Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY4490

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
28-11-2012
Zaaknummer
200.106.768
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overneming voogdij;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.106.768

(zaaknummer rechtbank 316598)

beschikking van de familiekamer van 25 oktober 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. S.L.J. Swart te Amsterdam,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. M.A.M. Karsten te Amsterdam,

en

[belanghebbende sub 2], verder te noemen “[belanghebbende sub 2]”,verder te noemen “de pleegvader”,

wonende te [woonplaats].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 15 februari 2012, alsmede naar de herstelbeschikking van 14 mei 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 mei 2012, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 15 februari 2012, zoals hersteld bij beschikking van 14 mei 2012. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog het verzoek van de stichting tot overdracht van de voogdij over de minderjarige [het kind] af te wijzen, de voogdij voor onbepaalde tijd bij de stichting te houden en de stichting te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 juli 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De stichting verzoekt het hof dat verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof is op 20 augustus 2012 een brief van de stichting van 16 augustus 2012 met bijlagen binnengekomen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 14 september 2012 plaatsgevonden. De vader en zijn advocaat zijn, ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen. Namens de stichting zijn verschenen [...] en [...], beiden gezinsvoogd. Namens de moeder is de advocaat verschenen, die tevens namens de vader is verschenen. De pleegvader is in persoon verschenen. Ook is verschenen [A.], eneens pleegvader van [het kind]. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen.

2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.6 Ter mondelinge behandeling heeft mr. Karsten meegedeeld dat hij niet heeft kennisgenomen van de brief van de stichting van 16 augustus 2012 met bijlagen. Na een door het hof geboden korte leespauze heeft mr. Karsten verklaard dat hij de inhoud van die stukken voldoende tot zich heeft genomen en dat hij voldoende in staat is tot het voeren van verweer daartegen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [het kind] geboren. De vader heeft [het kind] erkend.

[het kind] heeft meerdere (half)broers, die allen uit huis zijn geplaatst.

3.2 Bij beschikking van 10 januari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam [het kind] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden met benoeming van de Werkstichting Jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam tot gezinsvoogdij-instelling en voorts voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] verleend.

3.3 Bij beschikking van 8 april 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam [het kind] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam tot gezinsvoogdijinstelling, welke termijn nadien steeds is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 30 maart 2010 met drie maanden, ingaande 10 april 2010.

3.4 Bij beschikking van 20 mei 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de moeder, bij wie het éénhoofdig gezag berustte, ontheven van het gezag over [het kind] en de stichting benoemd tot voogdes.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 7 december 2011, heeft de stichting verzocht haar te ontslaan van de voogdij over [het kind] en in haar plaats [belanghebbende sub 2] tot voogd te benoemen.

3.6 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 15 februari 2012, zoals hersteld bij beschikking van 14 mei 2012, heeft de rechtbank de stichting ontslagen van de voogdij en [belanghebbende sub 2] belast met de voogdij over [het kind].

3.7 [het kind] is op 24 januari 2008 geplaatst in een crisispleeggezin. Vanaf 25 juni 2008 verblijft [het kind], nadat een definitieve machtiging tot uithuisplaatsing was verleend, bij haar pleegvader [belanghebbende sub 2]. Sinds enige tijd woont [A.], partner van [belanghebbende sub 2], tevens bij hen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:322 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de voogd van zijn bediening ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen en de rechter deze overneming in het belang van de minderjarige acht.

4.2 Uit de stukken en naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken. Het gaat goed met [het kind] in het gezin van de pleegvaders. [het kind] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat en er heeft een goede hechting plaatsgevonden. De vader en de moeder – die op dit moment berusten in het feit dat [het kind] in het gezin van de pleegvaders woont – wensen de verzorging en opvoeding van [het kind] in de toekomst zelf weer ter hand te nemen. Het hof is van oordeel dat er thans onvoldoende zicht bestaat op een situatie waarin de vader en/of de moeder [het kind] zelf zouden kunnen verzorgen en opvoeden. Het hof acht het in het belang van [het kind] dat voor haar duidelijk is dat zij in het gezin van de pleegvaders kan blijven wonen. Het argument van de vader dat bij de overdracht van de voogdij, conform het in artikel 1:268 lid 2 onder a BW bepaalde, een termijn van een jaar en zes maanden in acht moet worden genomen gaat hier niet op, nu het in de onderhavige kwestie, anders dan in genoemd artikel dat ziet op ontheffing van het gezag, gaat over overdracht van een reeds bestaande voogdij.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het in het belang van [het kind] is dat [belanghebbende sub 2] wordt belast met de voogdij over haar. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de pleegvaders benadrukt dat zij – na overleg – altijd open staan voor contact tussen [het kind] en de biologische ouders.

4.3 Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

Het hof ziet aanleiding om de proceskosten in hoger beroep, gelet op de aard van de procedure, tussen partijen te compenseren.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 15 februari 2012, zoals hersteld bij beschikking van 14 mei 2012;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, A. Smeeïng-van Hees en M.L. van der Bel, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste raadsheer ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2012.