Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX9389

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
21-004462-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorstel inhoudsindicatie:

Veroordeling handel in cocaïne en het aanwezig hebben van cocaïne, hasjiesj en hennep.

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004462-11

Uitspraak d.d.: 5 september 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 november 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Ook de officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 augustus 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr M. Grinwis-Veldman, advocate te Utrecht, naar voren is gebracht.

De omvang van het beroep

De officier van justitie heeft bij akte van 16 november 2011 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 7 november 2011. Bij appelschriftuur van 17 november 2011 heeft de officier van justitie medegedeeld dat het hoger beroep zich richt tegen de vrijspraken van het onder 2 primair en het onder 3 tenlastegelegde. Het hoger beroep is echter niet bij appelakte beperkt, reden waarom het hof ten volle zal oordelen over het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of amfetemine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval (telkens) aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van minder dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of een hoeveelheid van minder dan 30 gram hennep, zijnde hasj iesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.

hij in of omstreeks de periode van 12 juli 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of hasjiesj en/of hennep.

4.

hij op 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet en waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)cI(en) tabletten, bevattende (een) hoeveelhe(i)d(en) mCPP (meta-chiorophenylpiperazine of 3-chloorfenylpiperazine), in voorraad heeft gehad (in een woning aan de [adres A]).

5.

hij op of omstreeks 09 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres A]) ongeveer 34,04 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 794,84 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 47,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 09 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres A]) ongeveer 1637,33 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) en/of ongeveer 6162,13 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

6.

hij op of omstreeks 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad 42, althans een of meer, (scherpe) patronen (merk CBC, .32 auto [=7.65 mm]), in elk geval munitie in de zin van de Wet wapens en munitie van categorie III.

7.

hij op of omstreeks 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten:

een nabootsing van een vuurwapen, te weten een (balletjes)pistool (merk Elite), dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met een vuurwapen, te weten een pistool (merk Smith & Wesson)

en/of

een nabootsing van een vuurwapen, te weten een (balletjes)pistool (merk Mauser, model HSc, kaliber 7.65), dat door zijn vorm, afmetingen en kleur sprekende gelijkenis vertoonde(n) met een vuurwapen, te weten een pistool (merk Mauser HS, model C), voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ter zake van het onder 2 primair en subsidiair, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken.

Het hof oordeelt als volgt.

De in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bestaan grotendeels uit tapgesprekken, waarin naar het oordeel van het hof versluierd wordt gesproken over verdovende middelen. Het is echter niet duidelijk of deze gesprekken mede betrekking hebben op hasj zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken. Onder feit 2 is eveneens tenlastegelegd dat verdachte opzettelijk hasj aanwezig zou hebben gehad. De in de woning aan de [adres A], waar verdachte is aangehouden, aangetroffen hasj en hennep zijn afzonderlijk tenlastegelegd onder feit 5 zodat naar het oordeel van het hof het opzettelijk aanwezig hebben van hasj, zoals tenlastegelegd onder feit 2, niet hierop ziet.

het onder 3 tenlastegelegde

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, omdat geen sprake zou zijn van een organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet. Hoewel volgens de rechtbank gesproken kan worden van een in de tijd langer durend samenwerkingsverband tussen verschillende personen, waaronder verdachte, met betrekking tot de handel in harddrugs en de doelstelling voor ieder individu geldelijk gewin zal zijn geweest, is volgens de rechtbank van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling en een bepaalde hiërarchie onvoldoende gebleken. Als gevolg daarvan is van enige druk op de individuele leden, die gemeenschappelijke regels niet zouden naleven, evenmin gebleken.

Volgens de advocaat-generaal heeft de rechtbank met het bovengenoemde een toets aangelegd die inmiddels door de jurisprudentie achterhaald is. De advocaat-generaal meent dat bij een juiste hantering van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria wel kan worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring van dit feit kan worden gekomen, gelet op de jurisprudentie betreffende de zogenaamde ‘Hofstadgroep’. Uit deze jurisprudentie vloeit volgens de advocaat-generaal voort dat personen van een bepaalde groep deel uitmaken van een criminele organisatie, wanneer twee personen van die groep gedurende enige tijd in gestructureerd verband hebben samengewerkt.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde omdat, gelet op de korte periode van het tenlastegelegde, geen sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken van gemeenschappelijke regels, een gemeenschappelijke doelstelling, een bepaalde hiërarchie en druk op individuele leden.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop dat de jurisprudentie die betrekking heeft op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ook van toepassing is wanneer artikel 11a van de Opiumwet is tenlastegelegd.

Met de advocaat-generaal is het hof verder van oordeel dat uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr (namelijk voor zover wel aan andere door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden is voldaan). In zoverre heeft de rechtbank inderdaad een te strenge toets gehanteerd.

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad dient onder een organisatie in de zin van artikel 140 Sr (en dus ook in de zin van artikel 11a Opiumwet) te worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.

Het hof is van oordeel dat ondanks de tekstuele ruimte die de bovengenoemde criteria bieden, niet te snel aangenomen dient te worden dat daaraan is voldaan. Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie leidt immers tot het opleggen van een ingrijpende straf of (in geval er meer bewezen verklaarde feiten zijn) tot een aanmerkelijke strafverzwaring.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het dossier blijkt dat tussen de verdachte en de medeverdachten gedurende ongeveer drie weken sprake is geweest van enige samenwerking in de handel in cocaïne. Daarbij is echter niet gebleken dat deze samenwerking duurzaam was, gelet op de korte periode die het hof bewezen zal verklaren. Evenmin is gebleken van enige structuur binnen de samenwerking.

Het hof spreekt de verdachte om die reden vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit.

het onder 4 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring van dit feit kan worden gekomen.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van dit feit. De mCCP is aangetroffen op de [adres A] en volgens de raadsvrouw woonde de verdachte niet op dit adres zodat de aanwezigheid van de mCCP niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof overweegt als volgt.

Voor de uitleg van het begrip ‘geneesmiddel’ in de Geneesmiddelenwet moet maatgevend worden geacht de richtlijn 2001/83 EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB L 136, blz 34, hierna: richtlijn 2001/83).

Artikel 1, punt 2 van deze richtlijn definieert het begrip geneesmiddel als volgt:

a) elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens, (het aandieningscriterum) of

b) elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologische, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen (het toedieningscriterium).

Het Hof van Justitie EG heeft in een aantal arresten nadere uitleg gegeven over deze criteria.

Uit deze rechtspraak vloeit – kort gezegd – voort dat een tablet als een geneesmiddel op grond van het toedieningscriterium kan worden aangemerkt indien een afzonderlijke tablet een werkzame dosering bevat van een stof die kan leiden tot noemenswaardig herstel of een noemenswaardige verbetering of wijziging van fysiologische functies van de mens.

Daarbij heeft het Hof van Justitie EG beslist dat het normale gebruik van de middelen richtinggevend is.

Uit die rechtspraak volgt dat niet redengevend is of een product een stof bevat die op zichzelf is te duiden als farmaceutische stof.

In het onderhavige dossier volgt uit de rapportage van het NFI van 16 juni 2011 weliswaar dat de in de woning aan de [adres A] te Utrecht aangetroffen gleuftabletten à 0,25 gram per stuk de stof mCCP bevatten, maar het rapport vermeldt niet of daarbij sprake is van een werkzame hoeveelheid van die stof, terwijl ook geen ander bewijs voorhanden is waaruit voortvloeit dat sprake is van een werkzame dosis mCCP. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de aangetroffen tabletten niet als geneesmiddel kunnen worden gekwalificeerd op basis van het toedieningscriterium.

De volgende vraag is of de tabletten als geneesmiddel zijn te kwalificeren op grond van het aandieningscriterium.

Aan dat criterium is voldaan indien ‘een product wordt „aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen” in de zin van richtlijn 2001/83 (…) wanneer het uitdrukkelijk als zodanig wordt „aangeduid” of „aanbevolen”, eventueel op het etiket, in de bijsluiter of ook mondeling, dan wel wanneer het, impliciet maar niet minder stellig, bij de met een gemiddeld onderscheidingsvermogen begiftigde consument door de wijze van aandiening de indruk wekt dat het die eigenschappen heeft’.

Daarbij heeft het Hof voorts overwogen dat de uiterlijke vorm van het product een aanwijzing kan vormen voor de bedoeling van de verkoper of fabrikant om het product al dan niet als geneesmiddel in de markt te brengen, maar dit kan geen beslissende aanwijzing zijn, omdat ook andere producten dan geneesmiddelen traditioneel in die vorm worden aangeboden.

In het onderhavige geval is sprake van gleuftabletten, paars van kleur en met een breuklijn en een diepdruk van de letter X. Een verpakking of bijsluiter van de tabletten is niet voorhanden.

De enkele tabletvorm, kleur en opdruk van de bij de verdachte aangetroffen tabletten, wekt naar het oordeel van het hof niet de indruk dat het product therapeutische of profylactische eigenschappen zou bezitten. De tabletten zijn derhalve (ook in zoverre) niet te duiden als geneesmiddel. Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde.

het onder 6 en 7 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerequireerd dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van deze feiten.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte van deze feiten vrij te spreken. De wapens en munitie zijn aangetroffen op het adres [adres A] te Utrecht. Volgens de raadsvrouw was de verdachte niet de bewoner van het pand op dit adres en verbleef hij daar ook niet zo regelmatig dat daaruit volgt dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze goederen op dat adres.

Het hof is van oordeel zoals hierna nog zal blijken, dat verdachte in de weken voorafgaand aan de vondst van de onder 6 en 7 genoemde voorwerpen vaak aanwezig was op het adres [adres A] te Utrecht.

Dit brengt echter nog niet met zich mee dat bewezen kan worden dat de verdachte daarmee wetenschap had van de in die woning aanwezige wapens en munitie. Een nepvuurwapen met een demper is aangetroffen in een lade van het dressoir in de keuken, het tweede wapen (een nepvuistvuurwapen) is aangetroffen in een grote zwarte weekendtas in één van de slaapkamers en de munitie is aangetroffen achter kleding in een kledingkast in een andere slaapkamer van de woning.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist van de aanwezigheid van wapens en munitie in voornoemde woning en dat de woning ook door anderen werd gebruikt. Het enkele feit dat de verdachte in deze woning heeft verbleven, acht het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen. Andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte wetenschap had van de wapens en munitie in de woning, of dit zou moeten hebben weten, ontbreekt. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de onder 6 en 7 tenlastegelegde feiten.

Overweging met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 en 5 tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 5 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De advocaat-generaal heeft ter zake van de onder 1 en 5 tenlastegelegde feiten gerequireerd tot een bewezenverklaring.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte van deze feiten vrij te spreken omdat onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Voor wat betreft het onder 5 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw bovendien opgemerkt dat de verdachte niet de bewoner was van het adres [adres A] te Utrecht en de in die woning aangetroffen cocaïne derhalve niet van de verdachte was.

Het hof oordeelt als volgt.

Het pand dat is gelegen aan de [adres A] te Utrecht is op 9 december 2010 doorzocht. In de woning werd een grote hoeveelheid drugs aangetroffen, namelijk cocaïne, hasjiesj en hennep. Ook werden drie weegschalen aangetroffen op het dressoir in de keuken, in een lade van het halkastje en in een koelkast. De verdachte en een medeverdachte werden die dag in diezelfde woning aangehouden. Bij de verdachte werd een sleutel van de woning gevonden.

In het dossier zijn tapgesprekken aanwezig waaruit onder meer blijkt dat de verdachte in de periode voorafgaand aan zijn aanhouding veelvuldig in de woning aanwezig was, in het bijzonder op 20 november 2010, 23 november 2010, 26 november 2010, 7 december 2010 en 8 december 2010.

Ook de verdachte en zijn moeder hebben verklaard dat de verdachte regelmatig in de woning aan de [adres A] te Utrecht heeft verbleven.

Gelet verder op het gegeven dat verspreid door de woning drugs en weegschalen zijn aangetroffen en verdachte bovendien betrokken was bij de handel in drugs, is het hof van oordeel dat de verdachte niet alleen wist van de aanwezigheid van die drugs in die woning, maar ook de beschikkingsmacht had over die drugs.

Het onder 5 tenlastegelegde feit acht het hof daarmee bewezen.

Voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde feit geldt het volgende.

De in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bestaan grotendeels uit tapgesprekken en sms-berichten. Daaruit blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode contact had met [medeverdachte 1]. Van [medeverdachte 1] is gebleken dat hij handelde in cocaïne. Dit is onder meer gebleken uit de verklaring van [getuige 1]. Uit zijn verklaring blijkt dat hij cocaïne kocht van [medeverdachte 1] en dat hij daarvoor € 40,- per gram betaalde.

In de gesprekken en sms-berichten tussen verdachte en [medeverdachte 1] is sprake van versluierd taalgebruik en wordt er over aantallen/bedragen gesproken. Zoals hieronder beschreven kan uit enkele gesprekken, gelet op de genoemde prijzen, worden afgeleid dat het daadwerkelijk om cocaïne gaat.

Uit tapgesprekken is namelijk gebleken dat [medeverdachte 1] cocaïne van [medeverdachte 2] heeft gekocht in de tenlastegelegde periode.

Op 20 november 2010 om 17.23.16 uur heeft [medeverdachte 1] contact gehad met de verdachte over prijzen, waarbij [verdachte] sprak over 37 (p. 1240). Vervolgens belde om 17.24.17 uur [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2]. In dat gesprek werd tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overlegd over prijzen; [medeverdachte 1] stelde de prijs 38 en zakte op voorstel van [medeverdachte 2] naar 37,5 (p. 1091 en 1105 dossier). Daarna is [medeverdachte 1] om 17.25.47 uur gebeld door de verdachte, waarbij werd gezegd dat ‘hij’ 37,5 als laagste zei (p. 1241).

Ook heeft [medeverdachte 1] op 23 november 2010 om 18.42.40 uur naar de verdachte gebeld met de vraag of de verdachte nog ammoniak heeft (p. 1240). Het is een feit van algemene bekendheid dat ammoniak wordt gebruikt bij de handel in cocaïne.

Voorts verbleef de verdachte in de tenlastegelegde periode in een pand waar een aantal weegschalen en een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne is aangetroffen (meer dan een gebruikershoeveelheid).

Het hof leidt uit deze gang van zaken af dat de verdachte met [medeverdachte 1] heeft samengewerkt in de handel van cocaïne en komt op grond daarvan tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op tijdstip(pen) in de periode van 13 november 2010 tot en met 9 december 2010 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.

hij op 09 december 2010 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres A]) 34,04 gram, van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

en

hij op 09 december 2010 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [adres A]) 1637,33 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) en 6162,13 gram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 tot en met 7 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft de verdachte van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 4 tot en met 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft geëist dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden.

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – de handel in cocaïne en het bezit van hard drugs en een grote hoeveelheid soft drugs.

In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Door zijn handelwijze heeft verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen. Verdachte heeft zich daarbij slechts laten leiden door financieel gewin met veronachtzaming van de maatschappelijke gevolgen.

De ernst van de door de verdachte gepleegde feiten rechtvaardigt slechts het opleggen van een gevangenisstraf.

Het hof heeft evenwel ten voordele van de verdachte in de strafoplegging meegewogen dat de verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juli 2012 niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Gelet daarop en gelet op de beperkte bewezenverklaring waartoe het hof is gekomen is het hof van oordeel dat een lagere straf aan de verdachte dient te worden opgelegd dan geëist door de advocaat-generaal. Het hof acht oplegging aan verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (weegschalen, op beslaglijst genummerd onder 3,6 en 7) zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 5 begane feit aangetroffen. Zij behoren aan verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. De in beslag genomen wapens (op beslaglijst genummerd onder 24 en 25) zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar verdachte aangetroffen. Verdachte wordt weliswaar vrijgesproken van het voorhanden hebben van die wapens, maar dat neemt niet weg dat kan worden vastgesteld dat (door een onbekend gebleven dader) met betrekking tot die wapens een strafbaar feit is begaan. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3,10 en 11van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de als bijlage II aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers 3, 6 en 7 en 24 en 25 genoemde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de op de als bijlage II aan dit arrest gehechte beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4, 5, 8 t/m 23 en 26 genoemde voorwerpen.

Heft op het bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr J.D. den Hartog en mr B.W.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 5 september 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.