Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY8185

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
12-00162
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

Chalet is een onroerende zaak. Geen schending gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 157
FutD 2013-0219
V-N Vandaag 2013/66
Belastingblad 2013/48
V-N 2013/21.30

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 12/00162

uitspraakdatum: 11 december 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 februari 2012, nummer 11/1262 WOZ

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van het object a-straat 1-S001 te Q, per waardepeildatum 1 januari 2010 en voor het kalenderjaar 2011, vastgesteld op € 40.000. Tegelijk met deze beschikking is voorts de aanslag rioolheffing voor het jaar 2011 vastgesteld op € 21,68.

1.2 Het bezwaar tegen de beschikking en de aanslag is door de Ambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 februari 2012 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de hiervoor genoemde beschikking, hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede de nadere stukken die op 11 oktober 2012 van belanghebbende zijn ontvangen en op dezelfde dag in kopie aan de Ambtenaar zijn doorgezonden.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen belanghebbende alsmede de Ambtenaar.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is (mede)eigenaar en gebruiker van een op het recreatiepark Q gelegen chalet. Het chalet heeft een oppervlakte van 42 m² en is gelegen op een perceel van 170 m² dat rondom is afgezet door een haag. Het chalet is voorzien van wielen. Het heeft een aangebouwde veranda en is aangesloten op de openbare nutsvoorzieningen. Op het perceel is een tuin aangelegd alsmede een eigen parkeerplaats. Voorts is op het perceel een tuinhuisje/blokhut geplaatst. Vanuit het chalet wordt afvalwater afgevoerd op het rioolsysteem van het recreatiepark dat op zijn beurt weer uitmondt op het rioleringssysteem van de gemeente Apeldoorn.

2.2 De Ambtenaar heeft ter zake van het chalet een waardebeschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) voor het jaar 2011 afgegeven. In hetzelfde geschrift is de aanslag rioolheffing bekendgemaakt.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Ambtenaar de WOZ-waarde van het chalet juist heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vragen of het chalet is aan te merken als een onroerende zaak en, bij bevestigende beantwoording van die vraag, of niettemin bij het vaststellen van de waarde van het object, de waarde van de opstal buiten beschouwing moet blijven op grond van het gelijkheidsbeginsel. Indien het gelijk aan de Ambtenaar is, is in hoger beroep de hoogte van de door de Ambtenaar vastgestelde waarde niet langer in geschil.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en – naar het Hof begrijpt – in beide door hem verdedigde standpunten tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 15.000.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Gelijk de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, dient voor de beantwoording van de vraag of het chalet onroerend is, te worden aangesloten bij de civielrechtelijke criteria daarvoor.

4.2 Een gebouw of werk kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Staat vast dat een gebouw of werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven dan is de technische mogelijkheid om het bouwsel te verplaatsen niet meer van belang. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer of degene in wiens opdracht het bouwwerk is aangebracht voor zover deze naar buiten kenbaar is (vgl. HR 31 oktober 1997, nr. 16404, LJN ZC2478, onder meer gepubliceerd in NJ 1998, 97).

4.3 Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het chalet naar aard en inrichting, blijkens de naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer of degene die opdracht tot plaatsing heeft gegeven, was bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Het Hof neemt die gronden over en maakt die tot de zijne. Het Hof is dan ook met de Rechtbank van oordeel dat het chalet is aan te merken als een onroerende zaak in de zin van artikel 3:3 BW. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep op dat punt nog heeft aangevoerd leidt niet tot een andere conclusie. Met name is daarbij niet van belang dat het chalet is geplaatst op, aan het zicht ontrokken, wielen (zie het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad) en dat destijds voor de bouw van het chalet een bouwvergunning niet was vereist. Het al dan niet aanwezig of noodzakelijk zijn van een bouwvergunning is immers niet een omstandigheid die kenbaar is uit de aard en de inrichting van het chalet.

4.4 Nu de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, is aan de orde of de waarde niettemin te hoog is vastgesteld omdat de Ambtenaar bij de vaststelling van de waarde, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, ook de waarde van de opstal heeft betrokken.

4.5 Belanghebbende verwijst naar een opmerking van de Ambtenaar in het verweerschrift in eerste aanleg dat “Eigenaren van chalets op huurkavels (…) inderdaad niet [worden] aangeslagen voor de opstallen.” en stelt – naar het Hof begrijpt en zakelijk weergegeven – dat de Ambtenaar kennelijk het op een onjuiste rechtsopvatting berustende beleid voert dat bij eigenaren van chalets op gehuurde grond de opstalwaarde buiten aanmerking blijft. Belanghebbende verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2005, nr. 31.183, LJN AQ7093, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/275 (hierna: het arrest uit 2005). Nu de gemeente haar beleid nadien niet heeft gewijzigd maar daartoe geruime tijd wel de mogelijkheid heeft gehad, beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel. In zijn reactie van 10 oktober 2012 op het verweerschrift van de Ambtenaar is belanghebbende, met verwijzing naar een viertal voorbeelden, ingegaan op het standpunt van de Ambtenaar dat in het geval van huurkavels de grond wordt betrokken in de waardering van het park, een en ander met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ.

4.6 Aan de hand van de vier bedoelde voorbeelden heeft de Ambtenaar ter zitting van het Hof verduidelijkt dat door hem steeds wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van grond en opstal tezamen, indien grond en opstal eigendom zijn van dezelfde eigenaar of indien sprake is van een zakelijk recht van opstal. Niet in geschil is dat in het geval van belanghebbende grond en opstal eigendom zijn van dezelfde eigenaar (te weten belanghebbende).

4.7 In het geval sprake is van gehuurde grond en de opstal eigendom is van de huurder tengevolge van een van huur afhankelijk recht van opstal, worden grond en opstal door de Ambtenaar afzonderlijk gewaardeerd. Degene die het afhankelijke recht van opstal heeft, krijgt een afzonderlijke WOZ-beschikking voor de waarde van de opstal. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Ambtenaar het volgende opgemerkt:

"(…)

Na de introductie van artikel 16 onderdeel e van de Wet WOZ op 1 januari 2005 is dit arrest (Hof: het arrest uit 2005) echter niet langer van toepassing. Artikel 16 onderdeel e Wet WOZ schrijft voor dat de gemeente de parkeigenaar een WOZ-beschikking oplegt voor het gehele park op basis van de exploitatiewaarde. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2005 bij vakantiewoningen op huurkavels afbakening als afzonderlijk object achterwege blijft. De handelwijze van de gemeente Apeldoorn om huurkavels niet aan te slaan stoelt dus niet – zoals belanghebbende suggereert – op beleid dat gebaseerd is op een onjuiste rechtsopvatting, maar op de tekst van artikel 16 van de Wet WOZ. Het is dus correct dat bij huurkavels niet de huurder van de kavel de WOZ-beschikking krijgt voor de grond maar de eigenaar van het park. (…) Van een ongelijke behandeling (Hof: van belanghebbende) ten opzichte van eigenaren van woningen van huurkavels is geen sprake. (…)

4.8 Uit de stukken van het geding en de daarop door de Ambtenaar ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de Ambtenaar in het geval van verhuur van grond door de parkeigenaar slechts de waarde van die grond betrekt in een aan de parkeigenaar af te geven WOZ-beschikking zonder daarin ook de waarde van de opstal te betrekken, een en ander gebaseerd op een uitleg van artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ. Daarop voortbordurend hanteert de Ambtenaar het beleid om in dat geval aan degene die op grond van een huurafhankelijk recht van opstal een chalet op die grond heeft gebouwd, een beschikking te geven met betrekking tot de waarde van die opstal. Die werkwijze, die naar de Ambtenaar meent rechtstreeks voortvloeit uit de Wet WOZ, getuigt naar het oordeel van het Hof weliswaar van een onjuiste rechtsopvatting, doch is niet – zoals het geval was in het arrest uit 2005 – gebaseerd op een onjuiste uitleg van het wettelijk begrip onroerend, maar op een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ. De onjuistheid van de hierboven weergegeven rechtsopvatting van de Ambtenaar met betrekking tot dit wetsartikel is niet uit eerdere (gepubliceerde) rechtspraak gebleken. Het Hof acht het daarom aannemelijk dat dit beleid zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven, zodat belastingplichtigen die niet tot die bepaalde groep behoren (zoals belanghebbende, eigenaar van een stacaravanchalet dat op eigen grond staat) niet met vrucht een beroep kunnen doen op toepassing van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur.

De onderhavige waardebeschikking, waarvan de juistheid voor het overige niet is aangevochten, dient derhalve in stand te blijven.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P. Eringa, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.

De beslissing is op 11 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.