Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX9949

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
200.096.904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap; verknochtheid motor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.096.904

(zaaknummer rechtbank 101234 FA RK 09-487)

beschikking van de familiekamer van 6 september 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. E.N. Mulder te Nijkerk,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. C.J.M. van Zeijl te Harderwijk.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 12 juni 2008, 12 november 2008, 16 september 2009 en 10 augustus 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 november 2011, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen van 16 september 2009 en 10 augustus 2011. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat die beschikkingen in die zin worden gewijzigd dat de man aan haar € 83.537,15 dient te betalen, althans een bedrag als het hof juist acht, dat de man aan haar dient over te dragen de motor die is verkregen van haar vader en dat de man aan haar de keramiekverzameling dient over te dragen die aan haar is toegedeeld door wijlen de heer [A.] voordat deze is komen te overlijden.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 maart 2012, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 26 juli 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 19 juni 1981 te Virginia City, Nevada, Verenigde Staten van Amerika, met elkaar gehuwd.

3.2 Bij beschikking van 12 november 2008 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts de behandeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden.

3.3 De echtscheidingsbeschikking is op 8 december 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4 Bij tussenbeschikking van 16 september 2009 heeft de rechtbank de zaak aangehouden, bepaald dat de man zich gemotiveerd dient uit te laten over diverse punten met betrekking tot de verdeling, dat de vrouw vervolgens in de gelegenheid zal worden gesteld op de stukken en stellingen van de man uit te laten, waarbij ook zij zich gemotiveerd dient uit te laten over diverse punten van de verdeling, waarna de man in de gelegenheid zal worden gesteld hierop te reageren. De rechtbank heeft voorts de vrouw onder meer opgedragen te bewijzen dat de keramiekverzameling aan haar is geschonken door [A.].

3.5 Bij eindbeschikking van 10 augustus 2011 heeft de rechtbank heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen als volgt vastgesteld, verkort en zakelijk weergegeven voorzover in hoger beroep nog van belang:

• deelt aan de man toe:

- DSB internetspaarrekening nummer [1];

- Postbank effectenrekening en privérekening [2];

- Postbank girorekening [3];

- Postbank rekeningen [4];

- de motor;

• verstaat dat de keramiekverzameling van [A.] tot de erfenis behoort die de man onder uitsluitingsclausule heeft verkregen;

• deelt aan de vrouw toe:

- de woning op Bonaire;

• bepaalt dat partijen dienen mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres];

• bepaalt dat aan elk van partijen de helft van de netto opbrengst van de woning toekomt;

• bepaalt dat de vrouw aan de man uit hoofde van overbedeling € 14.747,89 dient te voldoen, welk bedrag zij dient te voldoen uiterlijk op het moment waarop de levering van de woning aan de [adres] plaatsvindt door het in mindering te brengen van dit bedrag op haar aandeel in de netto opbrengst;

• verstaat dat de keramiekverzameling van [A.] tot de erfenis behoort die de man onder uitsluitingsclausule heeft verkregen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is in hoger beroep in geschil de verdeling van de van de tussen hen bestaande gemeenschap, betreffende een aantal bestanddelen.

Gelet op het feit dat op 8 december 2008 het huwelijk ontbonden is door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zal het hof deze datum aanhouden ter bepaling van de omvang van de huwelijksgemeenschap. Partijen en - kennelijk - ook de rechtbank zijn voor de waardering van de vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap eveneens uitgegaan van deze datum, zodat het hof zich hierbij zal aansluiten.

4.2 In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank de waarde van de woning te Bonaire ten onrechte heeft bepaald op € 90.000,-. Zij meent dat de waarde in redelijkheid moet worden bepaald op € 60.000,- of subsidiair op € 72.000,-. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

4.3 Het hof overweegt als volgt. In eerste aanleg heeft de man een in opdracht van de vrouw opgesteld taxatierapport van 23 juli 2008 overgelegd (productie 60 bij brief van mr. Van Zeijl van 18 juni 2009). De stelling van de vrouw dat deze taxatie uitsluitend door de man is uitgevoerd passeert het hof, nu deze stelling door de vrouw niet nader is onderbouwd. De waarde van de woning is getaxeerd op NAfl.260.000 (€ 107.466,51), vrij van huur en gebruik. Over de staat van onderhoud heeft de taxateur opgenomen dat de woning renovatie behoeft, omdat er op meerdere plaatsen lekkagesporen zijn en de kozijnen gedeeltelijk zijn aangetast door vocht. Voor zover de vrouw ter mondelinge behandeling heeft gesteld dat de man, en daarmee de rechtbank, is uitgegaan van een onjuiste wisselkoers oordeelt het hof deze stelling tardief en in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft de vrouw deze stelling niet nader onderbouwd en bovendien niet geconcretiseerd welke wisselkoers dan wel aangehouden zou moeten worden. Door de vrouw is niet gesteld dat het taxatierapport, waaruit dus blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud, ondeugdelijk is of anderszins onjuist, zodat het hof uitgaat van de juistheid van dit rapport en de daarin getaxeerde waarde van de woning. De vrouw heeft in hoger beroep een ongedateerde verkoopbrochure van de woning overgelegd (productie 1 bij het beroepschrift), waaruit blijkt dat de woning voor € 89.000,- te koop wordt aangeboden. Het hof hecht geen waarde aan dit stuk, nu het hier niet gaat om een taxatierapport van een makelaar maar om een verkoopbrochure. Daar komt bij dat de vrouw, na gemotiveerd verweer van de man, niet nader duidelijk heeft gemaakt (of heeft kunnen maken) van welke datum deze verkoopbrochure is en in wiens opdracht deze verkoopbrochure is opgesteld.

Vast staat dat de woning thans is verhuurd en dat dit de waarde negatief beïnvloedt. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom een correctie op de waarde van de woning dient plaats te vinden. Door de vrouw is geen bezwaar gemaakt tegen het percentage van 90%, maar anders dan de vrouw is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat dit percentage dient te worden toegepast op de waarde zoals deze blijkt uit het taxatierapport, zodat ook het hof de waarde van de woning in redelijkheid bepaalt op € 90.000,-. Gelet hierop faalt grief 1.

4.4 Het hof verstaat grief 2 aldus dat de vrouw beoogt te stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een bedrag van € 48.200,- dat in de kluis van partijen lag, tot de nalatenschap van [A.] (de oom van de man) behoorde. De vrouw erkent dat de man een kluis bezit, maar meent dat de volledige inhoud daarvan tot de gemeenschap behoort.

Het hof wijst op pagina 13 van de tussenbeschikking van de rechtbank van 16 september 2009 en pagina 8 van haar eindbeschikking van 10 augustus 2011, wat betreft de overwegingen met betrekking tot de daarin vermelde geldstromen die het bedrag van € 48.200,- dat in de kluis lag, verklaren. De rechtbank heeft in die beschikkingen geoordeeld dat, gelet op de naheffing van de Belastingdienst, wordt aangenomen dat de drie bedragen van € 22.500,-, € 25.000,- en € 700,-, dus in totaal € 48.200,-, in het bezit van de man zijn gekomen en dat de vrouw onvoldoende heeft betwist dat de man over contante gelden uit de erfenis van zijn oom beschikte.

In hoger beroep heeft de vrouw eveneens onvoldoende onderbouwd dat voornoemd bedrag tot de gemeenschap behoorde. Voor het overige sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank in voornoemde beschikkingen aangaande deze kwestie en maakt dat oordeel tot het zijne. Grief 2 faalt op dit punt dan ook in zoverre.

4.5 De vrouw heeft bij grief 2 voorts aangevoerd dat de huwelijksgemeenschap nog een vordering heeft op de genoemde erfenis van de man, omdat vanuit deze gemeenschap vele betalingen zijn gedaan (ten behoeve van het appartement [adres 2]) die ten laste van de erfenis behoren te komen. De vrouw heeft een overzicht opgesteld aan de hand van de postbank-rekeningnummers [4] en [2] (productie 5 bij beroepschrift), waaruit zou moeten blijken dat het gaat om een totaalbedrag van afgerond € 59.121,- dat door de gemeenschap is betaald; de man dient dit bedrag uit zijn privévermogen te voldoen aan de gemeenschap.

Het hof stelt vast dat de vrouw in eerste aanleg ook al een overzicht had overgelegd (prod. 15 bij antwoordakte van 16 maart 2011), doch dat sloot op een bedrag van afgerond € 68.576,-. Het verschil tussen beide bedragen heeft de vrouw niet nader toegelicht in de stukken, noch ter mondelinge behandeling. De rechtbank heeft, mede naar aanleiding van dat overzicht en het verweer van de man op dit punt, in de eindbeschikking van 10 augustus 2011, p. 10-11 onder meer geoordeeld de verrekening te stoppen per 1 juli 2007, omdat de man vanaf die datum het appartement zelf bewoonde (partijen waren toen feitelijk al uit elkaar) en de kosten van de [adres 2] als kosten van de huishouding van de man, in beginsel gemeenschappelijk zijn. Tegen deze (eind)datum heeft de vrouw geen gemotiveerde bezwaren aangevoerd, zodat het hof ook uitgaat van die einddatum voor verrekening. Voorts heeft de rechtbank met inachtneming van de berekening van de vrouw over de jaren 2002 tot medio 2007 geoordeeld dat het bedrag dat de man nog aan de gemeenschap moet betalen € 25.878,61 bedraagt. Nu de vrouw in hoger beroep niet nader heeft toegelicht en onderbouwd in hoeverre en op welke punten haar overzicht in hoger beroep verschilt van het overzicht in eerste aanleg en de man in zijn verweerschrift sub 13 hierop ook niet concreet heeft kúnnen responderen, zal het hof de vordering van de vrouw op dit punt afwijzen. Overigens sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank dienaangaande en maakt dit oordeel tot het zijne.

4.6 De vrouw stelt ten slotte in grief 2 dat de verzameling keramiek die tot de nalatenschap van [A.] behoorde, aan haar tijdens leven is geschonken. Ter onderbouwing heeft de vrouw een gespreksnotitie tussen de man en zijn broer van 29 september 2002 overgelegd (productie 6 bij beroepschrift). De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

4.7 Niet betwist is dat [A.] tijdens leven wel stukken keramiek aan de vrouw geschonken heeft. Over de omvang van deze schenkingen verschillen partijen wel van mening, evenals over de omvang van de verzameling ten tijde van het overlijden van [A.]. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 16 september 2009, p. 14, de vrouw belast met het bewijs van voormelde stelling, waarbij de rechtbank heeft meegenomen de schriftelijke stukken die de vrouw hiervoor als onderbouwing van haar stelling had overgelegd. In de eindbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat, met de overlegging van nog een schriftelijke verklaring van de gezinshulp, de vrouw desondanks niet geslaagd was in het door haar te leveren bewijs.

In de gespreksnotitie van 29 september 2002 staat over “de collectie ceramiek” dat “het grootste deel al vergeven [was] aan [verzoekster] [de vrouw, toev. hof]”. Deze uitlating is dermate vaag dat hiermee de stelling van de vrouw niet bewezen is, ook niet in samenhang met de andere schriftelijke verklaringen die in eerste aanleg zijn overgelegd, dat de nog bij [A.] aanwezige stukken keramiek óók aan haar geschonken zouden zijn. Niet in geschil is immers dat de vrouw tijdens leven van [A.] keramiek geschonken heeft gekregen en die stukken ook heeft meegenomen. De vrouw heeft in hoger beroep geen bewijsaanbod te dezer zake gedaan; het hof zal haar niet ambtshalve belasten met het bewijs van haar stelling, zodat haar vordering op dit punt zal worden afgewezen. Grief 2 faalt derhalve voor het overige.

4.8 In haar derde grief stelt de vrouw dat het pand aan de [adres 3] is aangekocht van gezamenlijk geld, zodat de opbrengst van de verkoop in redelijkheid dient te worden toegerekend aan de huwelijksgoederengemeenschap. De kosten voor de aankoop van dit pand (in 2004) bedroegen in totaal ruim € 27.000,-.

In de tussenbeschikking van 16 september 2009, p. 14 heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van drie stortingen van elk € 7.000,- van een bepaalde rekening en van één storting van € 6.000,- vanaf een andere rekening. Partijen konden zich nader uitlaten hierover. Uit de eindbeschikking van de rechtbank van 10 augustus 2001, p. 7-8 blijkt dat de man erkent dat hij de aankoop deels heeft bekostigd uit de gemeenschap (ad € 6.000,-) en deels uit privémiddelen (ad € 21.000,-).De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij voldoende geld beschikbaar had voor deze aankoop en voorts geoordeeld dat vast staat dat het pand voor het grootste deel uit privémiddelen van de man is bekostigd. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Het hof neemt dan ook het oordeel van de rechtbank over en maakt dat tot het zijne, zodat grief 3 faalt.

4.9 In haar vierde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende is vast komen te staan dat het bedrag van € 36.372,13 op de DSB internetspaarrekening (rekeningnummer [1]) uit de nalatenschap van [B.] (de moeder van de man) is verkregen.

De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij voert aan dat blijkens een rekeningafschrift van de ING Bank (productie 9 bij het beroepschrift) op 29 februari 2008 een bedrag van € 36.372,13 overgeschreven naar de Postbankrekening met rekeningnummer [2]. Op 12 maart 2008 is dit bedrag daadwerkelijk bijgeschreven op de bankrekening met rekeningnummer [2] met vermelding van het rekeningnummer van [B.] (productie 10 bij het beroepschrift). Het genoemde nummer van de tegenrekening ([5]) is een tussenrekening van de Postbank, hetgeen verklaart waarom de overschrijving twaalf dagen in beslag heeft genomen.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van de man in zijn verweerschrift de stellingen van de vrouw voldoende weerlegt. Nu het hof oordeelt dat de bankrekening met rekeningnummer [5] een tussenrekening van de Postbank betreft, ziet het hof geen aanleiding de man inzage te laten verstrekken in deze bankrekening. Voor de suggestie van de vrouw dat de man in het bezit is van andere tussenrekeningen of spaarrekeningen, die haar niet bekend zijn, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten, zodat het hof haar verzoek om inzage in deze door haar veronderstelde bankrekeningen zal afwijzen. Gelet op het voorgaande faalt grief 4.

4.10 Met de grieven 5 en 6 voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de saldi van de Postbank effectenrekening en privérekening met rekeningnummer [2] € 45,27 en van Postbankrekening met rekeningnummer [4] € 2.022,91 bedroegen. De vrouw meent dat de man geen inzicht heeft verstrekt in de aan deze Postbankrekeningen gekoppelde bankrekeningen.

De man heeft deze stellingen betwist en stelt dat de vrouw niet beargumenteert waarom de rechtbank niet uit mocht gaan van voormelde saldi. De vrouw verwijst enkel naar de man die geen inzicht zou hebben gegeven in deze rekeningen. De man erkent dat aan rekeningnummer [2] een effectenrekening en een internetspaarrekening waren gekoppeld onder hetzelfde rekeningnummer, maar deze rekeningen samen vormden volgens de man het saldo van € 45,27.

4.11 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog andere rekeningnummers zijn die tot de gemeenschap behoren en waarvan zij afschriften wenst. Terzijde merkt het hof op dat het onderhavige procesdossier inmiddels meer dan zes ordners omvat, met overzichten van de diverse rekeningen die partijen tijdens hun huwelijks leven (van 30 jaar) erop nahielden. De rechtbank heeft de man bovendien opgedragen om inzicht te geven in bepaalde rekeningnummers, hetgeen hij ook heeft gedaan. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling nog verklaard dat zij de man wantrouwt en dat zij vermoedt dat er nog veel meer geld aanwezig is, ook in het buitenland.

Wat hier ook van zij, het enkele wantrouwen van de vrouw vormt onvoldoende grondslag voor overlegging van niet nader geconcretiseerde stukken. Dat betekent dat de verzoeken van de vrouw worden afgewezen en dat daarmee de grieven 5 en 6 falen.

4.12 In haar zevende grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar emotionele belang niet van doorslaggevende betekenis is om de motorfiets (BMW, kenteken [...]) aan haar toe te delen. De vrouw stelt dat de motor is overgenomen van haar vader, dat het zijn uitdrukkelijke wens was dat de motor in de familie zou blijven en dat er sprake is van een emotionele betekenis, omdat zij als kind geregeld op zondag bij haar vader achterop heeft getoerd.

De man heeft deze stellingen betwist. Hij stelt dat hij de motor in 1994 heeft gekocht van de vader van de vrouw en dat de vrouw zich weliswaar beroept op de uitdrukkelijke wens van haar vader, maar dat zij haar stelling niet bewijst. Volgens de man hadden partijen het plan hun zoon op de motor te laten rijden. In deze omstandigheden heeft de rechtbank kunnen beslissen dat het emotionele belang van de vrouw bij toedeling niet doorslaggevend is.

4.13 Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de motor kennelijk door de man van de vader van de vrouw is gekocht. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de motor op enige wijze aan haar is verknocht. Anders dan de vrouw stelt is niet gebleken dat het de uitdrukkelijke wens van haar vader was dat de motor (bijvoorbeeld bij het uiteengaan van partijen) aan de vrouw zou worden overgedragen, temeer nu het kentekenbewijs reeds op 14 juni 1994 is overgeschreven op naam van de man. Grief 7 faalt dan ook. Daarbij komt dat de man ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat het zijn bedoeling is dat de motor te zijner tijd aan de zoon van partijen zal worden overgedragen, hetgeen betekent dat deze ook volgens de wens van de vrouw ‘in de familie blijft’.

4.14 In haar achtste en laatste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft aangetoond dat de door haar aangegane schuld in verband met de kosten van haar levensonderhoud niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Volgens de vrouw heeft de man nimmer de door de rechtbank bij beschikking voorlopige voorzieningen opgelegde partneralimentatie betaald en heeft hij alle bankrekeningen geblokkeerd, zodat de vrouw geen gelden kon opnemen van de huwelijksgoederengemeenschap om in haar levensonderhoud te voorzien. Hierdoor, zo stelt de vrouw, was zij genoodzaakt leningen aan te gaan bij de oudste zoon van partijen.

De man betwist deze stellingen van de vrouw. Afgezien van het feit dat de vrouw de noodzaak tot het aangaan van de gestelde leningen niet heeft aangetoond, ontkent de man dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen.

4.15 Het hof overweegt als volgt. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij gelden van haar zoon heeft moeten lenen, heeft de vrouw een door haar zelf opgesteld overzicht van de leningen van haar zoon en een verklaring van diezelfde zoon overgelegd gedateerd 28 juli 2010 (productie 14 en 15 bij het beroepschrift). Uit die verklaring volgt dat de zoon in augustus 2009 een bedrag van € 8.000,- en van € 10.000,- heeft geleend en dat het totaal geleende bedrag tot en met 1 december 2009 daarmee op € 18.000,- komt. In een akte van geldlening van 23 augustus 2011 verklaren de zoon en de vrouw dat in totaal € 21.000,- is verstrekt.

Daargelaten dat de vrouw de noodzaak van de gestelde leningen, namelijk - naar zij stelt - voor het levensonderhoud van de vrouw en haar gezin - dat voor rekening van de man had moeten komen, niet voldoende heeft onderbouwd, heeft de vrouw ook geen enkel bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat de leningen van de zoon ook daadwerkelijk aan haar zijn verstrekt. Het gaat om substantiële bedragen, zodat niet aannemelijk is - en dat is ook niet gesteld - dat de geleende bedragen - steeds - contant aan de vrouw ter beschikking zijn gesteld.

Wegens onvoldoende onderbouwing moet de vordering van de vrouw op dit punt worden afgewezen. Gelet op het voorgaande faalt grief 8.

5. De slotsom

5.1 Nu alle grieven van de vrouw in hoger beroep falen, zal het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

5.2 Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 16 september 2009 en 10 augustus 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.A. Dozy, H. van Loo en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 6 september 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.