Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY1803

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
200.098.693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoofdverblijfplaats; verzoek contra-expertise ingevolge artikel 810a lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.098.693

(zaaknummer rechtbank 214878 / FA RK 11-10951)

beschikking van de familiekamer van 27 september 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. J.U. van der Werff te Deventer,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. A.J. Kiela te Amersfoort.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 10 mei 2012 een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 12 juli 2012 een brief van Raad voor de Kinderbescherming, verder “de raad” van dezelfde datum;

- op 15 augustus 2012 een brief van mr. Kiela van 14 augustus 2012 met 1 bijlage;

- op 22 augustus 2012 een brief van de raad van 21 augustus 2012 met als bijlage het rapport van de raad van 21 augustus 2012;

- op 22 augustus 2012 een brief van mr. Van der Werff van dezelfde datum met als bijlage een (voorwaardelijk) aanvullend beroepschrift;

- op 24 augustus 2012 een brief van mr. Kiela van dezelfde datum;

- op 27 augustus 2012 een brief met bijlagen van mr. Kiela van dezelfde datum.

1.3 Op 28 augustus 2012 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is mr. [...] verschenen.

1.4 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

1.5 Desgevraagd hebben de advocaten van partijen over en weer ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van de brieven (met bijlagen) van de wederpartij die binnen de termijn van tien dagen vóór de mondelinge behandeling zijn binnengekomen, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die brieven (met bijlagen) zonder nadere maatregel van het hof.

De raad heeft ter mondelinge behandeling aangegeven nog geen kennis te hebben genomen van de brief van mr. Kiela van 27 augustus 2012 met bijlagen. Het hof heeft daarop beslist dat op die brief met bijlagen acht wordt geslagen, omdat het hof de raad de gelegenheid heeft geboden behoorlijk van die brief met bijlagen kennis te nemen en zich deugdelijk voor te bereiden op een verweer daartegen, daartoe de mondelinge behandeling voor een leespauze heeft geschorst en de raad heeft ingestemd met overlegging van die brief met bijlagen. Het hof slaat daarom ook acht op de onder 1.2 genoemde brieven met bijlagen gedateerd 22, 24 en 27 augustus 2012.

2. De motivering van de beslissing

2.1 Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep aangevuld met een voorwaardelijk aanvullend beroepschrift. Hierin verzoekt de vader indien het hof zal bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader is, de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te vernietigen en te bepalen dat deze bijdrage met ingang van de in deze te wijzen beschikking niet langer verschuldigd zal zijn. Nu de moeder tegen deze aanvulling van het verzoek geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof, voor zover de door de vader genoemde voorwaarde in de onderhavige beschikking wordt vervuld, mede beslissen op het voorwaardelijk aanvullend verzoek van de vader.

2.2 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek in hoger beroep aldus toegelicht dat hij thans verzoekt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [het kind] vast te stellen overeenkomstig het advies van de raad in zijn rapport van 21 augustus 2012. De moeder heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het hof begrijpt tegen die achtergrond het verzoek in hoger beroep van de vader aldus dat thans ter beslissing voorligt het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem te bepalen onder vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders in die zin dat [het kind] de ene week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend en de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend bij de moeder verblijft.

2.3 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 10 mei 2012, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.4 In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de beste verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de ouders voor [het kind] en de raad verzocht bij dit onderzoek tevens te bezien of er mogelijkheden zijn partijen te begeleiden naar hulpverlening om de communicatie tussen hen te verbeteren.

2.5 De raad heeft daarop als volgt geadviseerd. De raad signaleert in zijn rapport van 21 augustus 2012 dat de gespannen situatie tussen de ouders een negatieve invloed heeft op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [het kind] en op haar gedrag. [het kind] heeft moeite met haar sociale vaardigheden en het onderhouden van contact met leeftijdsgenootjes. In verband hiermee is op haar huidige school een breed traject aan hulpverlening ingezet en binnenkort zal worden gestart met een individuele sociale vaardigheidstraining. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en zijn netwerk. Zij heeft de gebeurtenissen uit het verleden nog geen plaats kunnen geven en zij kan deze gebeurtenissen niet los zien van het ouderschap en de ouderrol van de vader. Dit brengt met zich dat de moeder emotionele bezwaren heeft tegen het verblijf van [het kind] bij de vader en dat zij [het kind] daardoor belast met volwassen problematiek. Hierdoor raakt [het kind] betrokken in de strijd tussen de ouders. In verband met deze emotionele bezwaren van de moeder verliest zij het belang van [het kind] uit het oog en stelt zij de belangen van [het kind] niet altijd voorop. De raad geeft voorts aan dat de vader in staat moet worden geacht [het kind] een stabiele, duidelijke opvoedingssituatie te bieden die tegemoet komt aan de behoefte van [het kind] en waarin voldoende aandacht is voor haar specifieke behoeften ten aanzien van haar sociaal-emotionele ontwikkeling en haar dyslexie. De raad adviseert het hof om de verblijfplaats van [het kind] te bepalen bij de vader en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [het kind] vast te stellen waarbij [het kind] de ene week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend en de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [het kind] op vrijdagmiddag en woensdagmiddag uit school haalt en op maandagochtend en donderdagochtend naar school brengt.

2.6 Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat het raadsrapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de raad de klachten van de moeder die zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht en op grond waarvan zij van mening is dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen, gemotiveerd heeft weersproken en voorts heeft verwezen naar de inhoud van dat rapport, de door de raad gehoorde partijen en geraadpleegde instanties. Uit het rapport blijkt dat de raad één gesprek heeft gehad met de ouders tezamen alsmede één gesprek met de moeder en de vader afzonderlijk, dat hij heeft gesproken met [het kind], dat hij informatie ingewonnen bij de school van [het kind] en bij de hulpverlening die voor [het kind] ingeschakeld is geweest. Op grond hiervan heeft de raad het hof geadviseerd zoals vermeld in het rapport. Het hof deelt de klachten van de moeder over de totstandkoming van het rapport derhalve niet. Dat de moeder zich niet kan vinden in het advies van de raad maakt dit niet anders.

2.7 Gebleken is dat er sprake is van een heftige strijd tussen de ouders omtrent de hoofdverblijfplaats van [het kind] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit heeft ertoe geleid dat de situatie tussen de ouders zeer gespannen is. Het hof heeft dit ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep waargenomen. Door deze strijd van de ouders hebben de laatste jaren veel wisselingen plaatsgehad in de woon- en verblijfplaats van [het kind]. Gelet op de turbulente periode die [het kind] door de strijd tussen de ouders de laatste jaren heeft meegemaakt, is het hof met de raad van oordeel dat zij gebaat is bij vastigheid, stabiliteit, duidelijkheid en rust, mede gelet op de bij haar gesignaleerde problematiek. Het is in het belang van [het kind] dat de hulpverlening op haar huidige school die reeds is ingezet, dan wel binnenkort zal worden gestart, wordt voortgezet. Gelet op de emotionele bezwaren die de moeder heeft tegen het verblijf van [het kind] bij de vader, omdat zij geen vertrouwen heeft in de vader, is zij niet altijd in staat de belangen van [het kind] voorop te stellen. Het hof is met de raad van oordeel dat het in het belang van [het kind] wenselijk is dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft die volgens de raad wel in staat is [het kind] ruimte te bieden voor een (ruime) omgang met de moeder. Om te voorkomen dat [het kind] verder wordt belast met de strijd tussen de ouders, hetgeen bij haar kan leiden tot een verergering van loyaliteitsproblemen, acht het hof het van belang dat [het kind] op zo kort mogelijke termijn haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben.

2.8 Wel zal er in het belang van [het kind] een overgangsperiode moeten worden ingelast.

De vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader zal emotioneel veel van de moeder vragen om – in het belang van [het kind] – deze beslissing te ondersteunen en haar medewerking daaraan te verlenen. Het hof stelt voorop dat de verhuizing van [het kind] van de moeder naar de vader op een voor [het kind] verantwoorde wijze dient plaats te vinden. Het hof geeft aan de ouders het dringende advies de nodige begeleiding en/of hulpverlening in te schakelen voor een geleidelijk overgang van de hoofdverblijfplaats van [het kind] van de moeder naar de vader. Het hof stelt de overgangstermijn vast op maximaal twee maanden. De hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader zal per 1 december 2012 gerealiseerd dienen te zijn.

2.9 De raad heeft ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geadviseerd dat [het kind] de ene week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend en de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [het kind] op vrijdagmiddag en woensdagmiddag uit school haalt en op maandagochtend en donderdagochtend naar school brengt.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingestemd met deze door de raad voorgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door deze verdeling op te nemen in zijn nadere toelichting op zijn verzoek in hoger beroep. De moeder heeft hiertegen evenmin bezwaar gemaakt. Het hof acht deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [het kind] wenselijk. Het hof acht het daarnaast in het belang van [het kind] dat de de zorg- en opvoedingstaken op feestdagen en in de vakanties bij helfte tussen partijen worden gedeeld.

2.10 Het door de moeder gedane verzoek om op de voet van artikel 810a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering in de gelegenheid te worden gesteld een rapport van een deskundige over te leggen, wordt door het hof afgewezen, nu het belang van [het kind] zich daartegen naar het oordeel van het hof verzet. [het kind] is in het onderzoek van de raad, dat zoals het hof hiervoor heeft overwogen op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, uitvoerig gehoord en heeft volgens de raad thans sterk de behoefte aan (onder andere) rust en duidelijkheid. Een nieuw onderzoek, dat zal leiden tot een aanzienlijke verlenging van de thans aanhangige procedure, geeft zulks niet.

2.11 Nu [het kind] per 1 december 2012 haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vader, zal het hof zijn aanvullend verzoek om te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] met ingang van de datum dat [het kind] bij hem haar hoofdverblijfplaats heeft niet langer verschuldigd is, toewijzen.

3. De slotsom

3.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

3.2 Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

4. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 5 september 2011 en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [het kind] met ingang van 1 december 2012 haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vanaf 1 december 2012 aldus dat [het kind] de ene week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend en de andere week van woensdagmiddag na school tot donderdagochtend bij de moeder verblijft waarbij de moeder [het kind] op vrijdagmiddag en woensdagmiddag uit school haalt en op maandagochtend en donderdagochtend naar school brengt, alsmede dat de feestdagen en de vakanties bij helfte tussen partijen worden gedeeld;

verstaat dat de vader met ingang van 1 december 2012 geen bijdrage ter zake van kinderalimentatie meer aan de moeder verschuldigd is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Evers, G.J. Rijken en J.P. Balkema, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 27 september 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.