Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BY1802

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2012
Datum publicatie
12-11-2012
Zaaknummer
21-002289-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt de bewijsbeslissing van de rechtbank (LJN; BW4719) en legt, gelet op de persoon van de verdachte, een lagere gevangenisstraf op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002289-12

Uitspraak d.d.: 12 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [detentieadres] te [plaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 september 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J. Velthoven, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 5, (voorhanden hebben van een gaspistool). Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat voor de verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op dat onderdeel worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met twee anderen een tankstation en een supermarkt overvallen. Verdachte en een van zijn mededaders droegen daarbij bivakmutsen zodat ze niet herkenbaar waren. Ze hebben een medewerker van het tankstation en een medewerkster van de supermarkt onder bedreiging met twee imitatievuurwapens gedwongen geld af te geven, terwijl de derde dader buiten met een vluchtauto wachtte. Om niet via die auto te worden getraceerd, is gebruik gemaakt van gestolen kentekenplaten. Tussen de beide overvallen zat een periode van slechts vier dagen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gewelddadige overvallen een grote impact hebben op het leven van de slachtoffers. Een dergelijke ervaring is traumatisch en slachtoffers ondervinden over het algemeen nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen daarvan. Uit de door één van de slachtoffer ingediende slachtofferverklaring blijkt dat dit ook voor haar geldt. Voorts veroorzaken dergelijke gewelddadige feiten in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het hof is van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak in beginsel geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Bij de straftoemeting houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de feiten gepleegd zijn in een periode waarin verdachte, zoals beschreven in het reclasseringsrapport, in een korte tijd na zijn ontslag in financiële problemen is geraakt. Verdachte is hierdoor in contact gekomen met ‘nieuwe vrienden’ en drugs. Onder invloed van drugs dachten verdachte en zijn mededaders in de overvallen een oplossing te hebben gevonden voor hun financiële problemen. In detentie is bij verdachte het besef gekomen dat hij zeer fout bezig is geweest en dat hij na zijn detentie zijn leven weer op de rit wil zien te krijgen.

Tot het moment waarop hij de overvallen pleegde, heeft verdachte altijd gewerkt en is hij eenmaal eerder veroordeeld, namelijk in 2007 wegens dronken rijden. Het hof wil de overvallen dan ook zien als een eenmalige, zij het zeer ernstige ontsporing van een vijfentwintigjarige jongeman, wiens persoonlijkheid kennelijk nog niet voldoende was uitgerijpt.

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting de indruk gekregen dat het door verdachte verkregen besef en de intenties van hem voor de toekomst oprecht en realistisch zijn. Een langdurigere gevangenisstraf dan de door het hof opgelegde zou voor verdachte te demotiverend en schadelijk kunnen werken omdat zijn toekomstperspectief hierdoor op een te lange baan zou kunnen geraken. Daarmee zou de samenleving ook niet zijn gediend. Het is immers in ieders belang dat zo veel mogelijk gewaarborgd is dat verdachte na zijn detentie op het rechte pad blijft.

Het hof kiest daarom voor de strafafdoening voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die korter is dan door de rechtbank is opgelegd, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw de fout in te gaan. Aan die voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de voorwaarde verbonden dat verdachte zich onder toezicht zal stellen van de reclassering en zich zal houden aan de aanwijzingen door de reclassering te geven. Het hof gaat er daar bij vanuit dat er door de reclassering wordt ingezet op een intensief en gedragscontrolerende toezicht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d ,27, 36f, 57, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen het onder feit 5 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder toezicht stelt van de reclassering en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen door of namens deze instelling gegeven, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling of ambulante begeleiding.

Geeft genoemde instelling opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te bieden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-700062-12 onder 1 primair, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 05-173306-11 onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.607,79 (tweeduizend zeshonderdzeven euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 907,79 (negenhonderdzeven euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van € 2.607,79 (tweeduizend zeshonderdzeven euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 907,79 (negenhonderdzeven euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] B.V.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [bedrijf] B.V., terzake van het in de zaak met parketnummer 05-700062-12 onder 1 primair, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 05-173306-11 onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] B.V., een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde 2], terzake van het in de zaak met parketnummer 05-700062-12 onder 1 primair, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 05-173306-11 onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 32,99 (tweeëndertig euro en negenennegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 32,99 (tweeëndertig euro en negenennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr H. Abbink en mr M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 12 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr M.C.J. Groothuizen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.