Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX9457

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-10-2012
Datum publicatie
08-10-2012
Zaaknummer
21-004661-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Datum uitspraak: 8 oktober 2012

Datum publicatie: 8 oktober 2012

Rechtsgebied: straf

Procedure: hoger beroep

Inhoudsindicatie: Verduistering door penningmeester van kerkgemeente.

Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uren.

Verdachte heeft gedurende een aantal jaren gelden van de kerk-gemeente, die hij uit hoofde van zijn functie van penningmeester beheerde, zonder toestemming of machtiging van het bestuur overgeschreven op zijn eigen rekeningen dan wel met de betaalpas van de kerkgemeente betalingen verricht voor privédoeleinden. Dat verdachte nadien geldbedragen heeft teruggestort doet aan de bewezenverklaring van de tenlastegelegde verduistering niet af.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de ouderdom van de feiten, het tijdsverloop en de deels andere bewezenverklaring op grond waarvan het hof tot een lagere straf komt dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004661-10

Uitspraak d.d.: 8 oktober 2012

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 december 2010 in de strafzaak tegen

Verdachte,

geboren te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 september 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J. Velthoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en een andere strafoplegging en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2001 t/m 27 oktober 2004, te Kesteren en/of Middelburg en/of elders in de provincie Zeeland en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk

- geld van de op naam van [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats] staande Rabobankrekening 331903415 en/of Rabobankspaarrekening 1017636990 heeft overgeboekt naar zijn, verdachtes, Rabobankrekening 395193923 en/of Rabobank-rekening 365128708 en/of Postbankrekening 6090271 en/of Visacardrekening(en) 4563545110342305 en/of 4563545115441375, waaronder de volgende overboekingen:

- een overboeking van FL. 2000,00 op 26 juni 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 2500,00 op 18 juli 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 4000,00 op 20 augustus 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 1600,00 op 22 oktober 2001 naar rekening 395193923 en/of

- een overboeking van FL. 3759,57 op 22 oktober 2001 naar Visacard-rekening 4563545110342305 en/of

- een overboeking van FL. 3616,31 op 29 november 2001 naar Visacard-rekening 4563545110342305 en/of

- een overboeking van FL. 1900,00 op 27 oktober 2001 naar rekening 395193923 en/of

- een overboeking van FL. 1250,00 op 1 november 2002 naar rekening 365128708 en/of

- een tweetal overboekingen van ieder EUR 300,00 op 5 maart 2004 naar rekening 365128708, en/of

- met een bankpas behorende bij de op naam van [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats] staandeRabobankrekening 331903415 bij diverse betaalautomaten betalingen heeft verricht van door hem, verdachte, gedane privé-aankopen, waaronder de volgende betalingen:

- een betaling van FL. 7446,95 op 10 augustus 2001 aan babyspeciaalzaak [bedrijf 1] en/of

- een betaling van EUR 613,91 op 27 september 2002 aan modezaak [bedrijf 2] en/of

- een betaling van EUR 569,00 op 16 november 2002 aan elektronicawinkel [bedrijf 3] en/of

- een betaling van EUR 1649,00 op 4 december 2002 aan supermarkt [bedrijf 4)

en/of

- een drietal betalingen van respectievelijk E 769,85, E 189,95 en E 21,75 op 7 maart 2003 aan modewinkel [bedrijf 5] en/of

- een betaling van EUR 1275,00 op 7 juni 2003 aan rijwielhandel [bedrijf 6] en/of

- een betaling van EUR 268,70 op 20 juni 2003 aan modewinkel [bedrijf 7] en/of

- een betaling van EUR 86,40 op 15 juli 2003 aan speelgoedwinkel [bedrijf 8] en/of

- een betaling van EUR 172,00 op 1 augustus 2003 aan kindermodewinkel [bedrijf 9] en/of

- een betaling van EUR 213,90 op 16 augustus 2003 aan damesmodewinkel [bedrijf 10] en/of

- een betaling van EUR 312,80 op 21 augustus 2003 aan damesmodewinkel [bedrijf 11] en/of

- een betaling van EUR 462,60 op 29 november 2003 aan babyspeciaalzaak [bedrijf 1] en/of

- een betaling van EUR 165,50 op 5 december 2003 aan dierentuin [bedrijf 12] en/of

- een betaling van EUR 540,35 op 13 februari 2004 aan damesmodewinkel [bedrijf 10],

welk geld tot een totaalbedrag van EUR 56.552,31, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever/benadeelde partij] te vestigingsplaats, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als penningmeester van genoemde stichting, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder:

De raadsman heeft onder meer gesteld dat door verdachte diverse terugstortingen zijn verricht terwijl deze tijdens het opsporingsonderzoek niet werden getraceerd.

Wat daarvan ook zij, vast staat dat verdachte meermalen en telkens zonder toestemming en/of machtiging van zijn bestuur gelden van de [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats, die hij uit hoofde van zijn functie als penningmeester beheerde, heeft overgeschreven op zijn bankrekeningen en of creditcardrekeningen dan wel met de betaalpas van de [aangever/benadeelde partij] betalingen heeft verricht voor privédoeleinden.

Daarmee valt verdachtes handelen, nu dit zonder toestemming of machtiging is geschied, binnen het bereik van de delictsomschrijving van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (de tenlastegelegde verduistering). Dat verdachte nadien geldbedragen heeft teruggestort doet hieraan niet af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 12 maart 2001 t/m 27 oktober 2004, te Kesteren en Middelburg en/of elders in de provincie Zeeland en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk

- geld van de op naam van [aangever/benadeelde partij te vestigingsplaats staande Rabobankrekening 331903415 en/of Rabobankspaarrekening 1017636990 heeft overgeboekt naar zijn, verdachtes, Rabobankrekening 395193923 en/of Rabobankrekening 365128708 en/of Postbankrekening 6090271 en/of Visacard-rekening(en) 4563545110342305 en/of 4563545115441375, waaronder de volgende overboekingen:

- een overboeking van FL. 2000,00 op 26 juni 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 2500,00 op 18 juli 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 4000,00 op 20 augustus 2001 naar rekening 365128708 en/of

- een overboeking van FL. 1600,00 op 22 oktober 2001 naar rekening 395193923 en/of

- een overboeking van FL. 3759,57 op 22 oktober 2001 naar Visacard-rekening 4563545110342305 en/of

- een overboeking van FL. 3616,31 op 29 november 2001 naar Visacard-rekening 4563545110342305 en/of

- een overboeking van FL. 1900,00 op 27 oktober 2001 naar rekening 395193923 en/of

- een overboeking van FL. 1250,00 op 1 november 2002 naar rekening 365128708 en/of

- een tweetal overboekingen van ieder EUR 300,00 op 5 maart 2004 naar rekening 365128708, en/of

- met een bankpas behorende bij de op naam van [aangever/benadeelde partij te vestigingsplaats staande Rabobankrekening 331903415 bij diverse betaalautomaten betalingen heeft verricht van door hem, verdachte, gedane privé-aankopen, waaronder de volgende betalingen:

- een betaling van FL. 7446,95 op 10 augustus 2001 aan babyspeciaalzaak [bedrijf 1] en/of

- een betaling van EUR 613,91 op 27 september 2002 aan modezaak [bedrijf 2] en/of

- een betaling van EUR 569,00 op 16 november 2002 aan elektronicawinkel [bedrijf 3] en/of

- een betaling van EUR 1649,00 op 4 december 2002 aan supermarkt [bedrijf 4)

en/of

- een drietal betalingen van respectievelijk E 769,85, E 189,95 en E 21,75 op 7 maart 2003 aan modewinkel [bedrijf 5] en/of

- een betaling van EUR 1275,00 op 7 juni 2003 aan rijwielhandel [bedrijf 6] en/of

- een betaling van EUR 268,70 op 20 juni 2003 aan modewinkel [bedrijf 7] en/of

- een betaling van EUR 86,40 op 15 juli 2003 aan speelgoedwinkel [bedrijf 8] en/of

- een betaling van EUR 172,00 op 1 augustus 2003 aan kindermodewinkel [bedrijf 9] en/of

- een betaling van EUR 213,90 op 16 augustus 2003 aan damesmodewinkel [bedrijf 10] en/of

- een betaling van EUR 312,80 op 21 augustus 2003 aan damesmodewinkel [bedrijf 11] en/of

- een betaling van EUR 462,60 op 29 november 2003 aan babyspeciaalzaak [bedrijf 1] en/of

- een betaling van EUR 165,50 op 5 december 2003 aan dierentuin [bedrijf 12] en/of

- een betaling van EUR 540,35 op 13 februari 2004 aan damesmodewinkel [bedrijf 10],

welke geldbedragen, toebehorende aan [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats], verdachte telkens anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als penningmeester van genoemde stichting, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Het hof houdt bij de strafbepaling rekening met de ouderdom van de feiten en het tijdsverloop vanaf het moment dat tegen verdachte een daad van vervolging werd ingesteld. Mede ook gelet op het feit dat het hof tot een andere bewezenverklaring komt - het in de tenlastelegging opgenomen totaalbedrag wordt niet bewezenverklaard - dan de rechtbank, ziet het hof aanleiding een lagere straf op te leggen dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat, met uitzondering van de accountant nota’s en de kosten rechtsbijstand, de hoogte van de financiële schade ten gevolge van verdachtes handelen niet is te bepalen nu onduidelijk is welke concrete terugstortingen zijn gedaan en waarop deze betrekking hebben.

Om die reden is het hof voor het overige van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever/benadeelde partij te [vestigingsplaats]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 14.854,00 (veertienduizend achthonderdvierenvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.605,00 (duizend zeshonderdvijf euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever/benadeelde partij] te [vestigingsplaats], een bedrag te betalen van

€ 14.854,00 (veertienduizend achthonderdvierenvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 109 (honderdnegen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr P. van Kesteren, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.C. Wormgoor, griffier,

en op 8 oktober 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.