Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY8170

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
11-00516
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Navordering. Geen ambtelijk verzuim. Vrijval herinvesteringsreserve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013/423 met annotatie van Kerckhoffs
FutD 2013-0173 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2013/62
V-N 2013/13.2.2
VNT 2013/13t.2.2

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00516

uitspraakdatum: 4 december 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X BV, gevestigd te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 mei 2011, nummer AWB 10/42, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 108.275. Daarbij is

€ 9.020 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 26 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbenden heeft bij brief van 4 juli 2011, ingekomen bij het Hof op

5 juli 2011, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012 te Arnhem. De zaken met de nummers 11/00501 tot en met 11/00519 zijn gezamenlijk behandeld, waarbij belanghebbende is vertegenwoordigd door A, bijgestaan door B en C. De Inspecteur is daar eveneens verschenen.

1.8. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van deze pleitnota’s is in deze uitspraak ingelast.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.10. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is op 12 juni 2012 een brief van belanghebbende met bijlagen bij het Hof binnengekomen. Het Hof heeft hierin aanleiding gezien het onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) te heropenen. De Inspecteur heeft op belanghebbendes brief gereageerd bij brief van 20 juni 2012.

1.11. Bij brief van 3 juli 2012 heeft het Hof aan partijen meegedeeld dat na heropening het onderzoek zich zal beperken tot de in 1.10 genoemde correspondentie en dat op de nadere zitting aan belanghebbende de gelegenheid wordt geboden tot uitvoering van een aanbod tot getuigenbewijs in de zaken 11/00516 (getuige D) en 11/00519 (getuige E).

1.12. De Inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2012 in de zaken 11/501 en 11/515 nadere overwegingen doen toekomen inzake het vormen en afboeken van een herinvesteringsreserve in relatie tot een belangenwijziging.

1.13. Belanghebbende heeft bij brief van 19 november 2012 meegedeeld dat de getuigen D en E niet zullen worden meegenomen naar de nadere zitting. Verder heeft belanghebbende enige bijlagen meegezonden.

1.14. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012 te Arnhem. De zaken met de nummers 11/00501 tot en met 11/00519 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is daar vertegenwoordigd door A, bijgestaan door B. De Inspecteur is daar eveneens verschenen. Van deze zitting is eveneens proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.15. Gelet op het beperkte onderzoek na heropening, slaat het Hof geen acht op de brief van de Inspecteur van 16 oktober 2012. Ook slaat het Hof om die reden geen acht op de brief van belanghebbende van 19 november 2012 voor zover daarin niet de aangelegenheden aan de orde zijn die in de in juni 2012 gevoerde correspondentie (zie 1.10) naar voren zijn gebracht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft in 1998 een vervangingsreserve (vanaf 2001 herinvesteringsreserve) gevormd van fl. 107.845 ter zake van de verkoop van een onroerende zaak.

2.2. In een brief van 6 december 2002 heeft de Inspecteur aan de toenmalige gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

“(…). Tijdens het overleg heeft de Belastingdienst aangegeven dat er geen generaal uitstel zal worden verleend voor de aanwending van de bestaande vervangingsreserves/ herinvesteringsreserves tot 31 december 2004. Voor de vervangingsreserves/ herinvesteringsreserves die in 2002 aangewend zouden moeten worden, wordt uitstel verleend tot 31 december 2003. In overige gevallen zal van jaar tot jaar beoordeeld moeten worden òf en in hoeverre de termijn voor vervanging verlengd kan worden. Een en ander behoudens de toepassing van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.(…).”

2.3. Belanghebbende is op 23 september 2003 ontbonden.

2.4. In een brief van 14 april 2009 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

“(…). U heeft mij een kopie overhandigd, zij bijlage 1, waarop alle vennootschappen en twee CV’s staan vermeld, die onder het begrip de F-groep vallen naar de situatie 31-12-2003. Hierbij moet worden opgemerkt dat [belanghebbende] op de lijst staat genoemd maar dat deze BV op 23-09-2003 is ontbonden en dus moet worden verwijderd uit deze opsomming. (…).”

2.5. In een brief van 18 mei 2009 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

“(…). In de bespreking van afgelopen woensdag 13de mei 2009, zijn wij tot de conclusie gekomen dat de bepalingen in de conceptvaststellingsovereenkomst voldoende duidelijk zijn. (…).”

2.6. De Inspecteur heeft zich bij het vaststellen van de navorderingsaanslag op het standpunt gesteld dat als gevolg van de ontbinding van belanghebbende de herinvesteringsreserve in het onderhavige jaar 2003 ten bate van de winst dient vrij te vallen.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Inspecteur met betrekking tot de correctie van de herinvesteringsreserve beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit, dan wel sprake is van kwade trouw bij belanghebbende. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.2. Verder is in geschil of de herinvesteringsreserve reeds in 2002 had moeten vrijvallen.

3.3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende is uitgesloten van toepassing van het compromis. Belanghebbende heeft immers ter zitting beaamd dat blijkens het compromisvoorstel van 18 mei 2009 zij uitdrukkelijk is uitgesloten van toepassing van het compromis.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingaanslag en vernietiging van de beschikking heffingsrente.

3.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Navordering

4.1. Belanghebbende betoogt dat aan de aanslagregelend ambtenaar mondeling is gemeld dat belanghebbende reeds was ontbonden. Nu de Inspecteur bij het vaststellen van de (primitieve) aanslag geen rekening heeft gehouden met deze informatie, is volgens belanghebbende sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat.

4.2. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, LJN BL7165, BNB 2010/155, en HR 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227). Voornoemde zorgvuldigheid brengt mee dat de inspecteur de in de aangifte opgenomen posten vergelijkt met de relevante gegevens die in het dossier van de belastingplichtige bij hem aanwezig zijn (vgl. HR 25 juni 1958, nr. 13.596, LJN AY1185, BNB 1958/255).

4.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte geen melding gemaakt van de ontbinding. Sterker nog, belanghebbende heeft in zijn aangifte ultimo 2003 – in weerwil van de ontbinding - een herinvesteringsreserve aangegeven.

4.4. Belanghebbende heeft ter zitting een aanbod gedaan tot getuigenbewijs. De heer D – tot juni 2004 commissaris van de F-groep – zou kunnen verklaren dat aan de aanslagregelend ambtenaar informatie was verstrekt over de ontbinding. Het Hof heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om op nadere zitting het getuigenbewijsaanbod gestand te doen. Belanghebbende heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het Hof acht, nu bewijs daarvoor ontbreekt, niet aannemelijk dat aan de aanslagregelend ambtenaar mondeling was gemeld dat belanghebbende reeds was ontbonden. De Inspecteur kon daarmee dan ook geen rekening houden bij het vaststellen van den (primitieve) aanslag. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake.

4.5. Bovendien acht het Hof belanghebbende te kwader trouw. Belanghebbende was bekend met haar ontbinding. Dientengevolge was zij ermee bekend dat zij, wanneer zij de aangifte deed zoals zij heeft gedaan, de aanmerkelijke kans liep dat de aangifte wat betreft de herinvesteringsreserve onjuist was en zich dus willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen. Dit brengt mee dat belanghebbende te kwader trouw is en dat ook om die reden navordering is toegestaan.

Vrijval herinvesteringsreserve in 2002

4.6. Belanghebbende heeft gesteld dat de herinvesteringsreserve uiterlijk 31 december 2002 had moeten vrijvallen. De Inspecteur heeft daarentegen gesteld dat vrijval van de reserve – als gevolg van het in de brief van 6 december 2002 verleende uitstel – in 2003 dient plaats te vinden.

4.7. De Inspecteur heeft met zijn verwijzing naar de brief van 6 december 2002 (zie 2.2.) aannemelijk gemaakt dat voor de aanwending van de herinvesteringsreserve uitstel is verleend tot 31 december 2003. Vrijval van deze reserve in 2002 is derhalve niet aan de orde.

Heffingsrente

4.8. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door geen oplossing aan te dragen voor de ontstane situatie, zodat berekening van heffingsrente achterwege moet blijven. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur hiertoe niet gehouden, zodat van onzorgvuldig handelen geen sprake is. Het Hof vindt hierin dan ook geen aanleiding de beschikking heffingsrente te vernietigen.

Slotsom

4.9. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.J. Peters, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 5 december 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.