Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY6317

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
21-003089-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX0320, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling moord op echtgenote tot 10 jaar gevangenisstraf. Sprake van voorbedachte raad, geen contra-indicaties.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003089-12

Uitspraak d.d.: 18 december 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

5 juli 2012 in de strafzaak tegen

verdachte

geboorteplaats en datum

verblijfplaats

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 december 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr W.J. Ausma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 29 november 2011 in de gemeente Arnhem en/of te Nijmegen opzettelijk en met voorbedachten rade W. (zijnde zijn, verdachtes, echtgenote) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die W. één of meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een soortgelijk voorwerp, op haar hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of een kussen op het hoofd van die W. heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 november 2011 in de gemeente Arnhem en/of te Nijmegen opzettelijk W. (zijnde zijn, verdachtes, echtgenote) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die W. één of meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een soortgelijk voorwerp, op haar hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of een kussen op het hoofd van die W. heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de voorbedachte raad, nu er contra-indicaties zijn tegen het aannemen van voorbedachte raad. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde (doodslag) kan worden bewezenverklaard.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat sprake is van voorbedachte raad en dat geen contra-indicaties bestaan. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (moord).

Overweging met betrekking tot het bewijs

Op 29 november 2011 omstreeks 2.20 uur kwam bij de centrale meldkamer van de politie de melding binnen van een man, genaamd V. die vertelde dat hij zijn vrouw gedood zou hebben en dat hij zijn kinderen bij de buren had ondergebracht. Ter plaatse in de woning is W. liggend op bed in de slaapkamer aangetroffen met een kussen op haar hoofd. Zij is met spoed overgebracht naar het UMC Nijmegen, waar zij diezelfde dag aan haar verwondingen kwam te overlijden.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 4 december 2012 verklaard dat hij met zijn vrouw in bed lag en dat hij heeft geprobeerd om te slapen. Hij was aan het piekeren en woelen. Er waren huwelijksproblemen en hij piekerde over hoe de toekomst eruit zou zien, dat die onzeker was, onduidelijk. Hij ging op de rand van het bed zitten. Hij kan niet zeggen hoelang hij daar heeft gezeten. Hij heeft de honkbalknuppel die naast hem stond gepakt en hij is om het bed heen gelopen naar zijn vrouw. Daarna heeft hij zijn vrouw meerdere keren geslagen met de honkbalknuppel. Ze riep: J. nee, J. nee. De jongste dochter is hierop wakker geworden en bij verdachte gaan staan. Verdachte is hierop met haar en zijn andere twee dochters naar beneden gelopen. Hij heeft de buitendeur opengedaan na het alarm er met de code vanaf gehaald te hebben. Bij de buren heeft hij aangebeld en op het moment dat de deur openging, heeft hij zijn kinderen naar voren geduwd. Hij is heel snel teruggerend naar zijn huis, naar boven. Daar heeft hij een kussen op het hoofd van zijn vrouw gedrukt. Nadat hij het kussen op haar hoofd heeft gedrukt en gehouden, dacht hij dat ze dood was. Hij is naar beneden gegaan en hij heeft 112 gebeld.

Hetgeen verdachte heeft verklaard stemt overeen met zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring en met zijn verklaring afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank. Bij de rechtbank heeft verdachte nog verklaard omtrent de tijd voorafgaande aan het ten laste gelegde. Half november 2011 heeft F. hem verteld dat zij verliefd was op een andere man. Vanaf dat moment leefde verdachte tussen de hoop op betere tijden en de angst dat alles uit elkaar zou vallen.

Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat hij haar wilde raken. Hij heeft de knuppel vastgehad met twee handen. Ook heeft hij verklaard dat hij niets tegen de buurvrouw heeft gezegd toen hij de kinderen bracht. Hij wilde terug. Hij wilde zijn vrouw doodmaken.

Uit het sectierapport volgt dat er talrijke letsels waren. Aan het hoofd waren in totaal tien huidletsels, bij leven ontstaan door inwerking van een mechanisch stomp botsend geweld, zoals door bijvoorbeeld het slaan met een voorwerp. Rechts aan het hoofd was een uitgebreide breuk van de schedel. Het aspect van de breuk en het aspect van de huidletsels passen bij slaan met een hard, stevig en wat langwerpig en aan het uiteinde afgerond voorwerp, zoals bijvoorbeeld een honkbalknuppel. De overige letsels aan het lichaam waren eveneens bij leven opgelopen door inwerking van een uitwendig mechanisch botsend geweld. Eén letsel (aan de buik) toonde eveneens een tramline-aspect en past dus ook goed bij oplopen door slaan met een hard, stevig en wat langwerpig voorwerp. Voorts werd een breuk in het strottenhoofd geconstateerd. Het overlijden kan zonder meer verklaard worden door hersenbeschadiging en inklemming van de hersenen.

Het hof leidt in het bijzonder uit de aard van de gedragingen van verdachte af dat verdachte opzettelijk zijn echtgenote F.W. van het leven heeft beroofd. Nu ligt thans ter beoordeling aan het hof voor of sprake is van ‘voorbedachte raad’.

Overwegingen ten aanzien van de voorbedachte raad

Bij de beoordeling van deze vraag gaat het hof uit van de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012 (LJN BR2342):

“Voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.”

Het hof is van oordeel dat verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit of te nemen besluit en tot het maken van keuzes, hetgeen uiteindelijk geleid heeft tot de dood van F.W.

Verdachte lag in bed en hij lag al geruime tijd te piekeren over de onzekere toekomst van zijn huwelijk en gezin. Vervolgens heeft hij enige tijd op de rand van het bed gezeten en heeft hij de honkbalknuppel gepakt die aan zijn zijde van het bed stond, waarna hij om het bed is gelopen en zijn vrouw, die aan de andere kant lag te slapen meer keren heeft geslagen met de honkbalknuppel. Tussentijds of in de periode daarvoor, toen verdachte in bed lag is er geen sprake geweest van enige van buiten komende prikkel of aanleiding, bijvoorbeeld een ruzie of een opmerking van zijn vrouw als gevolg waarvan verdachte tot handelen is overgegaan. Evenmin was er een objectief aan te wijzen omstandigheid die de mogelijkheid voor verdachte om zich te beraden heeft belet of bemoeilijkt. Het pakken van de knuppel en het daarmee toeslaan kan uitsluitend aan een door verdachte genomen wilsbesluit worden toegerekend, waarbij de tijd en gelegenheid om zich daarop te beraden ruimschoots aanwezig is geweest.

Het hof is van oordeel dat op het moment van het pakken van de honkbalknuppel de gelegenheid heeft bestaan voor de verdachte om zich te beraden over zijn daad en de gevolgen daarvan. Dat levert -in de termen van het eerder vermelde arrest van de Hoge Raad- een (belangrijke) objectieve aanwijzing op dat met voorbedachte raad is gehandeld. De omstandigheid dat verdachte na het slaan met de honkbalknuppel de woning heeft verlaten onmiddellijk is teruggekeerd om zijn inmiddels zwaar gewonde vrouw een kussen op het hoofd te drukken, bevestigt het vaste voornemen van verdachte om zijn vrouw te doden. Verdachte heeft steeds verklaard dat hij terug is gegaan en daarbij nog steeds zijn vrouw wilde doodmaken.

Contra-indicaties?

Verdachte heeft gesteld dat hij ‘in een achtbaan zat’. Hij heeft niet gehandeld uit gedachten, maar uit gevoelens.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is kalm beraad en rustig overleg een in beginsel objectief vast te stellen vereiste. Het gaat daarbij niet om het daadwerkelijk nadenken of zich rekenschap geven, maar om de tijd en gelegenheid daartoe. Dit tijdsverloop behoeft niet in alle gevallen lang te zijn en kan zich ook ten dele afspelen tijdens de gewelddadige handelingen. Het begrip voorbedachte raad staat aldus bezien ver af van een kwalitatieve beoordeling van de psychische gesteldheid van de dader in de zin van een vaststelling van zijn motieven of van handelen in ‘koele bloede’, van welk laatstgenoemde in deze strafzaak ook niet is gebleken. Het is wel invoelbaar en indenkbaar dat bij verdachte verschillende emoties speelden, waardoor zijn handelen mede is bepaald, maar dat staat niet in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad. Naar het oordeel van het hof zijn er geen contra-indicaties zoals door de verdediging is gesteld, die in de weg zouden staan aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad.

De raadsman heeft verwezen naar de uitspraak van dit hof van 6 juli 2012 (LJN BX0607) en gesteld dat in de onderhavige zaak gelijksoortige contra-indicaties aanwezig zijn, waardoor

- in overeenstemming met die uitspraak - sprake is van doodslag en geen moord. Het hof overweegt echter dat beide zaken, met name ten aanzien van het verschil in tijdsverloop niet overeenkomen. Daarnaast zijn de specifieke omstandigheden van het geval te verschillend. Het hof ziet daarin evenmin redenen om contra-indicaties aan te nemen.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat uit het rapport van prof. dr. J.J.L. Derksen afgeleid kan worden dat verdachte heeft gehandeld in een dissociatieve toestand, is het hof van oordeel dat die stelling niet ondubbelzinnig volgt uit dat rapport. Daarin staat onder meer dat verdachte niet aan een dissociatieve stoornis lijdt, maar wel dat hij handelde in een gedissocieerde toestand. Aan de andere kant meldt het rapport dat de dissociatie ontstond als gevolg van zijn handelen. De stelling van de raadsman wordt weersproken door de rapporten van dr. E.M.M. Mol (psychiater) d.d. 27 februari 2012 en drs. P.A.E.T. Cremers (psycholoog) d.d. 2 maart 2012 en de door Mol en Cremers gegeven toelichting bij de rechter-commissaris d.d. 18 juni 2012.

Het hof acht het primair ten laste gelegde (moord) wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op of omstreeks 29 november 2011 in de gemeente Arnhem en/of te Nijmegen opzettelijk en met voorbedachten rade F.W. (zijnde zijn, verdachtes, echtgenote) van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, die W. één of meermalen met een (honkbal)knuppel, althans een soortgelijk voorwerp, op haar hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of een kussen op het hoofd van die W. heeft gedrukt en/of gedrukt heeft gehouden, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld wegens moord tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

De raadsman van verdachte heeft bepleit verdachte wegens doodslag tot een daarbij passende straf te veroordelen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn vrouw meerdere keren met een honkbalknuppel op het hoofd en lichaam geslagen en hij heeft haar daarna een kussen op haar hoofd gedrukt. Voor F.W. moet de schok groot zijn geweest dat zij midden in de nacht, in haar slaap, in bed liggend naast haar echtgenoot, door diezelfde echtgenoot is aangevallen

Verdachte heeft zijn levenspartner van het leven beroofd. Verdachte heeft zijn drie minderjarige kinderen hun moeder ontnomen. Verdachte heeft onherstelbaar leed aangericht aan zijn kinderen, aan de verdere naaste familie en alle anderen die haar hebben na gestaan. Zij zullen de rest van hun levens met dit verlies en het leed moeten leven.

Het openbaar ministerie is in hoger beroep gekomen omdat het de door de rechtbank opgelegde straf te laag vond. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal

zijn eis gemotiveerd met onder andere een beroep op de generale preventie. Omdat zaken als deze vaker voorkomen, moet aan potentiële daders duidelijk gemaakt worden dat misdrijven als de onderhavige zwaar bestraft worden, aldus de advocaat-generaal.

Naar het oordeel van het hof kan generale preventie in de onderhavige zaak geen doel zijn van de strafoplegging. Immers, onderhavige doding is bij uitstek een misdrijf dat gepleegd is onder specifieke, emotionele omstandigheden die zich in de concrete relatie tussen deze twee echtelieden heeft voorgedaan.

Om diezelfde reden is ook speciale preventie, waarbij met strafoplegging (mede) beoogd wordt de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van soortgelijke misdrijven, geen strafdoel. Dat dit in deze zaak niet anders is, wordt bevestigd in de rapporten van dr. Mol en drs. Cremers.

Als doel van straffen rest vergelding. Door een misdrijf als dit is de rechtsorde ernstig geschokt. Het heeft ook buiten de familie en kennissenkring van verdachte en zijn vrouw veel emoties losgemaakt. Moord is één van de ernstigste levensdelicten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur komt dan ook in aanmerking. In de praktijk van de laatste jaren wordt daarvoor gemiddeld vijftien jaar gevangenisstraf opgelegd. Dit neemt het hof als uitgangspunt voor zijn strafoplegging.

Er is een drietal omstandigheden die oplegging van een lagere gevangenisstraf rechtvaardigen.

Bij de overweging dat de rechtsorde ernstig is geschokt past een nuancering. Een misdrijf als het onderhavige schokt de samenleving in de eerste plaats als een verschrikkelijk gezinsdrama en eerst daarna als een zeer ernstig misdrijf. Dit geldt temeer waar er jonge kinderen achterblijven, zoals in deze zaak.

Het hof wil in hoge mate rekening houden met het belang van de kinderen. Zij zijn nu nog jong en zijn thans opgenomen in een pleeggezin. Hun moeder zijn ze kwijt. Of zij hun vader ook kwijt zijn of dat een herstel van de ouderlijke band met hem mogelijk is, is nu nog onduidelijk. In ieder geval is het hof van oordeel dat de strafoplegging daaraan niet onnodig in de weg moet staan. Dit betekent dat een eventueel herstel van contact met hun vader, dat ongetwijfeld veel tijd zal vragen, zijn beslag moet krijgen vóór hun meerderjarigheid. Een penitentiair programma na verloop van een aantal jaren gevangenisstraf kan daarbij behulpzaam zijn.

Tenslotte zal het hof ook rekening houden met de persoon van de verdachte. Hij heeft de vrouw met wie hij gedurende 22 jaar is samen geweest en met wie hij drie kinderen had vermoord. Hij heeft haar al die jaren tot het laatste toe, zoals hij heeft verklaard, liefgehad. Hij had de angst dat alles uit elkaar zou vallen, omdat zijn vrouw verliefd was op een andere man. Hij is zelf ook sterk ontdaan over zijn eigen handelen en alle gevolgen daarvan. Daarbij past ook dat het verdachte zelf is geweest die 112 heeft gebeld en dat hij tijdens de verhoren bij de politie en ter terechtzitting, bij de rechtbank en bij het hof opening van zaken heeft gegeven.

Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar passend en geboden.

Beslag

Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven en aan verdachte toebehorende honkbalknuppel. Deze zal daarom worden verbeurd verklaard.

Van de inbeslaggenomen kleding (t-shirt, spijkerbroek, riem, jack) zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 27, 33, 33a en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

honkbalknuppel.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

t-shirt,

spijkerbroek,

riem,

jack.

Aldus gewezen door

mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr H. Abbink en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr E.S. van Soest, griffier,

en op 18 december 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.