Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8765

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
01-10-2012
Zaaknummer
21-002548-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid raadkamer hof. Verzoek schorsing + regeling tijdelijk verlaten inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

pkn: 21-002548-12

Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van 20 september 2012, ingekomen ter griffie van het hof op 21 september 2012, namens de verdachte,

{verdachte}

geboren te {geboorteplaats} op {geboortedatum,

verblijvende in het huis van bewaring te Veenhuizen,

tot schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gehoord in raadkamer van heden de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

OVERWEGINGEN:

Bij beslissing van 5 september 2012 heeft het hof zich naar aanleiding van verdachtes verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis onbevoegd verklaard. Daarbij heeft het hof als volgt overwogen:

“Het namens verdachte gedane verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde het huwelijksfeest van zijn zus te kunnen bezoeken is naar zijn aard een verzoek om incidenteel verlof dat valt onder de reikwijdte van de Penitentiaire beginselenwet en met name de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, waarbij hoogstens 1 dag met uitloop tot 2 dagen in verband met reistijd verlof kan worden verleend.

De directeur van de instelling is bevoegd op een dergelijk verzoek te beslissen. Verdachte zal zich met zijn verzoek dus moeten richten tot de directeur van de instelling waar hij verblijft.

Dit sluit de bevoegdheid van de rechter om op het verzoek te beslissen uit”.

De raadsman heeft zich bij schrijven van 20 september 2012, wederom gewend tot het hof met een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis teneinde het huwelijk van zijn zuster bij te kunnen wonen. In voormeld schrijven alsmede in raadkamer van heden heeft de raadsman verwezen naar een schrijven namens de directeur van de penitentiaire inrichting van 14 september 2012, inhoudende (zakelijk weergegeven) dat het aanwezig zijn van verdachte bij de bruiloft niet als noodzakelijk wordt gezien in de zin van artikel 21 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (RTVI). Zulks zou in overeenstemming zijn met vaste jurisprudentie van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Het door verdachte gedane verzoek om incidenteel verlof is kennelijk om deze reden afgewezen. Naar de mening van de raadsman zou, gelet op deze afwijzende beslissing, artikel 80 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering, waarin de bevoegdheid van het hof wordt uitgesloten voor dergelijke verzoeken, niet langer van toepassing zijn en zou het hof zich thans wel bevoegd moeten achten van het verzoek kennis te nemen.

Het hof overweegt daaromtrent dat, voor de bevoegdheid van het hof zoals ook volgt uit zijn hiervoor aangehaalde beslissing niet bepalend is of een dergelijk verzoek in termen van de RTVI daadwerkelijk voor toewijzing in aanmerking komt of zou kunnen komen, maar dat beoordeeld dient te worden of het verzoek naar zijn aard onder de bevoegdheid van de directeur van de inrichting valt. Het hof heeft in het onderhavige geval het eerder gedane verzoek beoordeeld als te worden bestreken door artikel 21 van de RTVI, dat de mogelijkheid geeft voor incidenteel verlof (voor een duur van in beginsel één dag, gelet op artikel 21 lid 4 RTVI) voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde. Dat het verlenen van verlof door de directeur van de inrichting niet noodzakelijk is geoordeeld maakt niet dat het verzoek niet langer onder de werkingssfeer van de genoemde Regeling valt. Hiervan uitgaande is thans sprake van een verzoek tot schorsing dat niet afwijkt van het eerder gedane verzoek, ten aanzien waarvan het hof zich niet bevoegd heeft verklaard. Gelet daarop zal verzoeker thans niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek

Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus gegeven op 26 september 2012 door mr P. van Kesteren, voorzitter, mr A.E. Harteveld en mr A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van J. Jansen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.