Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8831

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
200.111.871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.111.871

(zaaknummer rechtbank 11/467 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 1 oktober 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.J. Kiela.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2011 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 17 juli 2012 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd en is het verzoek van [appellant] om een andere bewindvoerder te benoemen afgewezen.

1.3 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 21 augustus 2012 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 17 juli 2012 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en (zo begrijpt het hof) te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem wordt voortgezet.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brief met bijlagen van 17 september 2012 van de advocaat van [appellant], van de brief met bijlagen van 12 september 2012 van de bewindvoerder M. de Vries, alsmede van het op 21 september 2012 ter griffie per fax ingekomen proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2012 van de rechtbank Utrecht. Kopieën van dit proces-verbaal zijn ter mondelinge behandeling door de voorzitter aan de advocaat van [appellant] en de vertegenwoordiger van de bewindvoerder uitgereikt.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2012, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de bewindvoerder is verschenen F. Entjes.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek in

hoger beroep. In dit verband is het volgende gebleken. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 17 juli 2012 uitspraak gedaan. Ingevolge artikel 351 lid1 van de Faillissementswet heeft de schuldenaar ingeval van beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak het recht van hoger beroep. Derhalve verstreek de hoger beroepstermijn op 25 juli 2012. Op 21 augustus 2012 werd door [appellant] hoger beroep ingesteld van voornoemd vonnis, derhalve ruimschoots te laat.

Gelet hierop kan [appellant] niet worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep, tenzij hij kan aantonen dat er zich een grond heeft voorgedaan die afwijking van deze regel zou rechtvaardigen.

3.2 [appellant] stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding in zijn geval verschoonbaar is. Daartoe voert hij aan dat hij het vonnis van de rechtbank van 17 juli 2012 pas op 16 augustus 2012 per gewone post zonder begeleidend schrijven heeft ontvangen van de bewindvoerder. Kort na de zitting van 10 juli 2012, namelijk op 22 juli 2012, heeft hij nog telefonisch navraag gedaan bij de rechtbank of het vonnis al was afgekomen. Dit bleek niet het geval te zijn. [appellant] stelt zich te verbazen over het feit dat het vonnis niet rechtstreeks naar hem is toegezonden maar via de bewindvoerder, zodat hij voor een tijdige verzending van het vonnis afhankelijk was van de bewindvoerder. [appellant] wenst dan ook van de bewindvoerder te vernemen hoe de gang van zaken is geweest rond de verzending van het vonnis. Gelet op de ontvangstdatum van het vonnis moet de bewindvoerder het vonnis te laat hebben doorgezonden aan [appellant].

3.3 Het hof is van oordeel dat de door [appellant] aangevoerde gronden geen afwijking van de hiervoor genoemde regel rechtvaardigen en dat [appellant] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.

Blijkens het proces-verbaal van de op 10 juli 2012 gehouden zitting in eerste aanleg heeft de behandelend rechter aan het eind van de terechtzitting [appellant] medegedeeld dat op 17 juli 2012 uitspraak zou worden gedaan en dat [appellant] tegen die uitspraak binnen acht dagen hoger beroep kon instellen met behulp van een advocaat.

Reeds gelet hierop is het hof van oordeel dat het [appellant] voldoende duidelijk had moeten zijn dat de rechtbank op 17 juli 2012 een vonnis zou wijzen en dat vanaf die datum de beroepstermijn van acht dagen een aanvang zou nemen. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat hij op 22 juli 2012 (de datum die hij in zijn beroepschrift noemt) dan wel op 17 juli 2012 (de datum die [appellant] tijdens de mondelinge behandeling noemde) navraag heeft gedaan bij de rechtbank of het vonnis al was afgekomen en toen te horen kreeg dat dit niet het geval was, maar hij heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Bovendien lag het hoe dan ook op de weg van [appellant] om vanaf 17 juli 2012, de datum waarop de rechter vonnis had bepaald, de voor hem geldende beroepstermijn veilig te stellen, te meer daar de behandelend rechter [appellant] er op heeft gewezen dat hij er ernstig rekening mee moest houden dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling zou beëindigen.

[appellant] betwist weliswaar dat de behandelend rechter aan het einde van de zitting als datum van het vonnis 17 juli 2012 heeft genoemd, maar dit doet niet althans onvoldoende af aan de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtbank. De afwachtende houding van [appellant], die tot de termijnoverschrijding heeft geleid, acht het hof derhalve niet verschoonbaar. Gelet op het voormelde kan [appellant] niet in zijn hoger beroep worden ontvangen en komt het hof aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet toe.

3.4 De advocaat van [appellant] heeft het hof ter mondelinge behandeling voorts verzocht om het beroepschrift van [appellant] zo te lezen dat ook de echtgenote van [appellant], [X], wier schuldsaneringsregeling bij vonnis van dezelfde datum eveneens tussentijds werd beëindigd, geacht wordt hoger beroep te hebben ingesteld van dit vonnis. Daarin kan hij echter niet worden gevolgd, nu het verzoekschrift in hoger beroep uitdrukkelijk slechts [appellant] als verzoeker noemt en het hoger beroep zich ook alleen tegen het in zijn zaak gewezen vonnis richt..

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, H. Wammes en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2012.