Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8788

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
P12/0186
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8434, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8434
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

In zijn beslissing heeft het hof de uitspraak gevolgd van het EHRM van 31 juli 2012 in de zaak Van der Velden tegen Nederland. Het hof is als gevolg van de uitspraak van het Europese hof teruggekomen op zijn eerdere opvatting (hof Arnhem 30 mei 2011, LJN: BQ6616) dat ook aan de verlengingsrechter (in hoger beroep) de bevoegdheid toekomt om zich uit te laten over de al dan niet beperkte duur van de terbeschikkingstelling indien de rechter die de maatregel heeft opgelegd, zich hierover niet heeft uitgelaten.

Volgens het hof is echter geen sprake van enige interpretatie indien blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de straf en/of maatregel zonder meer duidelijk is dat sprake is van een geweldsdelict. In dat geval kan de verlengingsrechter alsnog vaststellen dat het gaat om een geweldsdelict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P12/0186

Beslissing d.d. 1 oktober 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [TBS-kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2012, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 april 2003, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

- het verlengingsadvies van [TBS-kliniek] van 14 december 2011;

- de brief van [TBS-kliniek] van 27 februari 2012, met daarbij de wettelijke aantekeningen over de periode van oktober 2010 tot en met januari 2012;

- de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van de officier van justitie, ingekomen op 2 februari 2012;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 8 maart 2012;

- de aanvullende informatie van [TBS-kliniek] van 12 juni 2012, met daarbij de wettelijke aantekeningen over de periode van februari 2012 tot en met mei 2012;

- het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het hof van 5 juli 2012.

Het hof heeft ter zitting van 3 september 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde bijgestaan door zijn raadsman mr S. Burmeister, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De raadsman heeft primair betoogd dat de maatregel van terbeschikkingstelling niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve is ingevolge dezelfde wettelijke bepaling de duur van de opgelegde maatregel beperkt tot vier jaar. Nu de duur van de maatregel de termijn van vier jaren thans heeft overschreden, dient de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk te worden beëindigd, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman met een beroep op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit verzocht om de reclassering een maatregelrapport te laten opstellen, zodat kan worden bezien onder welke voorwaarden het resocialisatietraject van betrokkene daadwerkelijk verder vorm kan worden gegeven. Meer subsidiair is verzocht de verlenging van de maatregel met verpleging van overheidswege te beperken tot één jaar.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling. Blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de straftoemetingsoverwegingen in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 april 2003 in onderling verband en samenhang bezien is de terbeschikkingstelling opgelegd ter zake van een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Verder heeft de advocaat-generaal gesteld dat er nog steeds sprake is van recidivegevaar. Op de lange termijn wordt het recidivegevaar ingeschat als hoog. Voorts is er nog geen sprake van onbegeleid verlof.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Bij de beantwoording van de vraag of de terbeschikkingstelling gemaximeerd is, of onbeperkt kan worden verlengd, dient het hof rekening te houden met de recente beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 juli 2012 nr. 21203/10 (arrest Van der Velden tegen Nederland). Met verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering overweegt het EHRM: “that the domestic legislature intends the trial court which first imposes the TBS order with confinement in a custodial clinic to consider wether the indictable offence committed is such as to warrant an order of indeterminate length. If the trial court so finds, it must so state in its judgment, giving reasons therefore; if it does not, the order cannot be indeterminate. It is not then for the court which decides on the extension of the order to substitute its own view of the matter for that of the trial court.”

Als gevolg van deze uitspraak komt het hof terug op zijn eerdere opvatting (Hof Arnhem 30 mei 2011, TBS P11/0051, LJN: BQ6616) dat ook aan de verlengingsrechter (in hoger beroep) de bevoegdheid toekomt om zich (opnieuw en al dan niet in afwijking van de rechter die de maatregel heeft opgelegd) uit te laten over het al dan niet gemaximeerd zijn van de terbeschikkingstelling.

In het onderhavige geval is de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd bij arrest van het hof Amsterdam van 3 april 2003 ter zake van het misdrijf ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’. Het arrest bevat geen motivering als bedoeld in het zevende lid van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Zoals het EHRM heeft bepaald, is het niet aan de verlengingsrechter (in hoger beroep) om in een dergelijk geval door interpretatie van de uitspraak van de opleggingsrechter alsnog vast te stellen of de terbeschikkingstelling al dan niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (‘een geweldsdelict’), en daarmee of de terbeschikkingstelling al dan niet is gemaximeerd. Ontbreekt de voorgeschreven motivering, dan kan, aldus het EHRM, de terbeschikkingstelling niet van onbepaalde duur zijn en moet het er dus voor gehouden worden dat de terbeschikkingstelling is gemaximeerd.

Naar het oordeel van het hof is echter van enige interpretatie geen sprake indien blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de straf en/of maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, door een ieder zonder meer als evident kan worden vastgesteld dat sprake is van een misdrijf als hiervoor omschreven. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat de niet gemaximeerde duur van de terbeschikkingstelling niet voorzienbaar is geweest en dat afbreuk is gedaan aan de door artikel 5 EVRM geboden bescherming tegen ‘willekeurige vrijheidsbeneming’.

De vraag nu is of in deze zaak zonder meer als evident kan worden vastgesteld dat het indexdelict een ‘geweldsdelict’ oplevert. De bewezenverklaring van het indexdelict luidt: “dat hij op 27 oktober 2001 te Amsterdam T. L. heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes aan die L. getoond en dat mes in de richting van die L. bewogen en gericht en met dat mes stekende bewegingen in de richting van die L. gemaakt en voornoemde L. dreigend de woorden toegevoegd: “Wil je dood?” Het hof heeft in zijn eerder genoemde beslissing van 30 mei 2011 een nadere uitleg gegeven aan een ‘misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’ in de context van het in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven delict. Daarbij heeft het hof overwogen dat in die context in het algemeen voldaan moet zijn aan het vereiste van een dreigende uiting, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal handelen dat naar zijn aard agressief is jegens de bedreigde. Of aan dit vereiste is voldaan, laat zich slechts aan de hand van de omstandigheden van het geval beantwoorden en is derhalve in het algemeen een kwestie van interpretatie, waarvoor blijkens bovenvermelde overwegingen in de verlengingsprocedure geen plaats is.

In deze zaak geven de bewezenverklaring, kwalificatie of strafmotivering niet zonder meer uitsluitsel over de vraag of er sprake is van een ‘geweldsdelict’ en zou het hof als verlengingsrechter slechts door middel van interpretatie van de uitspraak van de opleggende rechter tot dat oordeel kunnen komen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat in dit geval de terbeschikkingstelling is gemaximeerd, zodat het hof met vernietiging van de beslissing van de rechtbank, de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling zal afwijzen.

Het hof merkt nog op dat er zich gevallen voordoen waarin – ondanks voornoemde uitspraak van het EHRM – de rechter na de onherroepelijke uitspraak waarbij de terbeschikkingstelling is opgelegd, een eigen oordeel over het gemaximeerd zijn van de terbeschikkingstelling zal moeten geven.

Het huidige voorschrift van artikel 359, zevende lid van het Wetboek van Strafvordering is ingevoerd per 15 januari 1994 (Stb. 1994, 14). Voordien behoefde de strafrechter zich bij het opleggen van een terbeschikkingstelling niet uit te laten over de vraag of er sprake was van een geweldsdelict. Met inachtneming van het overgangsrecht (artikel VIII van de Wet van 15 december 1993, Stb. 1994, 13) zal de verlengingsrechter dat in de gevallen waarin de vervolging eerder dan 15 januari 1994 is aangevangen en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging is opgelegd, alsnog moeten doen.

Voorts is blijkens de bewoordingen van artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering de daarin vervatte motiveringsplicht niet van toepassing als een terbeschikkingstelling zonder verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Als later op de voet van artikel 38c van het Wetboek van Strafrecht de verpleging van overheidswege wordt bevolen, zal de rechter zich alsnog dienen uit te laten over de vraag of er sprake is van een geweldsdelict.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2012 met betrekking tot de [terbeschikkinggestelde].

Wijst af de vordering van de officier van justitie.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr E.A.K.G. Ruys en mr E. van der Herberg als raadsheren,

en dr. L. Kaiser en drs. R. Poll als raden,

in tegenwoordigheid van mr B.P. Snijder als griffier,

en op 1 oktober 2012 in het openbaar uitgesproken.

mr E. van der Herberg en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.