Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY7768

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
P12/0261
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opmerking ten overvloede van het hof.

Het huidige vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid wringt in deze zaak met art. 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Gelet op de status van ongewenst vreemdeling van de terbeschikkinggestelde wordt in de praktijk geen machtiging tot enige vorm van verlof verleend, niet als een voorbereiding op terugkeer in de samenleving én niet op humanitaire gronden.

Beëindiging van de terbeschikkingstelling zonder meer stuit evenwel af op het recidivegevaar hier te lande alsmede op het gebrek aan een passende voorziening in (land van herkomst), indien betrokkene al toegang krijgt tot dat land.

De terbeschikkinggestelde heeft een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring ingediend bij de IND. Daarmee bestaat er nog de mogelijkheid van een voortgezet verblijf na een (mogelijke) opheffing van de ongewenstverklaring. Ook is niet uitgesloten dat de staatssecretaris of minister van justitie in de toekomst ten aanzien van deze problematiek een gewijzigd standpunt zal innemen. Voor de terbeschikkinggestelde is daardoor thans nog enig perspectief aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/76

Uitspraak

TBS P12/0261

Beslissing d.d. 3 december 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

(naam terbeschikkinggestelde)

geboren te (plaats) (land van herkomst) op 10 maart 1978,

verblijvende in (instelling) te (plaats).

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 mei 2012, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het verlengingsadvies van (instelling) van 14 maart 2012;

- de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 6 april 2012;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van hoger beroep van de terbeschikkinggestelde van 31 mei 2012;

- de aanvullende informatie van (instelling) van 3 september 2012;

- een proces-verbaal van het onderzoek in openbare raadkamer van dit hof van 13 september 2012 en de ter zitting door de raadsman overgelegde stukken;

- een bericht van DFZ, afdeling plaatsing, van 16 november 2012.

Het hof heeft ter terechtzitting van 19 november 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr L.S.Th.H. Ruijters, advocaat te Eindhoven, deskundige D.A.H. Adriaanse, verbonden aan (instelling), deskundige P. de Jong, verbonden aan Veldzicht en DJI en de advocaat-generaal mr A.A. Schut.

Overwegingen:

Het standpunt van de deskundigen

De heer Adriaanse heeft ter zitting medegedeeld dat de terbeschikkinggestelde zonder medicatie naar verwachting terug zal vallen in een psychose. Dat is in de kliniek reeds voorgekomen. Vanwege de verlofbeperkingen van de terbeschikkinggestelde kan niet onderzocht worden hoe hij zich in de maatschappij zal gedragen. Zonder de formele verlofbeperkingen zou voor de terbeschikkinggestelde reeds begeleid verlof zijn aangevraagd bij het ministerie. Zijn behandelsituatie is op zich niet uitzichtloos.

Binnen de structuur van de kliniek gaat het innemen van de medicatie goed. Medicatietrouw zal nog moeten blijken. Waarschijnlijk heeft de terbeschikkinggestelde levenslang medicatie nodig. Wanneer de terbeschikkinggestelde naar (land van herkomst) zou gaan, zou (slechts) voor een aantal maanden medicatie kunnen worden meegegeven. Voor de lange termijn wordt geen medicatie verstrekt, al was dat maar omdat een zorgverlener geen medicatie kan verstrekken aan personen die niet tot zijn patiënten behoren.

Tot op heden zijn de ervaringen met de terbeschikkinggestelde prettig. Een eventuele plaatsing op de longstay zonder uitzicht op terugkeer naar (land van herkomst) of op deelname aan de Nederlandse samenleving zal de terbeschikkinggestelde somber en wederspannig maken.

De heer De Jong heeft ter zitting medegedeeld dat een gedwongen terugkeer naar (land van herkomst) niet mogelijk is. Het politieke beleid dat thans geldt is dat ongewenste vreemdelingen met een terbeschikkingstelling, die niet terug kunnen naar hun eigen land, in de longstay terecht komen. Wanneer de maatregel zou worden beëindigd zal de terbeschikkinggestelde als ongewenst vreemdeling in de vreemdelingenbewaring worden gesteld. Daar zullen ze proberen zijn identiteit te achterhalen. Tot nu toe heeft (land van herkomst) geen laissez passer af willen geven. Het zal er dan waarschijnlijk toe leiden dat de terbeschikkinggestelde uit de vreemdelingenbewaring wordt gezet en als ongewenst vreemdeling op straat komt te staan, zonder medicatie en zonder verzekering. Wellicht zal (land van herkomst) wel documenten afgeven wanneer de politieke banden tussen (land van herkomst) en Nederland worden aangehaald of het dossier wordt opgeschaald. Maar ook dan is het nog maar de vraag of men bij terugkeer van de terbeschikkinggestelde naar zijn thuisland, (land van herkomst), aldaar de verantwoordelijkheid zal nemen voor zijn behandeling en medicatie.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De veroordelende uitspraak is in strijd met de uitspraak van het EHRM inzake Van der Velden.

De terbeschikkinggestelde heeft zijn standpunt ten aanzien van een terugkeer naar (land van herkomst) gewijzigd in die zin dat hij niet meer terug wil keren naar (land van herkomst). In (land van herkomst) is de vereiste medicatie voor de terbeschikkinggestelde niet beschikbaar, althans onbetaalbaar. Wanneer hij uit Nederland vertrekt, wordt er hoogstens voor een paar maanden medicatie meegegeven, terwijl de terbeschikkinggestelde jaren, zo niet levenslang van de medicatie afhankelijk is.

De terbeschikkinggestelde is sinds 2007 uitbehandeld en er is geen zicht op resocialisatie. Ook de IND maakt geen haast om uitsluitsel te geven over zijn verblijfsrechtelijke positie. Er is een verzoek ingediend om de ongewenst verklaring op te heffen.

De terbeschikkinggestelde kan pas bij het consulaat van (land van herkomst) in Den Haag aankloppen wanneer hij in vrijheid is gesteld. Zolang hij niet in vrijheid is gesteld, krijgt hij geen documenten. Er is sprake van een uitzichtloze situatie. Wanneer de maatregel wordt verlengd zal de terbeschikkinggestelde op de longstayafdeling terecht komen.

De terbeschikkinggestelde en zijn raadsman hebben primair verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Subsidiair is verzocht te beslissen overeenkomstig de uitspraak van dit hof van 10 juni 2010, waarin een soortgelijke problematiek aan de orde was, om bij de IND druk op de ketel te houden en de maatregel met één jaar te verlengen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De behandeling van de terbeschikkinggestelde binnen de kliniek heeft zijn eindstadium bereikt. De volgende stap is resocialisatie, maar dat is gelet op de status van ongewenst vreemdeling van de terbeschikkinggestelde niet mogelijk. De terbeschikkinggestelde wil niet meer terug en een gedwongen terugkeer is evenmin mogelijk. Hij komt of terecht op de longstayafdeling, of hij gaat bij beëindiging van de maatregel de vreemdelingenbewaring in. De mogelijke gevolgen van een beëindiging van de maatregel maken deze onverantwoord.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verlenging van de maatregel met een jaar met verwijzing naar een soortgelijke beslissing van het hof (P 09/0322).

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd, met de volgende aanvulling.

De tbs-maatregel is niet in duur gemaximeerd, nu het blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, evident is dat sprake is van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten overvloede merkt het hof op dat het huidige vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid in deze zaak wringt met art. 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Gelet op de status van ongewenst vreemdeling van de terbeschikkinggestelde wordt in de praktijk geen machtiging tot enige vorm van verlof verleend, niet als een voorbereiding op terugkeer in de samenleving én niet op humanitaire gronden.

Beëindiging van de terbeschikkingstelling zonder meer stuit evenwel af op het recidivegevaar hier te lande alsmede op het gebrek aan een passende voorziening in (land van herkomst), indien betrokkene al toegang krijgt tot dat land.

De terbeschikkinggestelde heeft een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring ingediend bij de IND. Daarmee bestaat er nog de mogelijkheid van een voortgezet verblijf na een (mogelijke) opheffing van de ongewenstverklaring. Ook is niet uitgesloten dat de staatssecretaris of minister van justitie in de toekomst ten aanzien van deze problematiek een gewijzigd standpunt zal innemen. Voor de terbeschikkinggestelde is daardoor thans nog enig perspectief aanwezig.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 mei 2012 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde (naam terbeschikkinggestelde).

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr J.P. Bordes en mr E.G. Smedema als raadsheren,

en prof. dr. W.J. Schudel en dr. W. van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van mr A.H. Hettema als griffier,

en op 3 december 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.