Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7765

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-00490
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Verwijzingsprocedure HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN BO5046. Berekening immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2246
Belastingblad 2012/517
V-N 2012/58.21.6
FutD 2012-2385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00490

uitspraakdatum: 11 september 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 augustus 2006, nummer AWB 05/3226

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 20 juni 2001, ter zake van het in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning een bedrag aan leges geheven (hierna: de aanslag).

1.2 De Ambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (nr. 02/02319) dat het beroep gegrond heeft verklaard en heeft gelast dat opnieuw uitspraak op bezwaar wordt gedaan.

1.4 Met dagtekening 8 juli 2005 heeft de Ambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de aanslag is gehandhaafd.

1.5 Tegen deze uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 augustus 2006, nummer AWB 05/3226, ongegrond verklaard.

1.6 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij (mondelinge) uitspraak van 22 mei 2009, nummer 06/00375, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

1.7 Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juni 2011, nummer 09/02639, LJN BO5046, de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.6 Belanghebbende heeft naar aanleiding van het arrest een conclusie na verwijzing ingediend. De Ambtenaar heeft op de inhoud van de conclusie gereageerd. De Raad voor de Rechtspraak heeft namens de Minister van Veiligheid en Justitie een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Belanghebbende noch de Ambtenaar heeft, hoewel door het Hof daartoe in de gelegenheid gesteld, op deze uiteenzetting gereageerd.

1.7 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Hoge Raad ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, waartoe ook de dossiers van de Rechtbank Breda en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch behoren, alsmede een nader stuk van belanghebbende, gedateerd 8 juni 2012.

1.8 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Ambtenaar. De Raad voor de Rechtspraak is bij aangetekend schrijven van 14 mei 2012 uitgenodigd aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep, doch heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft met dagtekening 31 juli 2001 een bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag ingediend, welk bezwaarschrift op dezelfde dag door de Ambtenaar is ontvangen. De Ambtenaar heeft bij uitspraak van 26 februari 2002 (verzonden op 18 maart 2002) de aanslag gehandhaafd.

2.2 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 29 april 2002 beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, welk gerechtshof bij uitspraak van 24 maart 2005 (verzonden op 1 april 2005) het beroep gegrond heeft verklaard en gelast dat opnieuw uitspraak op bezwaar wordt gedaan. De Ambtenaar heeft bij uitspraak van 8 juli 2005 (verzonden 12 juli 2005) de aanslag wederom gehandhaafd.

2.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar op 23 augustus 2005 beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 9 augustus 2006 (verzonden op 11 augustus 2006) het beroep ongegrond verklaard.

2.4 Belanghebbende heeft op 21 september 2006 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Daarbij heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de behandeling van het geschil. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij mondelinge uitspraak van 22 mei 2009 (verzonden op 28 mei 2009 en op 18 september 2009 vervangen door een schriftelijke uitspraak) de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

2.5 Belanghebbende heeft op 7 juli 2009 tegen de uitspraak van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639 de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Arnhem “voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend”.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In de procedure na verwijzing is nog slechts in geschil in hoeverre de redelijke termijn is overschreden, tot welk bedrag een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend en ten laste van welke instantie(s) die vergoeding dient te komen.

3.2 Belanghebbende is van mening dat het karakter van de hogerberoepsprocedure, ook na verwijzing, meebrengt dat het geschil opnieuw in volle omvang behandeld wordt en dat hij daarom, in weerwil van de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad, ook de juistheid van de aanslag nog ter discussie kan stellen. Hij concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Ambtenaar en van de aanslag en tot toekenning van een schadevergoeding van € 4.000. Hij verzoekt tevens om vergoeding van reis- en verletkosten en om restitutie van het door hem betaalde griffierecht.

3.3 De Ambtenaar is van mening dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de gemeente is te wijten en dat de gemeente derhalve niet tot vergoeding van immateriële schade kan worden veroordeeld. Naar zijn mening heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van verletkosten omdat hij geen inkomsten heeft gederfd.

3.4 De Raad voor de Rechtspraak berekent de aan de rechter te wijten overschrijding van de redelijke termijn op in totaal 2 jaar en 7 maanden en concludeert tot toekenning van een schadevergoeding van € 3.000 ten laste van de Staat.

3.5 Partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben belanghebbende en de Ambtenaar ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Anders dan belanghebbende meent, wordt de (verdere) behandeling van een hoger beroep in de procedure na verwijzing beperkt tot de door de Hoge Raad gegeven verwijzingsopdracht, die in het onderhavige geval uitsluitend ziet op - kort gezegd - de overschrijding van de redelijke termijn en de daarmee samenhangende vergoeding van immateriële schade. De klachten die belanghebbende tegen de aanslag heeft aangevoerd zijn door de Hoge Raad met een verwijzing naar artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie verworpen. De aanslag staat daarmee onherroepelijk vast, zodat klachten dienaangaande thans, in de verwijzingsprocedure niet meer aan de orde kunnen komen.

4.2 De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest (10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN BO5046) overwogen dat voor de vraag of in het onderhavige geval de redelijke termijn voor beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die hij in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337, heeft neergelegd voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken. Daarbij hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaarfase en de berechting in eerste aanleg tezamen niet meer dan twee jaar bedraagt en dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep eveneens niet meer dan twee jaar bedraagt. Daarbij geldt voorts dat de redelijke termijn wordt verlengd met (de vertraging in) het tijdsverloop door de proceshouding van de belanghebbende.

4.3 Vast staat dat het bezwaar tegen de aanslag op 31 juli 2001 door de Ambtenaar is ontvangen en dat de procedure in eerste aanleg is afgesloten met de uitspraak van de Rechtbank van 9 augustus 2006. De behandeling van het bezwaar en het beroep in eerste aanleg heeft derhalve in totaal 5 jaar en 1 week geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn meebrengt van 3 jaar en 1 week.

4.4 Voorts staat vast dat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 22 mei 2009, derhalve na 2 jaar en 8 maanden, uitspraak heeft gedaan op het op 21 september 2006 door belanghebbende ingestelde hoger beroep, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn meebrengt van 8 maanden.

4.5 De redelijke termijn voor de beslechting van het onderhavige geschil is derhalve overschreden met in totaal 3 jaar en (ruim) 8 maanden. De Ambtenaar noch de Raad voor de Rechtspraak heeft gesteld dat de termijnoverschrijding gedeeltelijk aan belanghebbende is toe te rekenen en het Hof is zulks ook anderszins niet gebleken.

4.6 Het bedrag van de schadevergoeding dient, overeenkomstig het verwijzingsarrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, te worden berekend op € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding per half jaar naar boven wordt afgerond. In dit geval komt dat neer op 8 maal € 500 ofwel € 4.000. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard met dit bedrag akkoord te gaan.

4.7 Voor de beantwoording van de vraag aan welke instantie de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de eerste aanlegfase moet worden toegerekend, zoekt het Hof in beginsel aansluiting bij de lijn die de algemene bestuursrechters op dit punt hanteren, te weten dat de bezwaarfase binnen een half jaar moet zijn afgerond en de procedure voor de rechtbank binnen anderhalf jaar.

In het onderhavige geval bestaat evenwel grond van dit uitgangspunt af te wijken. Immers, ingevolge het bepaalde in artikel 25, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de voor 2001 geldende tekst) in samenhang met artikel 231 van de Gemeentewet, bedroeg de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar in het onderhavige geval, in afwijking van artikel 7:10, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), één jaar. Aangezien de Ambtenaar bij het doen van de (twee) uitspraken op bezwaar in totaal de wettelijk toegestane termijn van één jaar niet heeft overschreden, kan de gemeente geen overschrijding van de redelijke termijn worden verweten en daarom niet worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende.

Naar het oordeel van het Hof dient in gevallen zoals deze - waarin voor het doen van uitspraak op bezwaar wettelijk een langere termijn dan een half jaar is toegestaan - de termijn van anderhalf jaar waarbinnen de procedure voor de rechtbank moet zijn afgerond, te worden bekort met (maximaal) de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar minus een half jaar.

4.8 Uit het vorenstaande volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn voor de eerste aanlegfase in het onderhavige geval volledig voor rekening van de rechter komt. De overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep moet eveneens aan de rechter worden toegerekend. Het Hof zal daarom de Staat der Nederlanden veroordelen tot vergoeding van de totale door belanghebbende geleden immateriële schade van € 4.000.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep (ook na verwijzing) heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 60 aan reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van de zittingen van de Rechtbank en de zittingen van de hoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem. Het Hof ziet geen reden voor het toekennen van een vergoeding voor verletkosten omdat belanghebbende, die gepensioneerd is, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inkomsten is misgelopen ten gevolge van het bijwonen van de zitting van het Hof.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarbij geen schadevergoeding is toegekend;

– veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding aan belanghebbende van de door hem geleden immateriële schade tot een bedrag van € 4.000;

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 60;

– gelast dat de gemeente Tilburg belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 37 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 105 in verband met het hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. G.T.K. Meussen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 11 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.