Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX9935

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
200.099.678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Maritaal beslag. Door inbreng in maatschap vallen onroerende zaken niet langer in de huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.099.678

(zaaknummer rechtbank 123523)

arrest in kort geding van de vierde kamer van 25 september 2012

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante]

advocaat: mr. M. Moszkowicz,

tegen:

mr. A.C. Huisman,

kantoorhoudende te Enschede

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

[A.],

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

hierna: de curator respectievelijk [A.]

advocaat: mr. N.J.C. Spapen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 15 november 2011 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo tussen [A.] als eiser in conventie en verweerder in reconventie en [appellante] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 5 december 2011,

- het oproepingsexploot van 26 maart 2012, waarbij de curator is opgeroepen,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 27 augustus 2012 door mr. Spapen namens de curator en bij bericht van

5 september 2012 door mr. Moszkowicz zijn ingebracht.

2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis, nu hiertegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht.

3.2 Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten. De maatschap die [A.] met ingang van 1 januari 2003 is aangegaan met zijn zoon [B.] is op 28 april 2010 ontbonden door de faillietverklaring van [B.]. [A.] is bij vonnis van de rechtbank Almelo van 8 februari 2012 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Huisman tot curator.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellante] en [A.] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De huwelijksgemeenschap is ontbonden door echtscheiding. De rechtbank Almelo heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 17 augustus 2011 de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. Zij heeft:

* aan [appellante] de voormalige echtelijke woning aan de [adres] toegedeeld;

* aan [A.] toegedeeld zijn aandeel in de maatschap tussen [A.] en [B.] en de stille reserves in deze maatschap, een perceel grond kadastraal bekend gemeente [...] sectie B nummer 726 ter grootte van 1 hectare 15 are en 45 centiare en certificaten Friesland Foods; en

* [A.] veroordeeld om ter zake van overbedeling aan [appellante] € 203.366,50 te betalen.

Levering van de aan [appellante] toegedeelde voormalige echtelijke woning en de daarbij behorende percelen kadastraal bekend gemeente [...] sectie A nummers 1891, 1893 en 1895 heeft plaatsgehad door inschrijving van een notariële akte in de openbare registers bij het Kadaster.

4.2 Op 31 oktober 2008 heeft [appellante] maritaal beslag gelegd op de volgende onroerende zaken (hier kortheidshalve aangeduid met hun kadastrale bekendheid). Het betreft de percelen kadastraal gemeente [...] sectie A nummers 439, 1294, 1301, 1304, 1419, 1918, 1777, 1781, 1894 en 1895 (voor zover ontstaan uit gemeente [...] sectie A nummer 1417), 1892 en 1893 (voor zover ontstaan uit gemeente [...] sectie A nummer 1588) en, ten slotte, 1890 en 1891 (voor zover onstaat uit gemeente [...] sectie A nummer 1853).

4.3 [A.] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter dit maritale beslag opheft. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis, voor zover in dit hoger beroep nog van belang, voor recht verklaard dat dit maritale beslag is vervallen met uitzondering van het maritale beslag op de voormalige echtelijke woning en de percelen kadastraal bekend gemeente [...] sectie A nummer 1891, 1893 en 1895.

4.4 Grief I van [appellante] is tegen deze verklaring van recht gericht. [appellante] voert het volgende aan. Door het faillissement van [A.] is veel van wat de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft beslist achterhaald, maar niet het maritaal beslag. Het maritaal beslag is niet vervallen, nu [appellante] hoger beroep heeft ingesteld tegen de vaststelling van de verdeling door de rechtbank in haar beschikking van 17 augustus 2011. [appellante] heeft het maritaal beslag gelegd uit vrees voor het risico van financiële benadeling, welke vrees niet ongegrond is gebleken vanwege het faillissement van [A.]. Opheffing van het maritaal beslag is pas aan de orde nadat het hof de verdeling heeft vastgesteld en die beschikking van het hof in kracht van gewijsde is gegaan. In hoger beroep verzoekt [appellante] ook om toedeling van de door de rechtbank niet aan haar toegedeelde percelen kadastraal bekend gemeente [...] sectie A nummers 1892 en 1894 die één geheel vormen met de voormalige echtelijke woning en de daarbij horende grond. Verder is [appellante] bereid om in de plaats van het wegens overbedeling door [A.] verschuldigde bedrag van € 203.366,50 genoegen te nemen met toedeling van percelen grond.

4.5 De curator voert verweer. Met uitzondering van de aan [appellante] toegedeelde onroerende zaken behoren de onroerende zaken waarop het maritaal beslag is gelegd niet tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Deze onroerende zaken zijn bij notariële akte van 16 juli 2004 ingebracht in de maatschap die [A.] met ingang van 1 januari 2003 is aangegaan met zijn zoon [B.]. Slechts het aandeel van [A.] in de maatschap behoort tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, de onroerende zaken niet. Dat geldt ook voor de percelen met nummers 1892 en 1894. De waarde van deze percelen is begrepen in de waardering van het aandeel van [A.] in de maatschap en in het bedrag dat hij wegens overbedeling moet betalen.

4.6 Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 705 lid 1 Rv de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen.

4.7 Het hof overweegt als volgt. Het maritaal beslag dat [appellante] met gebruikmaking van artikel 768 Rv heeft gelegd dient ter handhaving van rechten van een echtgenoot op goederen van de gemeenschap. Alleen goederen die tot de gemeenschap behoren, kunnen worden beslagen. De onroerende zaken die tot het moment van de inbreng in de maatschap op 16 juli 2004 tot de gemeenschap behoorden, zijn naar het oordeel van het hof door die inbreng uit die gemeenschap verdwenen. De eigendom daarvan is door de inbreng overgegaan op [A.] en zijn zoon [B.], waarbij het aandeel van [A.] in die onroerende zaken buiten de gemeenschap van goederen is gevallen waarin hij was gehuwd. Door het aangaan van de maatschap en de daarmee gepaard gaande inbreng is tot de gemeenschap van goederen een vordering op [A.] in privé gaan behoren ter grootte van de waarde van zijn aandeel. Op het moment dat [appellante] het maritaal beslag legde behoorden de beslagen onroerende zaken dus niet tot de gemeenschap van goederen. Zelfs als het betoog van [appellante], dat door de ontbinding van de maatschap de onroerende zaken zijn teruggevallen in de gemeenschap van goederen, juist zou zijn, betekent dat nog niet dat de onroerende zaken ten tijde van het leggen van het maritaal beslag tot die gemeenschap behoorden. Nu de beslagen onroerende zaken ten tijde van het leggen van het beslag niet tot de gemeenschap behoorden, dient het maritaal beslag op de voet van artikel 705 Rv te worden opgeheven. Dat betekent dat grief I van [appellante] faalt in zoverre zij daarmee beoogt het maritaal beslag in stand te doen houden.

4.8 Grief I slaagt echter wel voor zover deze is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 3.3 van het bestreden vonnis en de in het kielzog daarvan gegeven verklaring voor recht, dat het maritaal beslag door de verdeling, zoals die is vastgesteld door de rechtbank, is vervallen. Artikel 770b Rv bepaalt onder meer dat bij toewijzing van het verzoek tot echtscheiding het maritaal beslag vervalt zodra de beslagen goederen aan de andere echtgenoot worden toegedeeld of krachtens de verdeling aan de beslaglegger worden geleverd. Van verval van het maritaal beslag op die grond kan hier geen sprake zijn, aangezien de beslagen goederen niet tot de gemeenschap behoren en daarom ook niet zijn toegedeeld of geleverd aan een van beide echtgenoten. Het hof merkt op dat in het algemeen opheffing van het maritaal beslag wel het verval van het maritaal beslag tot gevolg heeft. Het hof zal het bestreden vonnis wat deze verklaring voor recht betreft vernietigen, alsnog het maritaal beslag opheffen en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.9 Grief II van [appellante] richt zich tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van haar vordering [A.] te veroordelen gelijktijdig met de levering van de voormalige echtelijke woning te voldoen aan de aan hem in de beschikking van 17 augustus 2011 opgelegde veroordeling aan haar € 203.366,50 te betalen. In hoger beroep vermeerdert [appellante] haar eis op dit punt en vordert [A.] dan wel de curator in zijn plaats te veroordelen de in de beschikking van 17 augustus 2011 uitgesproken veroordeling tot betaling aan haar van € 203.366,50 na te komen uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van dit arrest en op straffe van een dwangsom. Zij stelt dat er geen sprake is van betalingsonmacht, maar louter van stijfkoppigheid; de curator is heel goed in staat dit bedrag snel aan haar te betalen. Zij heeft een spoedeisend belang bij betaling daarvan, aangezien zij geen bijdrage van [A.] in haar levensonderhoud ontvangt. De curator voert verweer. [A.] beschikt niet over liquide middelen; zijn vermogen bestaat uit zijn boerenbedrijf. [A.] heeft getracht via een erfpachtfinanciering gelden vrij te maken. [appellante] heeft beslag gelegd en daarna het faillissement van [A.] verzocht. Zij heeft het daardoor voor [A.] onmogelijk gemaakt gelden vrij te maken. De curator betwist het spoedeisend belang. [appellante] ontvangt een AOW-uitkering en wordt door haar (inwonende) kinderen onderhouden.

4.10 Zoals in 4.1 is overwogen heeft de rechtbank Almelo in haar uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 17 augustus 2011 [A.] veroordeeld om ter zake van overbedeling aan [appellante] € 203.366,50 te betalen. Het hof oordeelt dat [appellante] deze uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank Almelo van 17 augustus 2011 ten uitvoer kan leggen en daarom geen belang, laat staan een spoedeisend belang, heeft bij de door haar gevorderde voorlopige voorziening [A.] dan wel de curator in zijn plaats te veroordelen de in de beschikking van 17 augustus 2011 uitgesproken veroordeling tot betaling aan haar van € 203.366,50 na te komen uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van dit arrest en op straffe van een dwangsom. Ter gelegenheid van het pleidooi is namens [appellante] desgevraagd verklaard dat zij met de beschikking van de rechtbank Almelo van 17 augustus 2011 niets kan. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat [appellante] met de gevorderde voorlopige voorziening meer zou kunnen dan met die beschikking. Dat die gevorderde voorziening een betalingstermijn van 30 dagen zou moeten inhouden is eerder aan te merken als een 'verslechtering' ten opzichte van de executoriale titel die zij al heeft, aangezien deze onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd en niet een dergelijke termijn bevat. Het hof kan bovendien aan die veroordeling niet de gevorderde dwangsom verbinden, nu artikel 611a lid 1 laatste zin Rv bepaalt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling tot betaling van een geldsom. [appellante] bepleit dat het gerechtvaardigd is in dit geval deze bepaling buiten toepassing te laten. Het hof volgt haar daarin niet. Haar stelling dat [A.] louter uit stijfkoppigheid niet betaalt en dat de curator sinds 8 februari 2012 nog geen signalen heeft afgegeven dat hij snel wil meewerken aan betaling van dit bedrag aan [appellante], hoewel hij daartoe zeer wel in staat is, is naar het voorlopig oordeel van het hof tegenover de gemotiveerd betwisting door de curator niet aannemelijk geworden. Overigens zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat deze bepaling in dit geval geen toepassing vindt.

5. Slotsom

5.1 Grief I slaagt wat de verklaring voor recht van de voorzieningenrechter inzake het verval van het maritaal beslag betreft, maar faalt voor het overige. Grief II faalt. Het hof zal beslissen als volgt.

5.2 Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op € 291,- (griffierecht) en € 9.789,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 x tarief VI (€ 3.263,-)).

5.3 De curator heeft tevens de veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg gevorderd. Daarmee wenst de curator deels een andere beslissing dan de voorzieningenrechter heeft gegeven. Om dat te bewerkstelligen had de curator incidenteel hoger beroep moeten instellen. De curator heeft niet expliciet incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hof leest de onderhavige stellingen van de curator ook niet als een verkapt incidenteel hoger beroep, nu de curator in zijn petitum in hoger beroep uitdrukkelijk (algehele) bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter heeft gevorderd. Zonder vernietiging van dat vonnis - waarin de voorzieningenrechter heeft beslist dat de kosten van het geding in eerste aanleg tussen de partijen worden gecompenseerd -, komt de vordering van de curator tot veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in eerste aanleg, niet voor toewijzing in aanmerking, zodat de vordering van de curator op dat onderdeel moet worden afgewezen.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 15 november 2011 wat de beslissing in conventie onder I betreft en doet in zoverre opnieuw recht;

heft op het maritaal beslag dat [appellante] op 31 oktober 2008 heeft gelegd op de percelen kadastraal gemeente [...] sectie A nummers 439, 1294, 1301, 1304, 1419, 1918, 1777, 1781, 1894 en 1895 (voor zover ontstaan uit gemeente [...] sectie A nummer 1417), 1892 en 1893 (voor zover ontstaan uit gemeente [...] sectie A nummer 1588) en, ten slotte, 1890 en 1891 (voor zover onstaat uit gemeente [...] sectie A nummer 1853);

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 291,- aan griffierecht en € 9.789,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 15 november 2011 voor het overige;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, A.E.F. Hillen en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 september 2012.