Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY3780

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
21-11-2012
Zaaknummer
200.099.306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap; recht op vergoeding in de zin van artikel 1:95 lid 2 (oud) BW en artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW (repriserecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.306

zaaknummer rechtbank 279258 / FA RK 09/7661 (echtscheiding)

287406 / FA RK 10-3001 (verdeling)

beschikking van de familiekamer van 27 september 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. R.C.H. Bruinier te Ede,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. A.A. Bart te Veenendaal.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 8 september 2010 en 14 september 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Het hof heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het beroepschrift van de man, ingediend bij het gerechtshof Amsterdam;

- de beschikking van 12 januari 2012 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij de zaak is verwezen naar dit hof (gerechtshof Arnhem);

- het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroep van de vrouw;

- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van de man.

2.2 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 28 augustus 2004 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft tevens de Braziliaanse nationaliteit.

3.2 In de huwelijkse voorwaarden is onder meer bepaald:

"Wettelijke gemeenschap: privé-vermogen

Artikel 1

1. Tussen de echtgenoten bestaat de wettelijke gemeenschap van goederen.

2. Van deze gemeenschap zijn echter uitgezonderd:

- de goederen en schulden die als aanbreng van een echtgenoot zijn vermeld op na

te melden staat van aanbrengsten, waaronder de woning aan de [adres] en de hypothecaire schuld waarvoor deze woning onderpand is; (…)

Kosten van de huishouding

Artikel 3

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van het gemeenschappelijk inkomen van de echtgenoten en, indien dit onvoldoende is, ten laste van ieders inkomen naar evenredigheid. Zijn de inkomens ontoereikend dan komen deze kosten ten laste van het gemeenschappelijk vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend is, ten laste van de privé-vermogens naar evenredigheid. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en

opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke

verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente

van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de

vakantiewoning. (…)"

Aldus is sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen, met uitzondering van een aantal goederen en schulden die op de staat van aanbrengsten staan.

3.3 Op de staat van aanbrengsten (behorende bij art. 1 sub 2 van de huwelijkse voorwaarden) staat vermeld welke zaken onder meer aan de man toebehoren, waarbij de bedragen in euro's zijn aangegeven:

Suzuki Grand Vitara 16.000

Caravan 22.500

Bankrekeningen 45.000

3.4 Bij beschikking van 8 september 2010 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts onder meer bepaald dat de man ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 3.975 per maand en ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van hun dochter [naam] een bedrag van € 600,- per maand. De echtscheidingsbeschikking is op 27 september 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5 De vrouw heeft in haar verzoekschrift tot echtscheiding, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat de vermogensrechtelijke regeling van het nog in te dienen echtscheidingsconvenant onderdeel zal zijn van de beschikking.

3.5 Na wijziging van zijn verzoek heeft de man onder meer verzocht om veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem van een bedrag van € 32.150,- wegens reprise.

3.7 Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking heeft de rechtbank onder andere geoordeeld dat de vordering van de man betreffende de helft van het banksaldo van € 45.000,- en de helft van de opbrengsten van de caravan (€ 9.800,-) en de Suzuki Grand Vitara (€ 9.500,-) niet wordt toegewezen, omdat deze bedragen zijn aangewend ten behoeve van de huishouding/de gemeenschap en omdat tussen partijen nooit is besproken dat de kosten die de man betaalde uit zijn privévermogen op enig moment voor de helft door de vrouw aan hem zou moeten worden terugbetaald, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw de desbetreffende bedragen aan de man zou moeten terugbetalen.

4. De omvang van het geschil in hoger beroep

4.1 De man heeft tegen de afwijzing van zijn vordering twee grieven aangevoerd. Hij verzoekt alsnog toewijzing van het hierboven al genoemde bedrag van € 32.150,-.

4.2 De vrouw heeft op haar beurt in incidenteel hoger beroep een grief gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat het banksaldo en de opbrengst van genoemde roerende zaken zijn aangewend ten behoeve van de gemeenschap. Volgens de vrouw dient de man de bewijslast hiervoor te dragen.

5. De motivering van de beslissing

4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 14 september 2011 de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. Ten aanzien van die verdeling is in dit hoger beroep nog slechts in geschil de vraag of de man een recht heeft op vergoeding in de zin van artikel 1: 95 lid 2 BW wat betreft het banksaldo van € 45.000,-, de opbrengst van de caravan van € 9.800,- en de opbrengst van de Suzuki van € 9.500,- (grieven 1 en 2 van de man en de vraag of het privé vermogen van de man is aangewend ten behoeve van de gemeenschap (incidentele grief vrouw).

4.2 Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 1:95 lid 2 BW, zoals dat gold tot 1 januari 2012, en het daaraan gelijkluidende artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW, zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2012, de echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der gemeenschap is voldaan uit dien hoofde in beginsel recht heeft op vergoeding uit de goederen der gemeenschap. Dit vergoedingsrecht wordt in de rechtspraktijk aangeduid als reprise. Voor zover de reprise niet kan worden voldaan uit de goederen van de gemeenschap heeft die echtgenoot een vordering op de andere echtgenoot voor de helft van het niet voldane bedrag. Dat hier geen sprake is van een situatie dat de man uit zijn privévermogen een gemeenschapsschuld heeft voldaan ter voorkoming van executie of anderszins, staat naar het oordeel van het hof en anders dan de rechtbank heeft beslist niet in de weg aan het ontstaan van een vergoedingsrecht op grond van artikel 1:95 lid 2 (oud) BW en artikel 1:96 lid 3 eerste volzin BW. In zoverre slaagt grief 1 van de man.

4.3 De man stelt dat hij tijdens het huwelijk de aan hem toebehorende caravan en de Suzuki heeft verkocht voor € 9.800,- respectievelijk € 9.500,- en dat de opbrengsten in de gemeenschap zijn gevallen. Deze bedragen en het bedrag van € 45.000,- dat op zijn bankrekening (internetspaarrekening) stond tijdens de huwelijkssluiting, vallen volgens de man buiten de huwelijksgoederengemeenschap, maar zijn aangewend ten behoeve van de gemeenschap. Hij verzoekt daarom veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van deze bedragen.

De vrouw betwist deze vordering en stelt achtereenvolgens (a) dat de gelden door de man zijn gebruikt voor de betaling van privéschulden (grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep), (b) dat (voor zover) de gelden zijn gebruikt voor kosten van de huishouding, de man die op grond van de huwelijkse voorwaarden moet dragen en (c) voor zover al privévermogen van de man is gebruikt ten behoeve van de gemeenschap , dat is gebeurd ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, die aan het ontstaan van een reprise in weg staat.

4.4 Uit de stukken en uit hetgeen partijen ter mondelinge behandeling hebben aangevoerd, leidt het hof af dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen noemenswaardige bron van inkomsten had en ook overigens geen vermogen. De vrouw besefte ten tijde van het sluiten van de huwelijkse voorwaarden niet dat zij bij einde van het huwelijk ook geld aan de man zou moeten betalen; zij realiseerde zich wel dat als partijen uit elkaar zouden gaan, zij het huis en de inboedel niet zou krijgen, aldus de vrouw ter mondelinge behandeling. De man heeft ter mondelinge behandeling uitgelegd dat hij zich, vanwege een eerder huwelijk, “financieel wilde indekken” en er niet nog een keer “bij wilde inschieten”. De man, die kostwinner was en zijn salaris (en pensioenuitkering) gestort kreeg op één bankrekening - waarvan ook de kosten van de gemeenschappelijke huishouding werden betaald, zo begrijpt het hof - heeft voorts aangevoerd dat het banksaldo (van de internetspaarrekening) van € 45.000,- nagenoeg is geslonken tijdens de huwelijkse periode. Het geld is besteed aan diverse zaken, zoals auto’s, vakanties, een rally Amsterdam-Beijing en de opleiding van de vrouw tot schoonheidsspecialiste; en daarmee ten goede gekomen aan de gemeenschap dan wel de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zo verstaat het hof. Het geld is steeds besteed in onderling overleg, aldus nog steeds de man. Hetzelfde geldt voor de opbrengsten van de verkoop van de caravan en de Suzuki: de opbrengsten zijn ten goede gekomen van de gemeenschap dan wel de gemeenschappelijke huishouding. Tegenover deze uitleg heeft de vrouw geen gemotiveerd verweer gevoerd (antwoordakte verdeling sub 5 en verweerschrift hoger beroep sub 18 en 23) en ook haar stellingen in incidenteel hoger beroep (sub 8-9) heeft zij niet genoegzaam onderbouwd, zodat het hof ervan uitgaat dat het banksaldo en de genoemde verkoopopbrengsten ten goede zijn gekomen van de gemeenschap dan wel de gemeenschappelijke huishouding (zoals vakanties, zie art. 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden). Het hof heeft in de stukken ook geen enkel aanknopingspunt gevonden voor de door de vrouw gesuggereerde mogelijkheid dat de man zijn privévermogen heeft aangewend ter dekking van privéschulden.

Al met al faalt het incidenteel hoger beroep van de vrouw.

4.5 Op grond van wat hiervoor in rechtsoverweging 4.4 is overwogen oordeelt het hof dat vaststaat dat het privévermogen van de man (het banksaldo en de opbrengsten van de auto’s) is gebruikt voor de voldoening van schulden van de gemeenschap. In beginsel is voor de vraag of er daardoor een reprise is ontstaan niet van belang voor welke schulden van de gemeenschap dit privévermogen is besteed. Dat kan anders zijn, indien en voor zover het kosten (schulden) van de huishouding betreft. Dit zijn weliswaar schulden van de gemeenschap, die partijen in beginsel ieder voor de helft moeten dragen. De vrouw voert in het verweerschrift in hoger beroep sub 16 aan dat in dit geval in de huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk is bepaald dat tot de kosten van de huishouding bijvoorbeeld de vakanties behoren en dat deze kosten moeten worden gedragen naar rato van ieders inkomen respectievelijk vermogen. Het hof begrijpt het betoog van de vrouw aldus dat zij zich hierbij beroept op art. 3 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Nu (ook) vast staat dat de vrouw gedurende het huwelijk (nagenoeg) geen inkomen en vermogen had en de man wel, betoogt de vrouw naar het oordeel van het hof terecht dat op grond van de afspraken die partijen in de huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt de man deze kosten, zo nodig ten laste van zijn privé-vermogen, diende te dragen.

4.6 De vrouw heeft al in eerste aanleg aangevoerd dat voor zover het privévermogen van de man is gebruikt voor de betaling van kosten van de huishouding, geen reprise ontstaat (antwoordakte verdeling pagina 3, eerste alinea). Zij heeft dit vervolgens in (principaal) hoger beroep herhaald (punt 16 van haar verweerschrift in het principaal hoger beroep). De man heeft op deze stelling niet anders gereageerd, ook ter mondelinge behandeling in hoger beroep, dan door aan te voeren dat zijn privévermogen is gebruikt voor de betaling van schulden van de gemeenschap. Het hof is van oordeel dat van de man, die zich immers beroept op het bestaan van de reprise, gelet op de zojuist besproken stellingen van de vrouw en gelet op art. 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden, verwacht had mogen worden dat hij zich concreet zou hebben uitgelaten over de vraag in hoeverre de schulden van de gemeenschap als kosten van de huishouding hebben te gelden en in hoeverre niet. De man heeft dat echter niet gedaan. Het hof houdt het er daarom voor dat het privévermogen van de man is gebruikt voor de betaling van kosten van de huishouding die geheel door de man dienen te worden gedragen, zodat hij geen reprise heeft jegens de gemeenschap of de vrouw. Dat betekent dat grief 1 van de man in zoverre faalt.

Nu het hof oordeelt dat er geen reprise is ontstaan, behoeft grief 2 van de man, die uitgaat van de veronderstelling dat er wel een reprise is, geen nadere bespreking meer.

5. De slotsom

5.1 Nu de grieven van de man niet slagen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen te bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten en deze procedure een nevenvoorziening betreft die naast de echtscheiding is verzocht.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 14 september 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van deze procedure in hoger beroep;

wijst het meer af anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, J.H. Lieber en A.L.H. Ernes en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is op 27 september 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.