Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8537

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
200.095.034
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:2050, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag tot welke datum aandelen en opties Philips nog in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. In dit geval brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat niet het tijdstip van ontbinding van het huwelijk (15 juni 2011), maar 1 februari 2011 als peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap moet gelden, althans wat aandelen en opties Philips betreft. Vaststaat dat de vrouw in eerste aanleg de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek heeft verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen en dat zij vervolgens van de echtscheidingsbeschikking hoger beroep heeft ingesteld in de wetenschap dat zij daarin niet-ontvankelijk zou zijn. Zij heeft de echtscheiding onnodig vertraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/130

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.095.034

(zaaknummer rechtbank 284928 / FA RK 10-1971)

beschikking van de familiekamer van 30 augustus 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg te ’s-Hertogenbosch,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek te Eindhoven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Utrecht van 6 oktober 2010 en 6 juli 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 oktober 2011, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 6 juli 2011. De vrouw verzoekt het hof die beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor zover het daarbij gaat om de aandelen, opties en obligaties van Philips en de polis Aegon te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te beslissen op de wijze als onder grief 1 is aangegeven en waarvan de inhoud als herhaald en ingelezen moet worden beschouwd.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 december 2011, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof het door de vrouw ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 10 april 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.4 Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof binnengekomen een brief van mr. Sliepenbeek van 24 april 2012 met bijlagen, de reactie daarop van mr. Zonnenberg bij brief van 4 mei 2012, de brief van mr. Sliepenbeek van 10 mei 2012 en de reactie daarop van mr. Zonnenberg bij brief van 29 mei 2012.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op [datum] 1986 te Londen in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank in Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 juni 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man en de vrouw met elkaar dienen over te gaan tot afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap als daarvoor onder 3.1 tot en met 3.20 omschreven, en het meer of anders verzochte afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de verdeling van aandelen, obligaties en opties Philips en een polis van levensverzekering bij Aegon Levensverzekering N.V. onder nummer [polisnummer] De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat:

(a) de man aan de vrouw de helft van de afkoopwaarde van de polis op 1 juli 2010 dient te vergoeden en is daarbij kennelijk ervan uitgegaan dat deze polis aan de man zal worden toegedeeld;

(b) de peildatum voor de samenstelling en omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap voor wat aandelen en opties Philips betreft 23 april 2010 is;

(c) het Philips pakket, waarmee de rechtbank kennelijk de opties en de aandelen bedoeld, zoals dat op 23 april 2010 bestond zal worden gesplitst naar soort en aantal en dat de vrouw voor zover de man in dit verband fiscaal nadeel heeft geleden, dit aan de man moet vergoeden.

4.2 De grief van de vrouw heeft betrekking op de peildata die de rechtbank heeft vastgesteld. Zij voert ter toelichting op haar grief het volgende aan. De peildatum voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgemeenschap is 15 juni 2011. De aandelen, opties en obligaties Philips die op die datum aanwezig waren en de polis levensverzekering dienen in de verdeling te worden betrokken. De peildatum voor de waardering van deze goederen is de datum waarop het hof zijn beschikking zal geven. De man heeft ter zake van de belastingheffing over het Philips pakket geen fiscaal nadeel geleden, nu hij daarvoor van zijn werkgever een compensatie heeft ontvangen.

4.3 Bij notariële akte van 2 december 2011 hebben partijen de (overeenkomst van) levensverzekering bij Aegon Levensverzekering N.V. met polisnummer [............] toegedeeld aan de man en zijn zij verder overeengekomen als volgt: "De verkrijger zal terzake deze laatstgemelde polis aan de vervreemder een nader tussen partijen over een te komen of door de rechter vast te stellen bedrag uitkeren." Blijkens de brieven van mr. Zonnenberg van 4 mei 2012 en mr. Van Sliepenbeek van 10 mei 2012 zijn partijen het erover eens geworden dat de waarde die bij die toedeling in aanmerking moet worden genomen € 93.790,- is, dat is de door de vrouw geschatte waarde op 15 juni 2011. De man dient aan de vrouw de helft van dit bedrag of € 46.895,- te betalen. Partijen hanteren als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap, met uitzondering van de nog in geschil zijnde polis van levensverzekering en aandelen en opties Philips, 23 april 2010. De man heeft onweersproken gesteld dat hij de premies voor de levensverzekering ten bedrage van

€ 253,46 per maand, die partijen ieder voor de helft moeten dragen, heeft voldaan uit zijn eigen inkomsten vanaf die datum. Dat betekent dat de vrouw aan de man nog de helft van de door de man tussen 23 april 2010 en 15 juni 2011 betaalde premies moet voldoen. Het hof berekent het totaal van die premies op 14 x € 253,64 of € 3.550,96, waarvan de vrouw de helft of € 1.775,48 aan de man moet terugbetalen. Per saldo dient de man ter zake van de verdeling van de polis levensverzekering aan de vrouw te betalen € 46.895,- -/- € 1.775,48 = € 45.119,52. In zoverre slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en bepalen dat de man aan de vrouw ten aanzien van de verdeling van de polis bij Aegon € 45.119,52 moet betalen.

4.4 Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het pakket Philips ook obligaties omvat, nu de man dat gemotiveerd heeft betwist en uit de stukken die zijn overgelegd niet is gebleken van het bestaan van obligaties.

4.5 Vervolgens is aan de orde tot welke datum aandelen en opties Philips nog in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen. Het hof stelt voorop dat het tijdstip van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding peildatum is voor de samenstelling en omvang van tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen en schulden, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Het hof oordeelt dat in dit geval de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat niet het tijdstip van ontbinding van het huwelijk (15 juni 2011), maar 1 februari 2011 als peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap moet gelden, althans wat aandelen en opties Philips betreft, en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat de vrouw in eerste aanleg de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek heeft verzocht echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen en dat zij vervolgens van de echtscheidingsbeschikking hoger beroep heeft ingesteld in de wetenschap dat zij daarin niet-ontvankelijk zou zijn. Zij heeft naar het oordeel van het hof de echtscheiding onnodig vertraagd. Indien zij niet tegen beter weten in hoger beroep zou hebben ingesteld van de echtscheidingsbeschikking, had deze uiterlijk op 6 januari 2011 ingeschreven kunnen zijn in de registers van de burgerlijke stand in plaats van (pas) op 15 juni 2011. Het hof acht het onredelijk dat de vrouw van deze door haar toedoen ontstane onnodige vertraging profiteert doordat de aandelen en opties Philips die na 1 februari 2011 in de gemeenschap zijn gevallen in de verdeling worden betrokken.

4.6 Het hof constateert dat partijen het over de wijze van verdeling eens zijn en zal dienovereenkomstig bepalen dat partijen de aandelen voor zover die op 1 februari 2011 aanwezig zijn dienen te splitsen, zodat ieder van hen evenveel aandelen van dezelfde soort krijgt en dat de man hetgeen in de toekomst zal worden uitgekeerd op de opties voor zover die op 1 februari 2011 aanwezig zijn bij helfte met de vrouw dient te delen. Ter voorkoming van misverstanden merkt het hof op dat die toekomstige verdeling het netto bedrag van de uitkering betreft na aftrek van mogelijk door de man ter zake van die uitkering verschuldigde belasting. De grief van de vrouw slaagt in zoverre als het hof een andere peildatum dan 23 april 2010 zal vaststellen. Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt vernietigen en beslissen als hiervoor overwogen.

4.7 De man heeft de stelling van de vrouw dat de man van zijn werkgever een compensatie voor de belastingheffing over de aandelen Philips ontvangt gemotiveerd betwist. Van het bestaan van een dergelijke compensatie is ook uit de overlegde salarisspecificaties niet gebleken. Het hof gaat aan die stelling voorbij. Dat betekent dat de grief van de vrouw op dit punt faalt en het hof de beslissing van de rechtbank dat de vrouw voor zover de man ter zake van de aandelen fiscaal nadeel heeft geleden dit aan de man dient te vergoeden, in stand zal laten. Het hof gaat ervan uit dat de rechtbank daarmee bedoelt dat de vrouw aan de man een bedrag gelijk aan de belasting die is geheven of betaald na 23 april 2010 over aan haar toegedeelde aandelen moet voldoen. Partijen debatteren wel met elkaar over de omvang van die belastingheffing, maar hebben het hof niet verzocht daarover een beslissing te geven.

4.8 Nu de grief van de vrouw deels slaagt en deels faalt, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.6 besproken onderdelen en beslissen als daar is vermeld en de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep,

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten aanzien van de polis levensverzekering bij Aegon Levensverzekering N.V. onder nummer [............] (onderdeel 3.3 van de bestreden beschikking) en de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap wat de aandelen en opties Philips betreft (onderdeel 3.17 van de bestreden beschikking), en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw ten aanzien van de verdeling van de polis levensverzekering bij Aegon Levensverzekering N.V. onder nummer [............] € 45.119,52 moet betalen;

bepaalt dat partijen de aandelen Philips voor zover die op 1 februari 2011 aanwezig waren dienen te splitsen, zodat ieder van hen evenveel aandelen van dezelfde soort verkrijgt en dat de man hetgeen in de toekomst zal worden uitgekeerd op de opties Philips voor zover die op 1 februari 2011 aanwezig waren bij helfte met de vrouw dient te delen;

bekrachtigt die beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Loo, C.J. Laurentius-Kooter en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 30 augustus 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.