Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX8016

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
200.058.214/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2009:BK8580
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomsten. Geen overeenkomst inzake het Dexia Aanbod tot stand gekomen. Echtgenote heeft de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten ingeroepen. Varde beroept zich op verjaring en krijgt in dat verband bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 18 september 2012

Zaaknummer 200.058.214/01

(zaaknummer rechtbank: 416876 CV 08-12239)

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin,

appellante in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Varde,

advocaat: mr. G.J. Schras, kantoorhoudende te Spijkenisse,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde respectievelijk gevoegde partij in conventie, tevens eiser respectievelijk gevoegde partij in reconventie,

hierna afzonderlijk aan te duiden als: [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] en gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende te Bleiswijk.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 3 december 2008, 1 april 2009 en 22 juli 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 oktober 2009 is door Varde hoger beroep ingesteld van het vonnis van 22 juli 2009 met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van

2 maart 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"de vonnissen van de Rechtbank Zwolle -Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad, op 1 april 2009 en 22 juli 2009 onder nummer 416876 CV 08-12239, tussen partijen gewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Varde alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

" - in principaal appel: dat het den Hove behage Varde in haar beroep niet ontvankelijk te

verklaren, althans dat beroep te verwerpen met bevestiging van de vonnissen waarvan

beroep;

- in voorwaardelijk incidenteel appel: dat het den Hove behage het vonnis d.d. 1 april 2009

van de Kantonrechter te vernietigen, en het eindvonnis van de Kantonrechter (het hof

leest: waarvan) beroep te bevestigen met verbetering van de gronden waarop dat

eindvonnis berust;

- in principaal en voorwaardelijk incidenteel appel: Varde te veroordelen in de kosten van

het geding in hoger beroep."

Door Varde is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, appellanten in incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering in incidenteel appel dan wel hun vorderingen af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden, hoofdelijk, in de kosten van het geding."

Voorts hebben [geïntimeerden] een akte genomen en Varde een antwoordakte.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Varde heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen, waarvan de grieven III en V gelijkluidend zijn.

[geïntimeerden] hebben in het voorwaardelijk incidenteel appel één - uit drie onderdelen bestaande - grief opgeworpen.

De beoordeling

Omvang van het hoger beroep

1. Uit de grieven in het principaal appel en in het incidenteel appel blijkt dat het hoger beroep mede is gericht tegen het tussenvonnis van 1 april 2009.

De feiten

2. De Kantonrechter heeft in zijn vonnis van 1 april 2009 een aantal feiten vastgesteld in de rechtsoverwegingen 1.1. tot en met 1.4.

[geïntimeerden] zijn tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1.3 van dat vonnis opgekomen: zij betwisten in hoger beroep alsnog dat [geïntimeerde 1] het Dexia Aanbod heeft aanvaard. Voorts blijkt uit de stellingen van beide partijen dat het Dexia aanbod niet in 2005 is gedaan, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, maar in 2003. Het hof zal dit bestreden onderdeel van de weergave van de vaststaande feiten daarom buiten beschouwing laten en daarop in rechtsoverweging 14 en verder terugkomen. Met in achtneming van deze overweging en gelet op hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken is komen vast te staan, kan in dit hoger beroep van het volgende worden uitgegaan.

2.1 [geïntimeerde 1] heeft op 28 april 1998 met Legio Lease B.V. (rechtsvoorgangster van Bank Labouchere N.V.) en op 15 november 2000 met Bank Labouchere N.V. (rechtsvoorgangster van Dexia Bank Nederland N.V.) één respectievelijk vier effectenleaseovereenkomsten gesloten met de naam "Feestplan" en de respectieve contractnummers 590034004 en 57182006, 57182007, 57182008, 57182009 (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). Deze overeenkomsten, die alle een looptijd hadden van 10 jaar, waren niet mede ondertekend door [geïntimeerde 2], zijn echtgenote.

2.2 De effectenleaseovereenkomsten kwamen er op neer dat de betreffende bank voor rekening en risico van [geïntimeerde 1] effecten kocht, zonder dat [geïntimeerde 1] de aankoopsom van die effecten bij het aangaan de van de overeenkomsten hoefde te voldoen. Het betreffende bedrag werd door hem geleend van de bank. Volgens de overeenkomsten diende [geïntimeerde 1] maandelijks rente te betalen en tegen het einde van de looptijd de geleende aankoopsom in twee termijnen af te lossen. Volgens de overeenkomsten was een eventuele restschuld na het aflopen van de effectenleaseovereenkomsten dan wel bij tussentijdse beëindiging direct opeisbaar en diende deze binnen een korte termijn terug te worden betaald.

2.3 In februari 2003 heeft Dexia [geïntimeerde 1] een aanbod gedaan tot het aangaan van de "Overeenkomst Dexia Aanbod". Die overeenkomst hield onder meer de volgende bepalingen in:

Artikel 1.1 Definities (...)

Afloopdatum: de dag waarop de reguliere looptijd van de DA-Effectenlease-overeenkomst verstrijkt, of, indien die dag geen Beursdag is, de eerstvolgende Beursdag na die dag;

(…)

DA-Effectenlease-

Overeenkomst: Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor het Dexia Aanbod geldt omdat daaruit op de Afloopdatum een Restschuld van Deelnemer aan Dexia kan voortvloeien en die is/zijn vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod onder I;

(…)

Restschuld: de verkoopwaarde van de Effecten op de Afloopdatum verminderd met de Hoofdsom, indien dit een negatief bedrag oplevert.

(…)

Artikel 1.2 Dexia Aanbod

(…)

1.2.2 De DA-Effectenlease-overeenkomst die afloopt op of na 1 april 2003

Indien de DA-Effectenlease-overeenkomst is aangegaan vóór 1 januari 2003 en op of na 1 april 2003 na voltooiing van de reguliere looptijd afloopt met een (Fictieve) Restschuld, dan kan Deelnemer op de wijze en binnen de termijn als omschreven in artikel 1.3.3, voor één van de volgende mogelijkheden van het Dexia Aanbod kiezen:

Verkoopmogelijkheid (…)

Overnamemogelijkheid (…)

Verlengingsmogelijkheid (…)

1.2.4 Deelnemer komt slechts in aanmerking voor één van de mogelijkheden van

het Dexia Aanbod genoemd in artikel 1.2.2 (..) indien Deelnemer op de Afloopdatum geen achterstand heeft terzake van verplichtingen jegens Dexia tot:

I betaling van maandtermijnen (…)

II betaling van opeisbare verplichtingen die ouder zijn dan drie maanden uit hoofde van enige andere Effectenlease-overeenkomst (…)

1.2.6 Indien Deelnemer een DA-Effectenlease-overeenkomst voor de Afloopdatum

heeft beëindigd, komt Deelnemer terzake van deze DA-Effectenlease-

overeenkomst niet voor één van de mogelijkheden van het Dexia Aanbod genoemd in artikel 1.2.2 (…) in aanmerking .

(…)

Artikel 5 Verklaringen van Deelnemer en afstand van recht (…)

5.1.1 Deelnemer verklaart dat hij een eventueel door of namens hem tegen Dexia en/of enige tussenpersoon die betrokken is geweest bij de totstandkoming van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en)(…) gerichte klacht die betrekking heeft op, of verband houdt met, die effectenlease-overeenkomst(en) intrekt of doet intrekken.

5.1.2 Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) (...) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia (…) gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenlease-overeenkomst(en) met uitzondering van:(…)

2.4 Op 20 februari 2003 heeft [geïntimeerde 1], na eerst kennis te hebben genomen van het daarop betrekking hebbende informatiemateriaal, waaronder een Toelichting, op het hem door Dexia toegezonden "Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod" de keuze "Ja, ik ga in op het Dexia Aanbod" aangekruist, waaraan hij handgeschreven de opmerking heeft toegevoegd: "zie mijn brief/voorstel".

Voorts heeft [geïntimeerde 1] het formulier ondertekend. [geïntimeerde 2] heeft het formulier niet mede ondertekend.

2.5 In de in het formulier bedoelde brief, gedateerd 17 februari 2003, heeft [geïntimeerde 1] Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten geschreven:

"Hierbij wil ik u het volgende voorstel doen om de leasecontracten met bovengenoemde nummers per direkt te beëindigen en niet op einddatum.

Ik ben bereid de aandelen tegen de oorspronkelijke hoofdsom over te nemen. Het verlies van ettelijke tienduizenden euro's neem ik dan voor mijn rekening.

De reden van mijn voorstel is, dat ik er geen vertrouwen in heb in het feit, dat de koers van de aandelen ooit nog op het oude niveau terug keren.

Ik doe een beroep op uw welwillendheid om hier aan mee te werken."

Dexia heeft [geïntimeerde 1] in maart 2003 laten weten niet met het in zijn brief van

17 februari 2003 vervatte voorstel akkoord te gaan en betaling van de resterende termijnen te verlangen.

2.6 Op 2 november 2005 heeft [geïntimeerde 2] een brief aan Dexia gezonden waarbij zij ten aanzien van de effectenleaseovereenkomsten een beroep heeft gedaan op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW.

2.7 Dexia heeft de effectenleaseovereenkomsten in augustus 2006 voor het einde van de reguliere looptijd beëindigd wegens achterstand in de betalingen. De opbrengst van de verkoop van de betreffende aandelen was telkens ontoereikend om de geleende aankoopsom te voldoen.

2.8 Dexia heeft haar vorderingen op [geïntimeerde 1], voortvloeiende (in de ruimste zin des woords) uit de effectenleaseovereenkomsten aan Varde overgedragen middels een akte van cessie. Van deze cessie is bij brieven van 10 januari 2008 mededeling gedaan aan [geïntimeerde 1] in de zin van artikel 3:94 BW.

Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

3. Varde heeft in eerste aanleg betaling van een bedrag van € 50.534,15 van

[geïntimeerde 1] gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente over € 41.566,17 vanaf

10 januari 2008. Varde heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde 1] een vijftal effectenleaseovereenkomsten is aangegaan met de rechtsvoorgangsters van Dexia, die tussentijds zijn beëindigd, waarbij de verkoopopbrengst van de effecten ontoereikend was om de restschuld te voldoen. Varde heeft erop gewezen dat er tevens een vaststellingsovereenkomst (Overeenkomst Dexia Aanbod) tot stand is gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde 1], doch dat [geïntimeerde 1] zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten niet is nagekomen.

4. [geïntimeerde 1] heeft tal van verweren gevoerd en heeft - kort samengevat - gevorderd te verklaren voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten vernietigd zijn en dat daarmee ook de Dexia Aanbod overeenkomst vernietigd althans non-existent is, althans de overeenkomst Dexia Aanbod te vernietigen wegens dwaling dan wel misbruik van omstandigheden, althans deze overeenkomst te ontbinden wegens onvoorziene omstandigheden, althans de gevolgen daarvan te wijzigen en de vorderingen van Varde af te wijzen.

5. [geïntimeerde 2] heeft zich tijdens de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde 1] gevoegd en geconcludeerd tot toewijzing van zijn vorderingen. Daarenboven heeft zij de rechtbank bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie verzocht - kort samengevat - Varde te veroordelen tot ongedaanmaking van de registratie bij het BKR te Tiel op straffe van een dwangsom alsmede tot terugbetaling van al hetgeen in kader van de effectenleaseovereenkomsten door [geïntimeerde 1] aan Varde moest worden betaald.

6. De kantonrechter heeft bij vonnis van 1 april 2009 overwogen dat [geïntimeerde 2] niet kan worden ontvangen in de door haar afzonderlijk ingestelde vorderingen, omdat haar slechts is toegestaan zich te voegen aan de zijde van [geïntimeerde 1].

7. Ten aanzien van de vorderingen van Varde heeft de kantonrechter in het vonnis van 1 april 2009 aangegeven dat hij nader wenste te worden geïnformeerd over de vraag of er uitvoering was gegeven aan de Dexia Aanbod overeenkomsten ofwel of [geïntimeerde 1] een keuze had gemaakt uit de verruimde aflossingsmogelijkheden en zo ja, wat die keuze was geweest. Voorts heeft de kantonrechter in genoemd vonnis overwogen:

"De kantonrechter geeft hierbij reeds nu als zijn voorlopige oordeel te kennen dat als niet mocht blijken dat aan de Dexia Aanbod overeenkomsten uitvoering is gegeven, omdat [geïntimeerde 1] nimmer een specifieke keuze heeft gemaakt uit het aanbod van de verruimde aflosmogelijkheden, Dexia uit hoofde van die overeenkomsten nooit vorderingen op [geïntimeerde 1] heeft gehad en Varde, aan wie die vorderingen beweerdelijk zijn overgedragen die vorderingen dus evenmin heeft."

8. Bij vonnis van 22 juli 2009 heeft de kantonrechter de vordering van Varde afgewezen en heeft daartoe onder meer overwogen:

"De kantonrechter kan niet inzien hoe Dexia uit hoofde van de met [geïntimeerde 1] gesloten Dexia Aanbod overeenkomsten de beweerdelijk aan Varde gecedeerde geldvorderingen op [geïntimeerde 1] heeft gehad. Die vorderingen zou Dexia slechts gehad hebben als Dexia met [geïntimeerde 1] ten aanzien van de met hem afgesloten aandelenlease overeenkomsten (telkens) nader één van de afwikkelingsmogelijkheden als genoemd in de artikelen 1.2.2. of 1.2.3 van de Dexia Aanbod overeenkomsten zou zijn overeengekomen. In dat geval zouden de daaruit voortgespruit (het hof leest: voortgesproten) zijnde geldvorderingen feitelijk in de plaats gekomen zijn van de vorderingen van Dexia uit hoofde van de aandelenleaseovereenkomsten."

9. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde 1] bij zijn eindvonnis eveneens afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat [geïntimeerde 1], gelet op hetgeen in conventie was beslist, onvoldoende belang heeft bij zijn reconventionele vorderingen.

Bespreking van de grieven

10. De grieven in het principaal appel zijn gericht tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de kantonrechter en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

11. Het hof is van oordeel dat er geen overeenkomst inzake het Dexia aanbod tot stand is gekomen en overweegt daartoe het volgende.

Het Dexia aanbod is een voorwaardelijk aanbod in die zin dat de lessee slechts van de in het aanbod genoemde mogelijkheden gebruik mag maken op voorwaarde dat er op de einddatum van de effectenleaseovereenkomsten geen sprake is van een betalingsachterstand.

Vast staat dat [geïntimeerde 1] wel een betalingsachterstand had. Dat is voor Dexia aanleiding geweest de effectenleaseovereenkomsten voor de einddatum te beëindigen. [geïntimeerde 1] heeft dientengevolge geen keuze kunnen maken voor een van de in het Dexia Aanbod genoemde mogelijkheden, zodat er nimmer een regeling op grond van het Dexia Aanbod tot stand is gekomen.

Daar komt nog bij dat er ook geen sprake is geweest van een ongeclausuleerde acceptatie van het voorwaardelijke aanbod door [geïntimeerde 1]. Immers, [geïntimeerde 1] heeft op het aanmeldingsformulier uitdrukkelijk verwezen naar de inhoud van de brief (van 17 februari 2003) waarin hij een tegenvoorstel formuleerde. Dit tegenvoorstel is door Dexia afgewezen.

12. Het hof verwerpt derhalve het standpunt van Varde dat er al een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen.

Het hof voegt daar nog aan toe dat een vaststellingsovereenkomst naar zijn aard wederkerig is in die zin dat partijen over en weer water bij de wijn doen om tot een regeling te komen ter beslechting van hun geschil. In de visie van Varde zou [geïntimeerde 1] al zijn rechten eenzijdig hebben prijsgegeven zonder dat daar van de zijde van Dexia iets tegenover werd gesteld. Een dergelijk eenzijdig prijsgeven van rechten - waarvan naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest - kan bezwaarlijk als een vaststellingsovereenkomst worden aangemerkt.

13. In zoverre falen de grieven in het principaal appel.

14. Varde heeft in de toelichting op deze grieven evenwel benadrukt dat de cessie van de vorderingen van Dexia aan Varde niet slechts beperkt is geweest tot de vorderingen van Dexia op [geïntimeerde] uit hoofde van de Overeenkomst Dexia aanbod, doch voor zover Dexia slechts een vordering op [geïntimeerde 1] heeft uit hoofde van de oorspronkelijke effectenleaseovereenkomsten, ook deze vordering aan Varde is gecedeerd. Varde heeft betoogd dat indien de Overeenkomst Dexia Aanbod om wat voor reden ook buiten beschouwing zou moeten worden gelaten, de uit de effectenleaseovereenkomsten zelf voortvloeiende verplichting om de geleende gelden aan Dexia terug te betalen in stand is gebleven.

15. Dat betekent dat het hof heeft te beoordelen of de vordering van Varde op basis van die subsidiaire grondslag toewijsbaar is. Daartoe overweegt het hof het volgende.

16. Voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten die als huurkoop gekwalificeerd moeten worden, geldt het vereiste van artikel 1:88 BW dat dit met (schriftelijke) toestemming van de echtgenote geschiedt.

17. Vast staat dat [geïntimeerde 2], de echtgenote van [geïntimeerde 1], bij schrijven van 2 november 2005 de vernietiging heeft ingeroepen van de effectenleaseovereenkomsten.

18. [geïntimeerden] hebben benadrukt dat [geïntimeerde 2] eerst in juli 2005 van het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten op de hoogte is geraakt.

Varde heeft daarentegen gesteld dat [geïntimeerde 2] meer dan drie jaar voordat zij een beroep op de vernietigbaarheid deed bekend is geworden met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten en dat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen dientengevolge was verjaard. Varde heeft in dat verband betoogd dat het in Nederland gebruikelijk is dat beslissingen tot het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige met medeweten van beide partners worden genomen. Bovendien heeft Varde gesteld dat tenminste één van de maandelijkse betalingen van een en/of rekening van [geïntimeerden] is gedaan.

19. Varde heeft aangevoerd dat zij zich bewust is van het feit dat de bewijslast ten aanzien van de verjaring in beginsel op haar rust, maar dat er naar haar mening in het onderhavige geval aanleiding bestaat voor omkering van die bewijslast.

Daartoe heeft zij aangevoerd dat [geïntimeerden] de stellingen van Varde onvoldoende gemotiveerd hebben betwist en dat [geïntimeerden] hun beroep op vernietigbaarheid onvoldoende gemotiveerd hebben onderbouwd.

20. Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerden] hebben gemotiveerd uiteengezet dat [geïntimeerde 2] in juli 2005 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten op de hoogte is geraakt toen [geïntimeerden] hun hypotheek wilden verhogen. Op dat moment werden zij geconfronteerd met de BKR registratie van [geïntimeerde 1] in verband met de door hem aangegane effectenleaseovereenkomsten.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] de stelling van Varde dat [geïntimeerde 2] al meer dan drie jaar voor zij een beroep op vernietiging van de overeenkomsten deed met het bestaan van die overeenkomsten bekend was, aldus voldoende gemotiveerd hebben weersproken en dat zij daarmee aan hun stelplicht hebben voldaan.

21. [geïntimeerden] hebben betwist dat er rentebetalingen ten behoeve van de effectenleaseovereenkomsten zijn gedaan vanaf een en/of rekening van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], zoals Varde heeft gesteld. Varde heeft die stelling vervolgens niet nader onderbouwd door bijvoorbeeld het betreffende betalingsbewijs in het geding te brengen.

22. Dexia heeft door met [geïntimeerde 1] effectenleaseovereenkomsten aan te gaan zonder te verlangen dat diens echtgenote die overeenkomsten ten blijke van haar instemming mede ondertekende welbewust het risico genomen dat [geïntimeerde 1]s echtgenote naderhand een beroep zou kunnen doen op vernietiging van die overeenkomsten.

23. Het hof ziet, gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 24 tot en met 26 is overwogen, geen aanleiding om tot een omkering van de bewijslast te komen en evenmin om voorshands, behoudens tegenbewijs, aan te nemen dat [geïntimeerde 2] op het moment dat zij een beroep deed op de vernietigbaarheid van de overeenkomst

(2 november 2005) al meer dan drie jaar met het bestaan daarvan bekend was (vergelijk HR 28 januari 2011 LJN BD 6106).

24. De bewijslast van de stelling dat de vordering tot vernietiging van de rechtshandeling was verjaard - en dat [geïntimeerde 2] derhalve al meer dan drie jaar voor 2 november 2005 bekend was met het bestaan van de leaseovereenkomsten - blijft dan ook op Varde rusten. Nu Varde nadrukkelijk bewijs heeft aangeboden, zal het hof haar toelaten tot het leveren van bewijs.

25. In afwachting van de bewijslevering houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt Varde op te bewijzen dat [geïntimeerde 2] meer dan drie jaar voor 2 november 2005 op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten;

bepaalt voor zover Varde het bewijs zou willen leveren door middel van getuigen dat het verhoor zal plaatsvinden aan de Tesselschadestraat 7 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. M.M.A. Wind, hiertoe tot raadsheer commissaris benoemd;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 16 oktober 2012 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n), voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat de advocaat van Varde uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerden] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, M.M.A. Wind en I. Tubben en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 18 september 2012 in bijzijn van de griffier.