Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY7526

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
AVNR 1103-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Kosten rechtsbijstand. Het hof is van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij zijn declaraties in strafzaken zodanig inricht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, een helder en inzichtelijk beeld geven van zijn verrichtingen als raadsman. Nu de declaraties van de raadsman geen deugdelijke basis bieden voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman, heeft het hof onvoldoende houvast om met betrekking tot de werkzaamheden van de raadsman tot toewijzing van een vergoeding in de kosten van de raadsman te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/86

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

zitting houdende te ARNHEM

Pkn: 21-002025-10

Avnr: 1103-12

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[naam appellant],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

domicilie kiezende te [kantoor raadsman],

ten kantore van zijn raadsman,

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Groningen, zittinghoudende te Arnhem, van 4 april 2012, houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 8 november 2012 de advocaat-generaal en mr. [naam raadsman].

Appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van appellant, ingekomen op 29 september 2011 ter griffie van de rechtbank te Groningen;

- het proces-verbaal van de behandeling op 14 maart 2012 van het verzoek door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte van beroep van 24 mei 2012, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Bij vonnis van 10 mei 2012 heeft de rechtbank te Groningen, zittinghoudende te Arnhem, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging.

De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het inleidend verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding voor de door appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reiskosten en in de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift. Het verzoek strekt tevens strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering. Hierop heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikking beslist.

3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank een vergoeding toegekend voor de door appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reiskosten en het verzoek tot vergoeding in de kosten van de raadsman afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gevraagde kosten daadwerkelijk ten laste van appellant zijn gekomen.

4. Het hoger beroep is tijdig ingediend.

5. De raadsman heeft ter zitting mede gedeeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen de door de rechtbank toegekende vergoeding voor de door appellant gemaakte reiskosten. De raadsman is er niet in geslaagd om nadere urenspecificaties te achterhalen. Door middel van het raadplegen van oude agenda’s is de raadsman er wel in geslaagd een opstelling te maken van enkele van de door hem verrichte werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak van appellant. Deze heeft hij tijdens de behandeling in raadkamer aan het hof overgelegd.

De raadsman heeft verzocht om een vergoeding in de kosten van de raadsman, in zoverre deze naar redelijkheid en billijkheid in goede justitie kan worden bepaald.

6. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep, nu de kosten van rechtsbijstand onvoldoende zijn onderbouwd.

7. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten en in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

8. De reiskosten van appellant voor het bijwonen van de behandeling van de zaak door rechtbank te Groningen, zittinghoudende te Arnhem, op 3 december 2009 en 15 april 2010 zijn voor toewijzing vatbaar. Het hof zal in dit geval gezien de woonplaats van appellant en de afstand naar Arnhem een vergoeding toekennen voor het vervoer per vliegtuig van Sint Maarten naar Amsterdam. Gelet op de overgelegde nota’s zal het hof toewijzen een bedrag van € 2052,09.

9. Het hof is ten aanzien van de gevraagde kosten voor rechtsbijstand van oordeel dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij zijn declaraties in strafzaken zodanig inricht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, een helder en inzichtelijk beeld geven van zijn verrichtingen als raadsman. Daarvan is in dit geval bij de declaraties van de raadsman geen sprake. Het hof beschikt niet over urenspecificaties en een einddeclaratie. Bij het verzoekschrift zijn enkele facturen en voorschotnota’s gevoegd, die, blijkens de stukken, kennelijk ook betrekking hebben op andere juridische werkzaamheden dan alleen de strafzaak. Naar het oordeel van het hof kunnen de declaraties van de raadsman dan ook geen deugdelijke basis bieden voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van de raadsman. Het hof heeft onvoldoende houvast om met betrekking tot de werkzaamheden van de raadsman tot toewijzing van een vergoeding in de kosten van de raadsman te komen. Het verzoek zal derhalve in zo verre worden afgewezen. Overigens merkt het hof op dat, zelfs indien het hof wel de beschikking zou hebben gehad over de urenspecificaties, het nog maar de vraag is het verzoek toewijsbaar zou zijn geweest, nu uit de stukken blijkt dat de kosten zijn voldaan door [besloten vennootschap], en niet is gebleken dat de kosten van de raadsman daadwerkelijk ten laste van appellant zijn gekomen.

10. Het hof is van oordeel dat, gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften en de omstandigheid dat het verzoekschrift door twee instanties is behandeld, de vergoeding voor de kosten verbonden aan het indienen en de behandeling van het verzoekschrift dient te worden gesteld op € 810, (inclusief BTW).

11. Het hof zal gelet op het hiervoor overwogene de beschikking waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 2.862,09 (zegge: tweeduizend achthonderd tweeënzestig euro en negen eurocent ) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] t.n.v. Derdenrekening mr. [naam raadsman] o.v.v. Vergoeding 591a [naam appellant].

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

E.A.K.G. Ruys en C. Caminada, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2012.