Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8224

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
1200091
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten.

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Toetsing door gemeente gehanteerde wegingsfactor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2304
Belastingblad 2012/516 met annotatie van M.R.P. de Bruin
FutD 2012-2463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 12/00091

uitspraakdatum: 18 september 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 januari 2012, nummer AWB 11/2362,

in het geding tussen

X te Z (hierna: belanghebbende) en de Ambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van € 53,45 (waarvan € 1,45 aan parkeerbelasting en € 52 aan kosten van de naheffingsaanslag).

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 5 januari 2012 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding, een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 218, en een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van € 437.

1.4 De Ambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2012 te Arnhem. Daarbij is de Ambtenaar verschenen en gehoord. Belanghebbende is met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Op 12 januari 2011 heeft belanghebbende zijn voertuig met kenteken AA-BB-00 geparkeerd aan de a-straat te Nijmegen. De a-straat is aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd.

2.2 De parkeercontroleur van de gemeente Nijmegen heeft op 12 januari 2011 om 10:25 uur geconstateerd dat geen geldig betaalbewijs zichtbaar aanwezig was in het voertuig van belanghebbende. Aan belanghebbende is vervolgens een naheffingsaanslag parkeerbelastingen opgelegd van € 53,45.

2.3 Bij brief met dagtekening 5 februari 2011 is belanghebbende eraan herinnerd dat een naheffingsaanslag parkeerbelastingen is uitgereikt en is hij (nogmaals) in de gelegenheid gesteld om de parkeerbelasting te voldoen.

2.4 Bij brief met dagtekening 1 maart 2011 heeft de gemachtigde van belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de opgelegde naheffingsaanslag en bij brief van 21 maart 2011 een parkeerbewijs overgelegd, geldig op 12 januari 2011 van 10:25 uur tot en met 10:37 uur.

2.5 Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelastingen vernietigd en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50, te weten één proceshandeling maal € 218 maal wegingsfactor 0,25 (zeer licht).

2.6 Belanghebbende is tegen de toegekende proceskostenvergoeding in beroep gekomen. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en geoordeeld dat nu belanghebbende een inhoudelijk bezwaarschrift heeft ingediend en in de bezwaarfase een inhoudelijke heroverweging heeft plaatsgevonden, niet kan worden gezegd dat sprake is van een zeer lichte zaak. Daarbij heeft de Rechtbank tevens in aanmerking genomen dat niet valt in te zien dat het uitvoeren van de proceshandelingen door de gemachtigde minder tijd heeft gekost dan in andere gevallen waarin de aanslag wordt herroepen en dat in een zaak als de onderhavige de besluitgever reeds met een lagere forfaitaire vergoeding heeft volstaan dan in andere beroepszaken zodat niet snel kan worden aangenomen dat de forfaitaire vergoeding te hoog is. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend van € 218 voor de bezwaarfase, te weten één proceshandeling maal € 218 maal wegingsfactor 1 (gemiddeld). Voor de beroepsfase heeft de Rechtbank een proceskostenvergoeding van € 437 toegekend, te weten één proceshandeling maal € 437 maal wegingsfactor 1 (gemiddeld).

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding voor zowel de bezwaar- als de beroepsfase. Het geschil spitst zich toe op het gewicht dat aan de zaak dient te worden toegekend.

3.2 De Ambtenaar stelt zich op het standpunt dat sprake is van een zeer eenvoudige zaak en dat om die reden toepassing van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zowel voor de bezwaar- als de beroepsfase gerechtvaardigd is. De Ambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.3 Belanghebbende bepleit onder verwijzing naar jurisprudentie dat zowel voor de bezwaar- als de beroepsfase wegingsfactor 1 (gemiddeld) dient te worden gehanteerd. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

4.1 Indien op grond van artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet is volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet. De Ambtenaar heeft ter zitting van het Hof echter verklaard dat niet vaststaat dat de naheffingsaanslag op deze wijze is uitgereikt, nu uit niets blijkt dat belanghebbende de naheffingsaanslag achter zijn voorruit heeft aangetroffen. In dat geval vangt de termijn voor het instellen van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een ‘duplicaat’ van het aanslagbiljet waarin naast het kenteken van het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld (vgl. HR 14 juli 2000, nr. 34 578, LJN AA6508, BNB 2000/284). In casu is het ‘duplicaat’ gedagtekend 5 februari 2011. De bezwaartermijn vangt dan aan op 6 februari 2011 en eindigt op 21 maart 2011. Het bezwaarschrift van 1 maart 2011 is dan tijdig ingediend. Dit betekent dat belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Wegingsfactor

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Evenmin is in geschil dat de kosten zich beperken tot de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en dat het bedrag van deze kosten dient te worden vastgesteld overeenkomstig de in de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: de Bijlage) neergelegde berekeningsmethodiek. Daarbij wordt het aantal punten voor verrichte proceshandelingen vermenigvuldigd met de waarde per punt en de toepasselijke wegingsfactor. Partijen zijn eensluidend van mening dat in bezwaar dient te worden uitgegaan van één punt voor het bezwaarschrift en een waarde per punt van € 218. Het geschil beperkt zich tot de vraag welke wegingsfactor aan het gewicht van de zaak dient te worden toegekend.

4.3 Onderdeel C1 van de Bijlage onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën. De wegingsfactor kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot wegingsfactor 2 voor een zeer zware zaak. Blijkens de toelichting op de wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht van 25 februari 2002, Staatsblad 113, blz. 6, dient de uitkomst steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De beoordelende instantie dient zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (vgl. HR 23 september 2011, nr. 10/04238, LJN BT2293, BNB 2011/265).

4.4 In het onderhavige geval heeft de Ambtenaar wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Gelet op de geringe bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de zaak is dit naar het oordeel van het Hof juist. Het door belanghebbende tegen deze beslissing ingestelde beroep had derhalve ongegrond moeten worden verklaard.

4.5 Nu het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard, komt het Hof niet toe aan een beoordeling van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

slotsom

Het hoger beroep van de Ambtenaar is gegrond.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Ambtenaar ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 18 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 september 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.