Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX9309

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
05-10-2012
Zaaknummer
200.018.238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Testament. Wil en verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.018.238

(zaaknummer rechtbank 162599 / HA ZA 07-1773)

arrest van de vierde civiele kamer van 11 september 2012

inzake

1. [appellante sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [appellante sub 4],

wonende te [woonplaats],

handelende zowel voor zichzelf als in haar hoedanigheid van curator van [A.],

wonende te [woonplaats],

5. [appellante sub 5],

wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal hoger beroep en

appellante sub 4, in haar hoedanigheid van curator van [A.], tevens als geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: voorheen mr. M.A. de Vos- van der Eijk te Tiel, thans mr. K. van Barneveld-Peters te Arnhem,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.A.L. Ponjee-Scheurwater te Veenendaal.

1. De voortzetting van het geding in hoger beroep

1.1 Bij tussenarrest van dit hof van 5 juli 2011 zijn de getuigenverhoren ten aanzien van de bewijsopdracht aan [appellanten] zoals vermeld in het dictum van het tussenarrest van 24 november 2009 heropend.

1.2 Bij brief van 19 december 2011 heeft mr. Ponjee producties in het geding gebracht.

1.3 Op 20 december 2011 heeft bij dit hof een zitting plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.4 Op 13 februari 2012 heeft het hof een faxbrief van die datum met bijlage van mr. Ponjee ontvangen.

1.5 Ter zitting van dit hof van 13 februari 2012 is één getuige gehoord. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.6 Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd, dat (nader) is bepaald op heden.

2. De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 In het tussenarrest van 24 november 2009 heeft het hof zowel [appellanten] als [geïntimeerden] toegelaten tot bewijslevering. [appellanten] hebben vier getuigen doen horen. [geïntimeerden] hebben afgezien van het doen horen van getuigen. In het tussenarrest van 5 juli 2011 zijn de getuigenverhoren ten aanzien van de bewijsopdracht aan [appellanten] zoals vermeld in het dictum van het tussenarrest van 24 november 2009 heropend.

Bewijsopdracht [appellanten]

2.2 [appellanten] zijn in het tussenarrest van 24 november 2009 toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat [B.] (verder ook te noemen: [B.]) ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking op 16 april 2003, en ten tijde van het maken van de overige door hem gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen.

2.3 Het hof gaat thans over tot de bewijswaardering.

2.4 Ter zitting van dit hof van 8 maart 2010 zijn aan de zijde van [appellanten] getuigenverhoren gehouden. Op die datum zijn als getuigen gehoord [C.], gepensioneerd huisarts, [D.], voormalig klasgenoot van [B.], [E.], een neef van [B.] (oomzegger), en [F.], een nicht van [B.] (oomzegster). Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

2.5 Ter zitting van dit hof van 13 februari 2012 is in tegenverhoor [G.] als getuige gehoord. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

2.6 Onder verwijzing naar de vermelde processen-verbaal van de getuigenverhoren gelden de verklaringen van de getuigen als hier ingelast en herhaald.

2.7 Uit de verklaring van de getuige [C.] blijkt dat hij [B.] in zijn huisartsenpraktijk, hoewel “niet vaak”, heeft gezien van 1970 tot 1981 – vanaf 1981 was een collega van hem de behandelend huisarts van [B.] – en in 2006 enkele keren tot aan het overlijden van [B.] op 28 oktober 2006. Deze getuige [C.] heeft onder meer verklaard dat naar zijn inschatting de geestelijke capaciteiten van beide broers, [A.] en [B.], ongeveer gelijk waren, dat zij beiden een geestelijke achterstand hadden, alsmede dat, indien [C.] als huisarts iets met [B.] besprak, hij de indruk had dat hij aan [B.] het besprokene kon duidelijk maken en dat hij ook de indruk had dat [B.] hem wel begreep. Mr. De Vos heeft aan deze getuige voorgehouden “dat inmiddels vaststaat dat [A.] de verstandelijke vermogens van een klein kind heeft” en heeft de getuige de vraag gesteld of dat ten aanzien van [B.] ook gold. De getuige heeft op die vraag verklaard: “Dat is volgens mij tijdens mijn praktijkvoering niet vastgesteld.” Deze getuige heeft tevens verklaard: “Mijn indruk van [B.] in de beginperiode was dat hij een timide man was, maar wel kon aangeven wat er aan de hand was. Als ik maar kort en duidelijk aangaf aan [B.] wat hij moest doen, dan had ik de indruk dat hij dat begreep.” Op de vraag van mr. De Vos of [B.] geacht kon worden de strekking van een testament in te schatten, heeft deze getuige als volgt verklaard: “Ik antwoord daarop dat ik er vanuit ga dat in dat geval aan [B.] wordt uitgelegd wat erin komt te staan en dat [B.] dat ook zal hebben kunnen begrijpen. In die zin dat wat er staat dan ook zijn wil is.” Op een vraag van mr. Ponjee heeft getuige [C.] verklaard: “Ik ben niet door een notaris benaderd ten aanzien van [B.] in 2003. Overigens is dat nooit het geval geweest.”

2.8 De getuige [D.] heeft onder meer verklaard dat hij [B.] heel goed gekend heeft, van de lagere school. Na de schoolperiode heeft hij [B.] ook nog vaak ontmoet. Deze getuige had namelijk, volgens zijn verklaring, gedurende zes jaar een kersenboomgaard gepacht aangrenzend aan het perceel van [B.]. Volgens deze getuige was [B.] “een stille jongen en erg dom”, die niet kon leren en alles niet goed begreep. Deze getuige “snap(t) niet hoe [B.] een testament heeft kunnen opmaken en hoe hij dat heeft kunnen tekenen. [B.] had niet het benul om het te begrijpen. Ik denk dat ze hem geholpen hebben. Ik ben er niet bij geweest”. Op een vraag van mr. Ponjee heeft deze getuige verklaard: “Ik heb met [B.] nooit over persoonlijke dingen gesproken. Ik heb met hem ook niet gesproken over het maken van een testament.”

2.9 De getuige [E.] heeft onder meer verklaard dat [B.] een oom van hem was. Deze getuige is volgens zijn verklaring als het ware met [B.] opgegroeid, hij woonde vlakbij [B.] en kwam regelmatig bij [B.] op bezoek. Deze getuige heeft verklaard dat [B.] beperkt was in zijn geestelijke vermogens; hij kon niet lezen en niet schrijven. Deze getuige heeft [B.] wel eens naar de dokter gereden: “Als ik [B.] naar de dokter reed, ging ik ook wel met hem mee naar binnen bij de dokter. De dokter wist wel hoe hij het een en ander aan [B.] moest uitleggen; [B.] begreep het dan ook wel.” Met betrekking tot de testamenten heeft deze getuige verklaard: “[B.] heeft nooit tegen mij gezegd dat hij een testament had gemaakt. Ik zou het ook niet hebben willen weten. Ik heb gehoord dat [B.] meerdere testamenten heeft gemaakt. Ik heb daar geen goed gevoel bij. Dat komt omdat [B.] beïnvloedbaar was. Ik denk dat daar misbruik van is gemaakt. Ik denk dat omdat hij beïnvloedbaar was. U vraagt mij nader waarom ik denk dat er misbruik van is gemaakt. Ik verklaar nader dat dit nu eenmaal mijn gedachten zijn. Hier zit een heel verhaal achter.” Op een vraag van mr. De Vos, of [B.] moet hebben beseft wat de betekenis van het testament was, heeft deze getuige verklaard: “Ik antwoord daarop dat ik dat niet weet. Ik ben er niet bij geweest.”

2.10 De getuige [F.], een nicht van [B.], heeft onder meer het volgende verklaard. Zij heeft [B.] goed gekend, ook in de periode dat [B.] samen met [A.] de bewuste woning bewoonde. Volgens deze getuige zijn [B.] en [A.] met een zware handicap geboren. Het lezen en schrijven lukte hen niet. Maar je kon ze wel vaardigheden aanleren opdat ze zich konden redden, zoals hoe poets je je schoenen, hoe onderhoud je de moestuin en hoe kook je je potje, aldus deze getuige. In de communicatie werd vaak een vraag verkeerd begrepen (door [B.] en [A.]). Dat uitte zich dan in boos worden en ruzie maken, niets zeggen tegen elkaar en heel lang zwijgen of weglopen. Deze getuige heeft volgens haar verklaring geen zicht op hoe [B.] en [A.] het met de boodschappen deden. Met betrekking tot de testamenten heeft deze getuige verklaard dat zij heeft begrepen dat [B.] meerdere testamenten heeft gemaakt. “Ik heb er geen moment over nagedacht dat [B.] dat gezien zijn beperkte capaciteiten zou kunnen. Ik ging er vanuit dat de notaris dat wel zou hebben geregeld, want die kent de wet.” Deze getuige heeft nog verklaard dat zij als vrijwilligster bekend is met speciaal onderwijs. “Als ze ([B.] en [A.], toevoeging hof) nu naar school zouden gaan, dan zouden ze in het ZMLK terecht zijn gekomen en daarna in de sociale werkplaats.”

2.11 De getuige [G.] heeft van 1979 tot mei 1981 voor [B.] en [A.] gewerkt als intern wonend huishoudster. Deze getuige heeft onder verklaard als volgt:

“(…) Ik kon in de tijd waarin ik huishoudster was bij [B.] en [A.] beter met [B.] praten dan met [A.]. Ik bedoel dan dat ik iets beter aan hem kon uitleggen dan aan [A.]. [B.] begreep mij beter. Ik kon normale dagelijkse dingen met [B.] bespreken. Ik heb er wel eens bij gezeten dat [B.] naar de televisie keek. Hij praatte dan ook over de dingen die hij op televisie zag. Er kwam wel eens een SRV-winkelwagen bij ons aan huis en [B.] kon dan ook gewoon de rekening betalen. (…) Als [B.] naar de dokter moest, dan ging [B.] alleen, en soms ook wel met zijn zuster, [H.]. [B.] ging dan of met de fiets of met de auto mee met zijn zus. Als er rekeningen thuis kwamen, zoals van een energiebedrijf, dan werd dat geregeld door [H.]. U stelt mij de vraag of [B.] in de tijd dat ik daar woonde in staat zou zijn geweest om een contract te lezen en te begrijpen. Ik antwoord daarop dat, als hij daar bij geholpen werd, dat zou kunnen begrijpen. Ik bedoel daarmee dat iemand anders hem moest voorlezen en uitleggen. (…) Ik denk niet dat [B.] makkelijk beïnvloedbaar was. Als [B.] iets wilde, dan stond hij er wel achter. En als hij het niet wilde, dan deed hij het niet.”

2.12 Uit de voormelde getuigenverklaringen valt enerzijds af te leiden dat [B.], bondig gezegd, een “geestelijke achterstand” had (getuige [C.]), “een stille jongen en erg dom” was (getuige [D.]), “beperkt was in zijn geestelijke vermogens; hij kon niet lezen en niet schrijven” (getuigen [E.] en [F.]), maar anderzijds ook dat [B.] het bij de dokter wel redde; zie getuige [C.]: “[B.] (…) wel kon aangeven wat er aan de hand was. Als ik maar kort en duidelijk aangaf aan [B.] wat hij moest doen, dan had ik de indruk dat hij dat begreep”. Dit vindt, ten aanzien van het doktersbezoek, bevestiging in de verklaring van de getuige [G.], die ook overigens een minder ernstig beeld ten aanzien van [B.] schetst dan de getuigen [D.], [E.] en [F.]. Getuige [G.] kon de normale dagelijkse dingen met [B.] bespreken; [B.] keek naar de televisie en praatte over de dingen die hij daar zag; [B.] kon bij de SRV-winkelwagen “ook gewoon de rekening betalen” en indien iemand [B.] zou helpen (voorlezen en uitleggen) was [B.] volgens deze getuige ook in staat een contract te lezen en te begrijpen.

2.13 Meer specifiek met betrekking tot de vraag of [B.] in staat is geweest de strekking van een testament in te schatten heeft de toenmalige huisarts, getuige [C.], verklaard: “ik ga er vanuit dat in dat geval aan [B.] wordt uitgelegd wat erin komt te staan en dat [B.] dat ook zal hebben kunnen begrijpen. In die zin dat wat er staat dan ook zijn wil is.” In lijn met deze verklaring is de verklaring van getuige [G.] op het vermelde punt van het door [B.] kunnen begrijpen van een contract. De getuige [D.] “snap(t) niet hoe [B.] een testament heeft kunnen opmaken en hoe hij dat heeft kunnen tekenen. [B.] had niet het benul om het te begrijpen. Ik denk dat ze hem geholpen hebben.” De getuige [E.] heeft “geen goed gevoel” bij het door [B.] maken van een testament, omdat “[B.] beïnvloedbaar was. Ik denk dat daar misbruik van is gemaakt. Ik denk dat omdat hij beïnvloedbaar was.” Volgens getuige [G.] was [B.] juist niet gemakkelijk beïnvloedbaar. Getuige [F.] heeft verklaard niet te denken “dat [B.] dat gezien zijn beperkte capaciteiten zou kunnen”, maar deze getuige gaat er ook weer vanuit “dat de notaris dat wel zou hebben geregeld, want die kent de wet.”

2.14 Dit laatste brengt het hof bij de notaris, mr. R.E.Gh.H.M. Swane te Geldermalsen, ten overstaan van wie [B.] het testament d.d. 16 april 2003 heeft doen opmaken. Het is het hof ambtshalve bekend, en is overigens een feit van algemene bekendheid, dat notarissen bij het opstellen van een testament juist bij mensen met een beperkte verstandelijke capaciteit extra alert moeten zijn en goed moeten toetsen of wil en verklaring van de testateur wel met elkaar overeenstemmen. In de brief van notaris mr. Swane aan mr. Ponjee van 5 december 2007 valt onder meer het volgende te lezen: “Zonder inhoudelijk in te gaan op uw brief kan ik u berichten dat ik nooit een testament zal passeren indien ik enige indicatie heb dat de testateur zijn wil niet kan uiten.” Het hof leest in deze passage dat die indicatie ten aanzien van [B.] ontbrak. Vaststaat ook - het testament is immers verleden – dat er voor deze notaris geen aanleiding was zijn medewerking aan het verlijden van het testament te weigeren.

2.15 [geïntimeerden] hebben bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie als producties 21 t/m 23 medische gegevens in het geding gebracht over welke zij de beschikking hadden gekregen. Het gaat hier om een brief van 1 september 1952 van de Inspectie Geneeskundige Dienst Koninklijke Landmacht, waaruit blijkt dat [B.] wegens “deb.mentis” (is debilitas mentis, naar tussen partijen in confesso is) werd afgekeurd voor de militaire dienst, een brief van 8 oktober 1965 van zenuwarts H.J. Vissers, waaruit blijkt dat deze arts [B.] op dat moment als “zwakbegaafd tot debiel” bevond, alsmede een brief van oogarts W.P.R. Idema van 22 april 1994, in welke brief de oogarts schrijft het onbegrijpelijk te vinden dat patiënt ([B.], toevoeging hof) zo lang zonder bril heeft kunnen functioneren, en vervolgens dan ook [B.] een vertebril heeft voorgeschreven. Uit de context van de vermelde brief van zenuwarts Vissers blijkt dat deze arts [B.] niet heeft onderzocht op verstandelijke vermogens, maar in verband met klachten aan het linkerbeen als gevolg van een vasculaire stoornis. Uit deze stukken kan afgeleid worden dat [B.] in 1952 en 1965 door de vermelde geneeskundige dienst en arts als zwakbegaafd werd geoordeeld, maar hieruit blijkt niet van een relevante geestelijke stoornis ten tijde van het testament op 16 april 2003.

2.16 [A.] is op 5 juni 2007 door de rechtbank Arnhem wegens gebrekkige geestvermogens onder curatele gesteld. [appellanten] betrekken de - door [geïntimeerden] gemotiveerd betwiste - stelling dat de geestelijke vermogens van [B.] en [A.] (nagenoeg) gelijk aan elkaar geweest zijn toen beiden nog in leven waren, en dat, gelet op de curatele ten aanzien van [A.], ook op die grond moet worden aangenomen dat [B.] op grond van zijn gebrekkige geestvermogens onder curatele gesteld had kunnen zijn. Feit is echter dat [B.] nimmer onder curatele is gesteld. De getuige [G.], die circa twee jaar als intern huishoudster voor [B.] en [A.] heeft gewerkt, heeft als getuige verklaard dat er een verschil was, ten gunste van [B.], in het vermogen van [B.] en [A.] om begripsmatig te communiceren: “Ik kon in de tijd waarin ik huishoudster was bij [B.] en [A.] beter met [B.] praten dan met [A.]. Ik bedoel dan dat ik iets beter aan hem kon uitleggen dan aan [A.]. [B.] begreep mij beter.” Het gegeven dat [A.] op 5 juni 2007 onder curatele is gesteld, brengt mitsdien niet noodzakelijkerwijs mee, dat [B.] op 16 april 2003 ten tijde van het opmaken van het testament niet in staat is geweest zijn wil te bepalen.

2.17 Tussen partijen is in confesso, dat [B.] ook eerder dan op 16 april 2003 testamenten heeft doen opmaken. Bij de stukken bevindt zich een testament d.d. 12 november 1981 verleden ten overstaan van kandidaat-notaris mr. Van Hoogstraten, en een concept-testament d.d. 8 juni 1999 opgesteld door notaris mr. Swane. Daarnaast hebben [B.] en [A.] op 12 september 1964 een onderhandse overeenkomst gesloten houdende afspraken over de kosten van de huishouding en het onderhoud van de woning, welke overeenkomst in het bijzijn van een notaris is ondertekend. Bovendien zijn [B.] en [A.] partij geweest bij een akte van verdeling en een akte van hypotheekverlening. In al die gevallen heeft de betrokken notaris kennelijk geen aanleiding gezien tot ingrijpen op grond van twijfel omtrent de verstandelijke vermogens van [B.]. [appellanten] hebben geen van de betrokken notarissen als getuige doen horen. Ook [appellanten] zijn samen met [B.] en [A.] partij geweest bij de akte van verdeling van 24 december 1978 (rov. 2.7 van het bestreden vonnis) en de onderhandse akte van maart 1975 en zijn kennelijk ervan uitgegaan dat [B.] en [A.] ten aanzien van de rechtshandelingen in die akten hun wil konden bepalen.

2.18 Op grond van de inhoud van de getuigenverklaringen en die van de andere schriftelijke bescheiden, komt het hof tot het oordeel dat [appellanten] niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd.

2.19 De grieven 1, 2 en 3 in het principaal appel zijn mitsdien tevergeefs voorgedragen.

2.20 De vermeerdering van eis zijdens [appellanten], als vermeld in hun memorie van grieven pagina 18, met betrekking tot de nietigverklaring dan wel vernietiging van alle rechtshandelingen verricht door [B.] en [A.], behoeft niet te worden besproken, omdat aan de daarbij door [appellanten] geformuleerde voorwaarde niet is voldaan.

2.21 Grief 4 in het principaal appel faalt ook. Voor zover in eerste aanleg al een omissie mocht hebben plaatsgevonden in dan wel door het tussenvonnis van 5 maart 2008, hebben [appellanten] geen belang bij een vernietiging van dat tussenvonnis en/of eindvonnis, nu zij in hoger beroep alle mogelijkheden hebben gehad, en benut, om hun vorderingen en verweren tegen de reconventionele vorderingen voor het voetlicht te brengen.

Bewijsopdracht [geïntimeerden]

2.22 [geïntimeerden] zijn in het tussenarrest van 24 november 2009 toegelaten tot het bewijs van hun stelling dat de zaken zoals genoemd in productie 28 bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie uitsluitend in eigendom toebehoorden aan [B.]. [geïntimeerden] hebben geen getuigen doen horen. Blijkens het gestelde onder nr. 30 in hun memorie van antwoord na enquête is zulks bewust gebeurd, en wensen [geïntimeerden] dat het hof beslist op het in het geding gebrachte schriftelijke bewijsmateriaal.

2.23 Bij dit laatste doelen [geïntimeerden] op de nota’s en betaalbewijzen, die zijn overgelegd als productie 29 bij de vermelde conclusie. Indien uit deze stukken blijkt dat die goederen op naam van [B.] gekocht zijn, dan wel door hem zijn betaald, dan is daarmee de eigendomsvraag in beginsel beslist. Echter, het hof is gebleken dat niet al die nota’s op naam van [B.] staan. Het hof zal daarom een comparitie van partijen bepalen, opdat [geïntimeerden] ter zitting precies zullen aangeven uit welke stukken blijkt van de uitsluitende eigendom van [B.].

Afrekening overeenkomst van 12 september 1984

2.24 De rechtbank heeft daaromtrent overwogen in de rov. 4.9 en 4.10 van het vonnis van 1 oktober 2008. Daartegen richten zich de grieven 5, 6 en 7 van het principaal appel. In de memorie van grieven, op pagina 20, is onder meer een beroep op verjaring gedaan. Ter comparitie van partijen zal over deze vordering gesproken worden, in de verwachting dat partijen op dit onderwerp een minnelijke regeling zullen treffen.

Eigenaarslasten

2.25 Op pagina 28 van de memorie van grieven is bij wege van eisvermeerdering door kennelijk appellante sub 4 q.q. namens [A.] jegens [geïntimeerden] aanspraak gemaakt op de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten sedert 1 januari 2006, op te maken bij staat en te verrekenen bij de financiële afwikkeling. [geïntimeerden] hebben deze vordering betwist, en subsidiair aangegeven tot verrekening te willen overgaan.

Verdeling subsidiair machtiging ex artikel 3:174 BW

2.26 De rechtbank heeft mr. Kampschöer te Ammerzoden benoemd als notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling van de woning zullen plaatsvinden. In grief 9 komt appellante sub 4 q.q. daartegen op. [geïntimeerden] hebben hun eis in reconventie vermeerderd met een subsidiaire vordering tot het verkrijgen van een machtiging ex artikel 3:174 BW tot - kort gezegd - verkoop van de litigieuze woning. Het hof begrijpt uit hetgeen partijen in de laatste processtukken hebben aangevoerd dat zij allen, anders dan bij de aanvang van deze procedure in hoger beroep, er thans vanuit gaan dat de woning dient te worden verkocht. In het tussenarrest van 5 juli 2011 heeft het hof aangegeven hierover nader met partijen te willen spreken, met name ook in verband met hetgeen [appellanten] hebben gesteld in hun akte d.d. 21 september 2010 onder 12. Dit moet alsnog gebeuren ter comparitie van partijen.

Slotsom

2.27 Op grond van het vorenoverwogene zal het vonnis in conventie van de rechtbank Arnhem van 1 oktober 2008 worden bekrachtigd. In reconventie staan nog enkele beslispunten open, zoals hiervoor is overwogen, waarvoor een comparitie van partijen wordt bepaald. Het hof verwacht dat partijen, nu het voornaamste geschilpunt (de conventie) is beslist, ook al vóór de comparitie met elkaar in overleg zullen treden om zoveel mogelijk resterende punten met elkaar te regelen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor deze kamer, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, zulks tot het geven van inlichtingen als vermeld in de rov. 2.23, 2.24, 2.25 en 2.26 van dit arrest en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat de verhinderdagen van partijen en van hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2012 zullen worden opgegeven op de roldatum 2 oktober 2012, waarna dag en uur van de comparitie van partijen (ook indien de vermelde opgave van een of meer der partijen ontbreekt) door het hof zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat bij de comparitie van partijen geen gelegenheid zal bestaan om pleitnotities voor te dragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Rijken, J.H. Lieber en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2012.