.4. Belanghebbende heeft betoogd dat de Inspecteur de hoorplicht van artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft geschonden. Dit betoog kan niet slagen. Naar aanleiding van het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 heeft immers op 8 december 2009 een hoorgesprek plaatsgevonden. Gelet daarop is van een schending van het bepaalde in artikel 25 AWR geen sprake.

Mandaatvoorschrift

4.5. Verder heeft belanghebbende gesteld dat het mandaatvoorschrift van artikel 10:3, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. De Inspecteur heeft in hoger beroep (bijlage 1 bij verweerschrift) een lijst ingebracht waarop de namen zijn vermeld van degenen die de aanslagen hebben opgelegd, en degenen die de bezwaarschriften hebben behandeld. Verder heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat de door belanghebbende bedoelde ambtenaar een coördinerende rol heeft gespeeld bij de behandeling van de procedures met betrekking tot de vennootschappen van het X-concern, maar dat die rol niet zo ver heeft gestrekt dat er ook een inhoudelijke betrokkenheid is geweest bij de afhandeling van de verschillende dossiers. Gelet op voornoemde namenlijst en verklaring acht het Hof aannemelijk dat de behandeling van de bezwaarschriften door andere personen is geschied dan de personen die betrokken zijn geweest bij de aanslagregeling. Dat belanghebbendes gemachtigde op 3 mei 2005 een antwoordbrief heeft gestuurd aan de door belanghebbende bedoelde ambtenaar, leidt niet tot een ander oordeel. Van een schending van het mandaatvoorschrift van artikel 10:3, lid 3, Awb is derhalve geen sprake.

Getuigenbewijs

4.6. Belanghebbende heeft een aanbod gedaan tot getuigenbewijs. Ter zitting heeft belanghebbende de heren A en C meegebracht. Zij hebben ter zitting verklaringen afgelegd. Desgevraagd heeft belanghebbende verklaard dat daarmede het getuigenbewijs gestand is gedaan.

Heffingsrente

4.7. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door geen oplossing aan te dragen voor de ontstane situatie, zodat berekening van heffingsrente achterwege moet blijven. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur hiertoe niet gehouden, zodat van onzorgvuldig handelen geen sprake is. Het Hof vindt hierin dan ook geen aanleiding de beschikkingen heffingsrente te vernietigen.

Slotsom

4.8. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.J. Peters, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 5 december 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.