Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8851

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
200.106.360
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door de stichting bij de verzoekschriften (in eerste aanleg) overgelegde (her)indicatiebesluiten waren niet meer geldig ten tijde van de ingangsdatum van de opvolgende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De latere indicatiebesluiten (van 19 januari 2012) bevatten geen vermelding van de geldigheidsduur van de indicatie en zijn daarom evenmin geldig. Schending van de wet vanwege het eerder ontbreken van geldige indicatiebesluiten ten tijde van de ingangsdatum van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing (12 februari 2012). De op 4 juli 2012 genomen indicatiebesluiten ter vervanging van voormelde besluiten van 19 januari 2012 kunnen die schending niet ongedaan maken en kunnen niet met terugwerkende kracht ten grondslag worden gelegd aan een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 februari 2012. Het hof ziet geen aanleiding te anticiperen op inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het herstel van enige wetstechnische gebreken en andere wijzigingen van ondergeschikte aard (kamerstuk 31 977), nu dit wetsvoorstel zich in een premature fase bevindt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.106.360

(zaaknummer rechtbank 317924 / JE RK 12-48)

beschikking van de familiekamer van 20 september 2012

inzake

[appellant],

wonende te [Woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. F.L.M. Broeders te Utrecht,

en

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, werkeenheid van de Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[A],

wonende te [Woonplaats],

verder te noemen “de vader”,

[B],

wonende te [Woonplaats],

[C]

wonende te [Woonplaats], en

[D],

wonende te [Woonplaats].

verder te noemen “de stiefvader”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 9 februari 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2012, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] af te wijzen en, subsidiair, dat verzoek toe te wijzen voor de duur van zes maanden;

- te gelasten dat het Ambulatorium nader onderzoek dient te verrichten naar de mogelijkheid van terugplaatsing van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3], waarin tevens de pedagogische vaardigheden van de stiefvader worden betrokken en in afwachting van dit onderzoek de machtiging uithuisplaatsing (van voormelde kinderen) te verlengen tot 1 augustus 2012.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 mei 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 25 juni 2012 een brief van mr. Broeders van 22 juni 2012 met bijlagen;

- op 27 juni 2012 een brief van de stichting van diezelfde datum met bijlagen;

- op 3 juli 2012 een brief van de stichting van diezelfde datum met bijlagen.

2.4 De minderjarigen [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] hebben beiden bij brief van 27 juni 2012 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.5 Op 2 juli 2012 is [Minderjarige 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders en belanghebbenden afzonderlijk door het hof is gehoord.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2012 plaatsgevonden. De moeder en de stiefvader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Broeders. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de stichting zijn verschenen mr. W.H. van Wijk, advocaat, G.V. Felida en W. van Amstel, gezinsvoogden. Van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is met kennisgeving aan het hof geen vertegenwoordiger verschenen. De pleegouders [B] en de pleegouders [C] zijn (met kennisgeving aan het hof) niet verschenen.

2.8 Ter mondelinge behandeling heeft mr. Van Wijk een aantal stukken overgelegd, te weten drie indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg te Utrecht van 4 juli 2012.

2.9 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.10 Desgevraagd heeft mr. Broeders ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van door mr. Van Wijk overgelegde stukken, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader en de moeder zijn de volgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:

- [Minderjarige 1] (verder te noemen “[Minderjarige 1]”) op [geboortedatum] 1995;

- [Minderjarige 2] (verder te noemen “[Minderjarige 2]”) op [geboortedatum] 1997 en

- [Minderjarige 3] (verder te noemen “[Minderjarige 3]”) op [geboortedatum] 2000.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige kinderen.

3.2 De vader is gehuwd. De moeder is gehuwd met [D].

3.3 Bij beschikking van 12 februari 2004 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht de kinderen onder toezicht gesteld voor de termijn van één jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd tot 12 februari 2013.

3.4 Ten aanzien van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] is op 11 oktober 2005 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gegeven door de rechtbank Utrecht. Bij beschikking van 8 november 2005 heeft de rechtbank Utrecht de definitieve machtiging tot uithuisplaatsing verleend, welke machtiging telkens is verlengd, laatstelijk bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 20 december 2011 met ingang van 21 december 2011 tot 12 februari 2012.

3.5 De stichting heeft op 21 januari 2010 herindicatiebesluiten genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”). Deze indicatiebesluiten zijn afgegeven voor duur van twee jaar vanaf 12 februari 2010.

3.6 Bij beschikking van 17 april 2011 heeft de rechtbank Utrecht, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van zes maanden, tot 12 november 2011, en een deskundigenonderzoek bevolen. Bij beschikking van 20 december 2011 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin verlengd met ingang van 21 december 2011 voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 12 februari 2012.

3.7 Bij drie afzonderlijke verzoekschriften, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 29 december 2011, heeft de stichting verzocht - ter effectuering van de bijgevoegde indicatiebesluiten van 21 januari 2010 - de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening van pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de te geven beschikking(en) uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op 19 januari 2012 heeft de stichting nieuwe indicatiebesluiten genomen. Deze indicatiebesluiten zijn afgegeven voor de periode vanaf 12 februari 2012.

3.8 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor verblijf pleegouder 24-uurs, zoals bedoeld in de indicatiebesluiten van 19 januari 2012, verlengd met ingang van 12 februari 2012 tot 12 februari 2013.

3.9 [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] zijn op 11 oktober 2005 uit huis geplaatst in een crisispleeggezin, waarna zij op 8 mei 2006 in een netwerkpleeggezin zijn geplaatst en vervolgens op 21 augustus 2008 weer bij het crisispleeggezin. [Minderjarige 1] is geplaatst in het pleeggezin van de familie [C] en [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] zijn beiden geplaatst in het pleeggezin van de familie [B].

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2 Een verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing (artikelen 1:261 en 1:262 BW) is, indien de machtiging zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ, gericht op effectuering van een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 WJZ, waarbij de aanspraak ten behoeve van de minderjarige op de beoogde jeugdzorg wordt gevestigd. Het indicatiebesluit is de grondslag waarop de kinderrechter de beschikking neemt. Dit brengt mee dat bij het verzoek om (verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing een geldig en ter zake dienend indicatiebesluit dient te worden overgelegd. Bij de inleidende verzoekschriften heeft de stichting de kinderrechter verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg overeenkomstig de (her)indicatiebesluiten te verlengen voor de duur van een jaar.

4.3 Vast staat dat de plaatsing van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg zorg betreft als bedoeld in artikel 5 WJZ. De door de stichting bij de verzoekschriften overgelegde (her)indicatiebesluiten ten aanzien van de kinderen dateren van 21 januari 2010 en hebben een geldigheidsduur van twee jaar vanaf 12 februari 2010. Deze indicatiebesluiten waren niet meer geldig ten tijde van de ingangsdatum van de opvolgende verlenging van de machtiging uithuisplaatsing (12 februari 2012) zoals bepaald bij de bestreden beschikking. De indicatiebesluiten van 19 januari 2012 bevatten geen vermelding van de geldigheidsduur van de indicatie en voldoen daardoor niet aan artikel 23 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, in welke bepaling vermelding van die geldigheidsduur wordt voorgeschreven. Deze indicatiebesluiten zijn daarom evenmin geldig.

4.4 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever (de beperkte geldigheidsduur van) het indicatiebesluit van groot belang acht, zoals blijkt uit de volgende passage uit de memorie van toelichting bij artikel 5 WJZ (Tweede Kamer 2001-2002, 28 168, nr 3, p. 55):

“Aanspraken voor onbepaalde duur zijn niet gewenst. Immers regelmatig moet worden beoordeeld, of de cliënt nog behoefte heeft aan de geïndiceerde zorg. Het doel hiervan is zoveel mogelijk te voorkomen dat onnodige of minder effectieve zorg wordt verleend. In verband hiermee zal het indicatiebesluit de termijn noemen gedurende welke de aanspraak geldt”.

(Ook) de wetgever is derhalve van oordeel dat het indicatiebesluit niet een puur formeel, “bureaucratisch” vereiste voor financiering van zorg is.

4.5 Daarbij komt dat een maatregel van kinderbescherming als die tot uithuisplaatsing van een minderjarige een inmenging van het openbaar gezag betekent in de uitoefening van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven van ouder en kind (artikel 8 lid 1 EVRM). Deze inmenging is niet toegestaan, tenzij zij bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in de in artikel 8 lid 2 EVRM genoemde gevallen. Indien, zoals hier, niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor de hiervoor bedoelde inmenging, is sprake van schending van artikel 8 EVRM.

4.6 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de stichting nieuwe indicatiebesluiten overgelegd, welke zijn genomen op 4 juli 2012 ter vervanging van voormelde besluiten van 19 januari 2012. Deze besluiten bevatten een geldigheidsduur van drie jaar vanaf 19 januari 2012.

4.7 Het hof volgt de moeder in haar stelling dat, los van de vraag of inmiddels geldige indicatiebesluiten zijn overgelegd, sprake is van schending van de wet vanwege het eerder ontbreken van geldige indicatiebesluiten ten tijde van de ingangsdatum van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing (12 februari 2012). De op 4 juli 2012 genomen indicatiebesluiten ter vervanging van voormelde besluiten van 19 januari 2012 kunnen die schending niet ongedaan maken en kunnen niet met terugwerkende kracht ten grondslag worden gelegd aan een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 februari 2012.

4.8 Voor zover de stichting heeft bedoeld te stellen dat zij met deze handelwijze vooruitloopt op een wijziging van (het Uitvoeringsbesluit van) de Wet op de jeugdzorg overweegt het hof het volgende. Het voorstel om de duur van de zorg uit het indicatiebesluit te schrappen is bij nota van wijziging van 6 mei 2010 opgenomen in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het herstel van enige wetstechnische gebreken en andere wijzigingen van ondergeschikte aard (voorheen wijziging van de Wet op de jeugdzorg in verband met het opnemen van een gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de jeugdketen), kamerstuk 31 977. Dit wetsvoorstel bevindt zich in een premature fase en dient nog in beide kamers van de Staten-Generaal te worden behandeld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding te anticiperen op inwerkingtreding van dit voorstel.

4.9 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking dan ook te vernietigen en het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 9 februari 2012, en opnieuw beschikkende:

wijst de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [Minderjarige 1], [Minderjarige 2] en [Minderjarige 3] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24-uurs alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, J.H. Lieber en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 20 september 2012.