Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY8184

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
12-00379
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting.

Kenbaarheid betaald parkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 156
FutD 2013-0226
Belastingblad 2013/71
V-N Vandaag 2013/71

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 12/00379

uitspraakdatum: 11 december 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2012, nummer AWB 11/5276,

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van € 54,15 (waarvan € 2,15 aan parkeerbelasting en € 52 aan kosten van de naheffingsaanslag).

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 juni 2012 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2012 te Arnhem. Daarbij is de Ambtenaar verschenen en gehoord. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Op donderdag 27 januari 2011 heeft belanghebbende zijn motorvoertuig met het kenteken AA-BB-00 geparkeerd aan de a-straat te Q. De a-straat is aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd.

2.2 De in de a-straat aanwezige bebording vermeldt het volgende:

“Automaat: [ ]

Locatie: a-straat

[Hof: Plattegrond met de locaties van de in de directe omgeving gelegen parkeermeters]

Koopzondag(en):

(…)

Tarieven:

Normaal tarief: Maandag t/m vrijdag € 2,15 per uur

Zaterdag en koopzondag € 2,35 per uur

Bezoekerstarief: Maandag t/m zaterdag € 0,80 per uur

Koopzondag € 0,80 per uur

Dagkaart € 2,00

(bezoekers tarief alleen in combinatie met bezoekersvergunning)

Storingen:

Bij storing bel (…)”

2.3 Via de knop ‘Tarief info’ op de parkeermeter kan informatie worden verkregen over de geldende tarieven en de tijden waarop parkeerbelasting verschuldigd is.

2.4 De parkeercontroleur van de gemeente Nijmegen heeft op 27 januari 2011 om 19:36 uur geconstateerd dat geen geldig betaalbewijs zichtbaar aanwezig was in het voertuig van belanghebbende. Aan belanghebbende is vervolgens een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd van € 54,15.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelastingen aan belanghebbende heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ter plaatse onvoldoende duidelijk was dat op donderdagavond voor het parkeren diende te worden betaald. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

3.3 De Ambtenaar verdedigt het tegenovergestelde standpunt en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 7 van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2011 (hierna: de Verordening), geschiedt de aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Ook ter plaatse dient echter voldoende duidelijk te zijn dat voor het parkeren dient te worden betaald door middel van het in werking stellen van een parkeerautomaat (HR 22 november 1995, nr. 30 141, LJN AA3126, BNB 1996/27).

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende geen parkeerbelasting heeft voldaan, terwijl hij op grond van de Verordening en het daarbij behorende Aanwijzingsbesluit betaald parkeren 2011 wel parkeerbelasting verschuldigd was. Het geschil beperkt zich tot het antwoord op de vraag of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor belanghebbende voldoende kenbaar was.

4.3 Belanghebbende voert in dat verband aan dat de gemeente heeft verzuimd om op de aanwezige bebording de koopavonden te vermelden. Nu uit de bebording geen belastingplicht volgde, zag hij ook geen aanleiding om op de knop ‘Tarief info’ op de parkeermeter te drukken. De term ‘Tarief info’ doet immers vermoeden dat op deze wijze uitsluitend informatie over de hoogte van het geldende tarief kan worden verkregen.

4.4 De Ambtenaar erkent dat de koopavonden niet worden genoemd, maar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende nader onderzoek had moeten doen. Hij wijst er in dat verband op dat uit de aanwezige bebording niet kon worden afgeleid dat op donderdagavond geen parkeerbelasting verschuldigd was, dat het in bijna alle grote steden op donderdagavond koopavond is en dat in bijna alle centra van grote steden voor het parkeren dient te worden betaald. Ook het feit dat de winkels gevestigd aan de a-straat geopend waren, had voor belanghebbende aanleiding moeten zijn om extra alert te zijn en nader onderzoek te doen. Uit het enkele indrukken van de knop ‘Tarief info’ zou zijn gebleken dat op donderdagavond tot 21:00 parkeerbelasting verschuldigd was.

4.5 Naar het oordeel van het Hof heeft de Ambtenaar aannemelijk gemaakt dat het ter plaatse voldoende duidelijk was dat voor het parkeren diende te worden betaald. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende niet bestrijdt dat hij de bebording en de parkeermeter heeft gezien. Belanghebbende was zich er derhalve van bewust dat hij parkeerde op een locatie waar – in ieder geval op sommige momenten – parkeerbelasting verschuldigd was. De aanwezige bebording vermeldde dat op donderdagen een tarief gold van € 2,15 per uur, zonder dat nader te preciseren. Gelijk de Ambtenaar betoogt kon uit de bebording derhalve niet worden afgeleid dat op donderdagavond geen parkeerbelasting hoefde te worden voldaan. Dat de koopavonden niet expliciet waren vermeld, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende daarom tot betaling moeten overgaan dan wel nader onderzoek naar de belastingplicht moeten doen. Als belanghebbende op de knop ‘Tarief info’ zou hebben gedrukt of de parkeermeter in werking zou hebben gesteld, zou zijn gebleken dat op dat moment parkeerbelasting verschuldigd was.

4.6 Nu het belanghebbende duidelijk had moeten zijn dat hij parkeerbelasting verschuldigd was en betaling daarvan achterwege is gebleven, heeft de Ambtenaar terecht de naheffingsaanslag opgelegd.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. M.J. Peters, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 11 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 december 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.