Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7753

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
11-00418
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reclamebelasting.

Heffingsmaatstaf. Bepaling oppervlakte reclameobjecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2266
Belastingblad 2012/505
V-N 2012/58.21.15
FutD 2012-2391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00418

Uitspraakdatum: 11 september 2012

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank) van 20 april 2011, nummer 10/962 RECLBL, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zutphen, tevens incidenteel appellant (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor het belastingjaar 2009 twee aanslagen in de reclamebelasting van de gemeente Zutphen opgelegd ten bedrage van € 1 350 naar een grondslag van 28,50 m² voor ‘a-straat 1 te Zutphen’ onderscheidenlijk € 525 naar een grondslag van 7,20 m² voor a-straat 1 te Zutphen (vlaggen)’.

1.2. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken de aanslag van € 1 350 verminderd tot € 675 en die van € 525 vernietigd.

1.3. Het beroep tegen de uitspraken op bezwaar is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier, het verweerschrift in hoger beroep met drie bijlagen, waarbij de Ambtenaar tevens incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, het verweerschrift van belanghebbende op het incidentele hoger beroep en de nadere stukken die op 22 mei 2012 van de gemachtigde van belanghebbende zijn ontvangen en op dezelfde dag in kopie doorgezonden aan de gemachtigde van de Ambtenaar.

1.5. Bij het onderzoek ter zitting op 31 mei 2012 te Arnhem zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende alsmede namens de Ambtenaar met zijn gemachtigde.

1.6. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een detailhandel in het overdekte winkelcentrum A te Zutphen.

2.2. Aan de gevel van haar winkel is vanaf de openbare weg een openbare aankondiging zichtbaar. Aan de rand van het parkeerterrein van het winkelcentrum staan vlaggenmasten waaraan bevestigd vlaggen met de naam van enige in het winkelcentrum gevestigde winkels, waaronder die van belanghebbende.

2.3. Het winkelcentrum behoort tot het gebied omschreven in artikel 2 van de Verordening Reclamebelasting binnenstad Zutphen 2009, die is vastgesteld bij raadsbesluit van 29 juni 2009 (hierna: de Verordening). De Verordening is bekendgemaakt doordat op pagina 22 van De Weekkrant Zutphense Koerier van woensdag 1 juli 2009 in de rubriek WEGWIJS is aangekondigd dat de Verordening gedurende één maand ter inzage ligt op het stadhuis.

2.4. De onder 1.1 vermelde aanslagen zijn verenigd op één biljet, waarop rechts van het adresveld is vermeld:

aanslagnummer: 2009000012345 00

dagtekening: 30-09-2009

2.5. De onder 1.2 bedoelde uitspraken houden onder meer de volgende motivering in:

Correctie aanslagbedrag

Opgemerkt wordt dat de gemeente in eerste instantie de aanslag reclamebelasting 2009 had gebaseerd op het jaartarief (…) Met dagtekening 30 november 2009 heeft u een verminde-ringsnota ontvangen waarin de gemeente de aan u opgelegde aanslag reclamebelasting ten bedrage van € 1 875, heeft verminderd met € 937,50. De periode waarover u in 2009 reclamebelasting bent verschuldigd is van 1 juli tot en met 31 december 2009 en niet van 1 januari tot en met 31 december.

(…)

Twee aanslagen

U geeft aan dat er twee afzonderlijke aanslagen zijn opgelegd, voor a-straat1 en a-straat 1 BY, terwijl volgens u per locatie slechts een aanslag dient te worden opgelegd. Dit is juist. Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de Verordening (…) dienen de oppervlakten van reclameobjecten die bij een vestiging horen bij elkaar opgeteld te worden. Dit betekent dat aanslagnummer 2009000027874 ten bedrage van € 937,50 verminderd wordt met € 262,50 (zie ook het onderdeel uitspraak).

2.6. Op de vijfde bladzijde is vermeld:

Uitspraak

Op basis van het bovenstaande wordt uw bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard voor wat betreft het afzonderlijk in rekening brengen van de oppervlakte voor a-straat 1 BY. De reclameoppervlakte van dit object (7,2 m2) wordt toegevoegd aan de oppervlakte van a-straat 1. Er is sprake van een belastingobject. Dit betekent dat bovengenoemde aanslag ten bedrage van € 937,50 verminderd wordt met € 262,50 tot € 675, . De verminderingsnota ontvangt u binnenkort. (…)

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In hoger beroep houdt partijen, na wijziging van de wederzijdse standpunten, verdeeld of de reclamebelasting tot het juiste bedrag is geheven. Met name is nog in geschil of de Ambtenaar bij het vaststellen van de aanslag de juiste oppervlakte van reclameobjecten van belanghebbende in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Ambtenaar bevestigend.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. In hoger beroep concludeert belanghebbende, na wijziging van haar standpunt ter zitting, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Ambtenaar alsmede tot verdere vermindering van de aanslag tot op € 262,50.

3.5. De Ambtenaar concludeert tot – naar het Hof verstaat – bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het hoger beroep van belanghebbende

4.1. Van het aanslagbiljet is door beide partijen een kopie bij de gedingstukken in eerste aanleg overgelegd. Uit de presentatie van de aanslagen daarop blijkt, dat afzonderlijke aanslagen zijn opgelegd als hiervoor onder 1.1 is vermeld. Van de onder 2.5 bedoelde verminderingsnota van 30 november 2009 bevindt zich geen kopie bij de gedingstukken. Over de inhoud ervan voeren partijen niets meer aan dan wat daarover is vermeld zoals hiervoor onder 2.5 is weergegeven. Nadat de oorspronkelijke aanslag van € 1 350 voor a-straat 1 en die van € 525 voor a-straat 1 (vlaggen) – in de uitspraken op bezwaar kennelijk dezelfde als daar bedoeld met ‘a-straat 1 BY’ – bij de voormelde nota was gehalveerd en dus verminderd tot € 675, is deze na bezwaar op dat bedrag gehandhaafd.

4.2. In de heffingsmaatstaf is de oppervlakte van de vlaggen, 7,2 m², begrepen. Zulks, naar belanghebbende stelt, ten onrechte. Naar het oordeel van het Hof is dit in overeenstemming met het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5, lid 2, van de Verordening. Blijkens de in hoger beroep door belanghebbende overgelegde foto’s zijn de banieren zodanig hoog, dat – bij gebreke van nadere feitelijke stellingname door partijen op dit punt – aangenomen moet worden dat zij tegen vallen en omwaaien zijn geborgd doordat ze hetzij steunen op verzwaarde platen hetzij in de grond verankerd zijn, hetzij beide. De banieren met de masten waaraan zij zijn opgehangen, zijn aldus te beschouwen als bouwwerk in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Verordening, te weten ‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij directe of indirecte steun vindt in of op de grond’. Volgens de in zoverre eenstemmige stellingname van partijen zijn de vlaggen losstaand in drie rijen langs het parkeerterrein opgesteld. Zij zijn derhalve fysiek noch met de vestiging van belanghebbende noch met het winkel¬centrum als geheel verbonden. Gelet op de aard van de aankondiging op de vlaggen zoals deze zijn afgebeeld op de rechterfoto onderaan op het tiende blad en op de linkerfoto bovenaan op het elfde blad van het aanvullend hogerberoepschrift, heeft de Ambtenaar de oppervlakten van de vlaggen, voor zover daarop de naam van de vestiging van belanghebbende zichtbaar is, terecht aangemerkt als gebruikt door één belastingplichtige en als behorende bij de vestiging van belang¬hebbende. Dit wordt bevestigd doordat, zoals belanghebbende ter zitting stelt, zij voor de vlaggen een vergoeding betaalt aan de exploitant van het winkelcentrum, en wordt vervolgens niet anders doordat die exploitant het feitelijke beheer voert over de vlaggen en de masten waaraan ze zijn bevestigd.

4.3. De oppervlakte van de vlaggen is derhalve terecht begrepen in de heffingsmaatstaf van de na bezwaar in stand gebleven aanslag, zonder dat deze daartoe behoefde te worden verhoogd. De hierop gerichte grief van belanghebbende faalt.

4.4. Belanghebbende stelt verder dat een aantal van haar aankondigingen slechts tijdelijk, namelijk korter dan dertien weken aanwezig zijn geweest, Tegenover hetgeen in het aanvullende hogerberoepschrift van belanghebbende onder 6.5 tot en met 6.8 is aangevoerd, maakt de Ambtenaar, op wie in dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk dat de daar bedoelde aankondigingen door middel van posters op de ramen en in de etalage ten minste dertien weken aanwezig waren en een oppervlakte hadden van meer dan 7,84 m². Daarbij geldt als uitgangspunt dat het begrip ‘aankondigingen’ in de aanhef van artikel 11 van de Verordening, mede gelet op de omschrijving van ‘reclameobject’ in artikel 1, is ontleend aan, en geacht moet worden dezelfde betekenis te hebben als, hetzelfde begrip dat voorkomt in artikel 227 van de Gemeentewet en aldaar ziet op de inhoud van de voor het publiek zichtbare boodschap. Dit brengt mede dat zodra de boodschap inhoudelijk verandert, er geen sprake meer is van dezelfde aankondiging. Het andersluidende uitgangspunt van de Ambtenaar, verwoord in de laatste alinea op bladzijde 6 van het verweerschrift in hoger beroep, is derhalve onjuist. Niet is meer specifiek gesteld of gebleken dat de naam van belanghebbende ondanks de wisselingen van de bedoelde aankondigingen een vast bestanddeel daarvan is blijven vormen en als zodanig voortdurend, althans ten minste dertien weken, zichtbaar aanwezig is geweest.

5. Slotsom

De aanslag moet verder worden verminderd tot een, berekend naar een oppervlakte van (7,84+7,20 =) 15,04 m², derhalve tot op € 262,50. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. Het kennelijk voorwaardelijk ingestelde incidentele hoger beroep van de Ambtenaar is ongegrond.

6. Kosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (beroepschrift, verschijnen zitting Rechtbank, hogerberoepschrift, beantwoording incidenteel hoger beroep en verschijnen zitting Hof, derhalve 5 punten à € 437?1)= € 2 185 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

– verklaart het incidentele hoger beroep van de Ambtenaar niet-ontvankelijk;

– vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en van de Ambtenaar;

– vermindert de aanslag verder tot € 262,50;

– gelast de gemeente Zutphen aan belanghebbende de door haar betaalde griffierechten van € 298 in eerste aanleg en € 454 in hoger beroep te vergoeden;

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 2 185.

Aldus gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J. Kromhout in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.