Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY8174

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
12/00331
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting.

Vestiging zakelijk recht van vruchtgebruik op appartementsrecht. Belastbaar feit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/229 met annotatie van Wolf
FutD 2013-0153
V-N Vandaag 2013/58
V-N 2013/12.2.4
VNT 2013/12t.2.4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 12/00331

uitspraakdatum: 18 december 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 10 mei 2012, nummer AWB 11/2843, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Heffingsambtenaar in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 8 juni 2012 ter griffie ingekomen.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012 te Arnhem. Belanghebbende en de Inspecteur zijn daar verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Bij notariële akte van 15 april 2004 heeft A het appartementsrecht van de bovenwoning aan de a-straat 1 te Z verkregen. In deze akte is tevens ten behoeve van belanghebbende een zakelijk recht van vruchtgebruik gevestigd op dit appartementsrecht. De koopsom van het recht van vruchtgebruik was € 107.250. Ten aanzien van het recht van vruchtgebruik zijn A (in de akte aangeduid als koper) en belanghebbende onder meer het volgende overeengekomen:

‘Artikel 11

Koper garandeert mevrouw A voornoemd, indien zij zulks te kennen geeft zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, het bij deze akte verleende vruchtgebruik op basis van zaaksvervanging te verlenen op het appartementsrecht, plaatselijk bekend als a-straat 2 te (...) Z. (…)’

2.2. Bij notariële akte van 30 oktober 2009 met de titel ‘akte van afstand en vestiging vruchtgebruik bij wege van zaaksvervanging’ heeft A ten behoeve van belanghebbende een zakelijk recht van vruchtgebruik gevestigd op het appartementsrecht van de benedenwoning aan de a-straat 2 te Z. Als tegenprestatie heeft belanghebbende afstand gedaan van het zakelijk recht van vruchtgebruik op het appartementsrecht van de bovenwoning a-straat 1 te Z.

2.3. Op 30 oktober 2009 heeft het recht van vruchtgebruik op het appartementsrecht a-straat 1 een waarde van € 105.000. Het recht van vruchtgebruik op het appartementsrecht a-straat 2 heeft een waarde van € 106.500. Overdrachtsbelasting is voldaan over het verschil in waarde tussen beide rechten van vruchtgebruik.

2.4. De Inspecteur heeft aan Van Meulen een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd in verband met de afstand door belanghebbende van haar recht van vruchtgebruik op het appartementsrecht van de bovenwoning a-straat 1 te Z. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:

waarde van het verkregene € 105.000 (€ 175.000 * 60%) à 6% € 6.300

reeds geheven € 0

Na te heffen € 6.300

2.5. Daarnaast heeft de Inspecteur ter zake van de verkrijging van het recht van vruchtgebruik op het appartementsrecht a-straat 2 aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van eveneens € 6.300. Deze is als volgt berekend:

waarde van het verkregene € 106.500 (€ 177.500 * 60%) à 6% € 6.390

reeds geheven € 1.500 à 6% € 90

Na te heffen € 6.300

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het vruchtgebruik op a-straat 2 de voortzetting is van het eerder door haar verkregen vruchtgebruik op a-straat 1, waarbij slechts het object van het vruchtgebruik is vervangen. Deze voortzetting kan, aldus belanghebbende, niet worden aangemerkt als verkrijging in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR). Weliswaar is bij akte van 30 oktober 2009 een vruchtgebruik gevestigd tegen afstand van een ander vruchtgebruik en zonder bijbetaling, maar dat neemt niet weg dat in feite sprake is van niet meer dan vervanging van de zaak waarop het vruchtgebruik is gevestigd. Een dergelijke (zaaks)vervanging moet sinds de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) in 1992 geschieden bij notariële akte, terwijl zij voordien vormvrij was. Belanghebbende stelt dat vóór 1992 ter zake van een dergelijke (zaaks)vervanging geen overdrachtsbelasting was verschuldigd. Aan de gevolgen van dit verschil voor de heffing van overdrachtsbelasting is bij de invoering van het NBW geen aandacht geschonken, daarom moet ervan worden uitgegaan dat de wetgever heeft beoogd ook na de invoering van het NBW geen overdrachtsbelasting te heffen in gevallen als het onderhavige, aldus nog steeds belanghebbende.

4.2. Belanghebbende heeft bij de hiervoor aangehaalde akte van 30 oktober 2009 het vruchtgebruik verkregen van het appartementsrecht van de benedenwoning a-straat 2. Dit is een verkrijging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WBR, ook als deze verkrijging zou moeten worden gezien als onderdeel van de vervanging van het object van het vruchtgebruik van belanghebbende. Gelet op de duidelijke wettekst doet daaraan niet af dat een dergelijke vervanging, naar belanghebbende stelt, vóór 1992 niet aan de heffing van overdrachtsbelasting zou zijn onderworpen.

4.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

4.4. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 18 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.