Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7363

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
TBS P12/0250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat onder “de algemene veiligheid van goederen” niet alleen de bescherming van goederen in het algemeen tegen fysieke aantasting valt, maar ook het belang van het ongestoorde bezit van goederen van willekeurige derden. Aldus heeft de rechtbank in haar vonnis tot oplegging van de terbeschikkingstelling kunnen komen in combinatie met het bevel tot verpleging van overheidswege, voor welk bevel in het eerste lid van artikel 37b Wetboek van Strafrecht hetzelfde criterium wordt genoemd als voor de last tot terbeschikkingstelling in artikel 37a, eerste lid en onder 2 Wetboek van Strafrecht.

Oplichting kan niet worden gekwalificeerd als een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 38d, tweede lid in samenhang met artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de totale duur van de tbs-maatregel in dit geval is beperkt tot vier jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P12/0250

Beslissing d.d. 6 september 2012

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van de terbeschikkinggestelde van 7 mei 2012 en van het Openbaar Ministerie van 11 mei 2012 in de zaak van

[terbeschikkinggestelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek] te [plaats]

De beide beroepen zijn ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2012, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar en tegen de beslissing van de rechtbank Utrecht van 1 mei 2012, houdende de beslissing dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal (blijven) worden verpleegd.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het verlengingsadvies van [kliniek] van 7 december 2011, met daarbij gevoegd de wettelijke aantekeningen over het jaar 2010 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2011;

- de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht, ingekomen op 15 december 2011;

- het adviesrapport van het Leger des Heils van 12 april 2012, opgemaakt door de heer [reclasseringswerker];

- de processen-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg van respectievelijk 9 januari 2012 en 17 april 2012;

- de beslissingen waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 7 mei 2012;

- de akte van beroep van de officier van justitie van 11 mei 2012;

- de appelschriftuur van de officier van justitie, ingekomen op 29 mei 2012;

- de aanvullende informatie van 15 augustus 2012 van [kliniek], met daarbij gevoegd de wettelijke aantekeningen over het vierde kwartaal van 2011 en het eerste en tweede kwartaal van 2012;

- de ter zitting van 23 augustus 2012 door de terbeschikkinggestelde aan het hof overgelegde op schrift gestelde voordracht van de terbeschikkinggestelde.

Het hof heeft ter zitting van 23 augustus 2012 gehoord de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman, mr F.J. Koningsveld, advocaat te Breda, en de advocaat-generaal, mr G.J. de Haas.

Overwegingen

Het standpunt van de kliniek

Het verlengingsadvies van [kliniek] van 7 december 2011 vermeldt onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

Kernproblematiek/stoornis

Bij betrokkene is sprake van een drang tot oplichten met een obsessief karakter. Een belangrijke rol in het ontstaan en onderhouden van het oplichten speelt de persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en theatrale trekken. Kenmerkend voor de gestelde persoonlijkheidsstoornis is dat er sprake is van psychopathie. Hij heeft een groots verlangen naar aandacht en gaat tot het uiterste om deze te krijgen. Betrokkene is bekend met het op zelfdramatiserende, theatrale en overdreven wijze presenteren van psychische en somatische klachten. Narcisme komt naar voren in een overdreven gevoel van belangrijkheid, het overdrijven van eigen prestaties en talenten, de verwachting als superieur te worden erkend, fantaseren over maatschappelijk succes, het idee bijzondere rechten te hebben en anderen ge-/misbruiken om persoonlijke doelen te bereiken. Tevens is sprake van een gebrek aan empathie.

De kliniek ziet in de diagnostische observaties geen schizotypische trekken in de persoonlijkheid. Ten tijde van de behandeling in [kliniek] is de bipolaire symptomatologie onvoldoende zichtbaar en eenduidig, hetgeen vragen heeft opgeroepen of de, naar het hof begrijpt aanvankelijke, diagnose nog houdbaar is. De wisselende stemmingen in het gedrag zijn nog steeds waarneembaar. Een complicerende factor in de diagnostiek is dat er zowel op het vlak van de somatische als van de psychische gezondheid sprake is van symptomen van simulatie.

Recidivegevaar

Het risico op hernieuwd delictgedrag (oplichting) is nog steeds onverminderd aanwezig. Behoudens medicatie heeft betrokkene zijn behandelaanbod vrijwel geheel afgewezen. Binnen de kliniek wordt de kans op recidive van oplichting op korte en lange termijn als matig ingeschat. Buiten de kliniek wordt de kans op recidive van oplichting op korte en lange termijn als hoog ingeschat bij onvoldoende extern toezicht.

Advies kliniek

Betrokkene zal langdurig afhankelijk zijn van risicomanagement dat met name extern georganiseerd is middels een beschermd en begeleid wonen in een setting met voldoende verpleging en verzorging, toezicht, controle, begeleiding en psychiatrische behandeling. Indien er een geschikte vervolgvoorziening voorhanden is, kan het huidige risicomanagement aldaar worden voortgezet. Geadviseerd wordt de tbs-maatregel met twee jaar te verlengen om een passende vervolgvoorziening te vinden en vervolgens transmuraal verlof aan te vragen.

In aanvulling op voornoemd verlengingsadvies heeft [kliniek] bij brief van 15 augustus 2012 onder meer het volgende bericht - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene is de in de periode dat hij in [kliniek] verblijft niet gemotiveerd geweest voor behandeling en naar alle waarschijnlijkheid zal de kliniek er ook in de toekomst niet in slagen hem te motiveren.

De behandeling binnen [kliniek] heeft niet geleid tot een vermindering van het delictrisico ten aanzien van oplichting bij betrokkene. Ondanks de duidelijke structuur en beveiliging van een tbs-kliniek, houdt betrokkene de drang en vindt hij de mogelijkheden om delictgedrag te vertonen. De neiging te liegen, bedriegen en op te lichten is nog onverminderd aanwezig. Buiten de kliniek wordt de kans op recidive voor oplichting op korte termijn ingeschat als matig en op lange termijn als hoog bij onvoldoende extern toezicht.

Bij de afweging van het risico op gewelddadig gedrag zijn de beperkte en inadequate vaardigheden van [terbeschikkinggestelde] met betrekking tot coping en sociale relaties, de impulsiviteit en vijandigheid een belangrijke factor. Buiten de kliniek heeft [terbeschikkinggestelde] mogelijk gedurende zijn huwelijken agressie getoond, maar zijn zijn delicten niet gepaard gegaan met geweld. Er is echter op dit moment een aanzienlijke kans dat [terbeschikkinggestelde] frustraties oploopt in de maatschappij, zich onbegrepen voelt en zich vervolgens geen raad weet met deze emoties. Hierdoor wordt de kans op gewelddadig (acting out) gedrag buiten de kliniek op korte termijn als matig maar op lange termijn als hoog geschat.

Betrokkene zal langdurig afhankelijk zijn van risicomanagement in de vorm van toezicht en externe controle. In de praktijk wordt gezocht naar een vorm van beschermd en begeleid wonen in een setting met voldoende verpleging en verzorging, toezicht, controle, begeleiding en psychiatrische behandeling. Voor de lange termijn richt de kliniek zich op een plaatsing binnen de SBWU, met daarnaast een ondercuratelestelling. Als tussenstap naar de SBWU wordt een opname in een minder beveiligde setting noodzakelijk geacht, zoals een FPA, omdat de SBWU de stap van de huidige mate van beveiliging in de TBS-kliniek naar de afwezigheid van beveiliging in de SBWU-voorziening te riskant vindt. De inspanningen van de kliniek zijn gericht op het vinden van een dergelijke voorziening, tenzij er een vervolgvoorziening voor Beschermd Wonen bereid kan worden gevonden om betrokkene direct vanuit de kliniek, met een financiële ondercuratelestelling, op te nemen.

Het standpunt van de reclassering

Het adviesrapport van het Leger des Heils van 12 april 2012, opgemaakt door de heer [reclasseringswerker], vermeldt onder meer het volgende - zakelijk weergegeven -:

Uit de Risc die door rapporteur werd afgenomen in het kader van de voorbereiding van het plan TBS met voorwaardelijke beëindiging blijkt een hoog gemiddeld recidiverisico en komen de volgende delictgerelateerde factoren naar voren:

- psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek;

- tekorten in denkpatronen, gedrag en vaardigheden;

- inkomen en omgaan met geld;

- de houding van betrokkene.

Indien de verpleging voorwaardelijk wordt beëindigd, zal het plan onder andere uit de volgende voorwaarden moeten bestaan:

- wonen in een 24uursvoorziening van de SBWU of een soortgelijke instelling;

- begeleiding/behandeling van het Forensisch ACT van Altrecht te Utrecht;

- medicatie.

De reclassering acht een resocialisatietraject in de vorm van tbs met voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging niet de meest wenselijke. De risico’s op recidive zijn niet gering en de interventiemogelijkheden zijn binnen een reclasseringstoezicht beperkt ten opzichte van een transmuraal kader. De voorkeur gaat uit naar het continueren van de dwangverpleging en zo mogelijk starten met transmuraal verlof waarbij geleidelijk de overgang naar de SBWU kan plaatsvinden en het Forensisch ACT in kan voegen in de behandeling. Tegen het eind van de maatregel kan deze worden opgevolgd door een RM-maatregel in het kader van de Wet BOPZ, omdat de verwachting is dat het recidiverisico bij betrokkene dan nog onverminderd aanwezig is.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Door de advocaat-generaal is aan de orde gesteld of het openbaar ministerie –gelet het feit dat de officier van justitie na het indienen van een vordering tot verlenging van de maatregel ter zitting in eerste aanleg heeft gerequireerd tot afwijzing van die vordering- wel ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de maatregel.

De advocaat-generaal heeft verder aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank niet overeenstemt met de uitspraak van het hof van 29 april 2009, bekend onder nummer TBS 2009/019. Volgens de advocaat-generaal is, gelet op de artikelen 37a en 37b Wetboek van Strafrecht, oplegging van een tbs-maatregel wel mogelijk in geval van veroordeling voor oplichting, maar kan er in dat geval geen verpleging van overheidswege worden bevolen.

Op grond hiervan is primair geconcludeerd de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de verlengingsvordering af te wijzen. Subsidiair is betoogd dat er een alternatief is voor het verlengen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, namelijk het verlengen van de maatregel en het tegelijkertijd voorwaardelijk beëindigen van de dwangverpleging. Bij de terbeschikkinggestelde is sprake van een ernstige pathologie en de impact van de indexdelicten op de samenleving is groot.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Onder verwijzing naar de beslissing van het hof van 29 april 2009, bekend onder nummer TBS 2009/019, hebben de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman primair verzocht om afwijzing van de vordering. Subsidiair is gesteld dat sprake is van een in duur gemaximeerde terbeschikkingstelling en is gevraagd de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te bezien.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissingen van de rechtbank om doelmatigheidsredenen vernietigen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Bij zijn op schrift gestelde vordering, ingekomen ter griffie van de rechtbank Utrecht op 15 december 2011, heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling zal verlengen met twee jaar. Ter zitting van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2012 heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel.

Het hof overweegt dat het het openbaar ministerie vrij staat om ter zitting af te wijken van een eerdere -overeenkomstig de wettelijke bepalingen mogelijke- schriftelijk ingediende vordering, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Het hof verklaart het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in zijn vordering. Er is in dit geval niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andere beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering.

Last tot terbeschikkingstelling mogelijk voor oplichting?

Zowel het openbaar ministerie als de terbeschikkinggestelde heeft beroep ingesteld, omdat zij allereerst duidelijkheid willen krijgen over de vraag of de tbs-maatregel al dan niet kan worden opgelegd wanneer het bewezen verklaarde feit het misdrijf “oplichting”, genoemd in artikel 326 Wetboek van Strafrecht, betreft. En voorts of voor een dergelijk feit, gezien het in artikel 37b, eerste lid Wetboek van Strafrecht genoemde criterium dat de “veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen” dit eist, een bevel tot verpleging van overheidswege mogelijk is dan wel verlengd kan worden.

Zowel het openbaar ministerie als de terbeschikkinggestelde hebben in dit verband gewezen op de beslissing van het hof van 29 april 2009, bekend onder zaaknummer P 2009/019. In voornoemde zaak was de tbs-maatregel (aanvankelijk met voorwaarden, maar later omgezet in tbs met verpleging van overheidswege) opgelegd voor oplichting, diefstal en verduistering. Het hof heeft destijds de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het criterium aan de hand waarvan de onderhavige vordering tot verlenging van de maatregel moet worden beoordeeld is of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging eist. Aan dit criterium is in dit geval niet voldaan. De maatregel is niet opgelegd ter zake geweldsmisdrijven (maar louter vanwege vermogensdelicten, te weten oplichting, diefstal en verduistering) en van gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel voor de algemene veiligheid van personen blijkt niets. Evenmin is gebleken van gevaar voor de algemene veiligheid van goederen. Het enkele feit, hoe maatschappelijk schadelijk ook, dat betrokkene bij beëindiging van de maatregel mogelijk weer dit soort vermogenscriminaliteit zou gaan plegen, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat daarmee de algemene veiligheid van goederen in gevaar wordt gebracht.”

Het hof merkt op dat in deze overweging het antwoord op voormelde vragen in het midden blijft. Het hof komt thans tot de volgende overwegingen.

Oplegging van de tbs-maatregel

Een tbs-maatregel kan volgens artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

- bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;

- het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot één der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet;

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel.

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 september 2009 zijn aan betrokkene opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege voor vijf maal het misdrijf “oplichting, meermalen gepleegd”.

Uit voornoemd vonnis blijkt dat bij betrokkene tijdens het begaan van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Voldaan is derhalve aan de eerste voorwaarde van artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar is gesteld. Daarmee is ook voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarstelling van oplichting beschermt in de eerste plaats het vermogen van derden

-net als bijvoorbeeld de strafbaarstelling van diefstal- en in de tweede plaats het vertrouwen in (vooral) het handelsverkeer. De vraag is of de bescherming van deze belangen begrepen kan worden onder het criterium van artikel 37a, eerste lid en onder 2: “de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen”. Deze bewoordingen zien waar het gaat om goederen op het belang van het ongeschonden blijven van goederen in het algemeen en zijn ontleend aan het wetsontwerp - BOPZ. Zie de Nadere MvA bij het wetsontwerp - BOPZ, Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 12, p. 18. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag, Tweede Kamer, 1980/81, 11 270, nr. 17, p. 15 wordt in een verwijzing naar deze MvA nog opgemerkt dat het beginsel dat de rechtsorde aan allen bescherming tegen lijf en goed moet bieden, in het wetsontwerp een belangrijke rol speelt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat onder “de algemene veiligheid van goederen” niet alleen de bescherming van goederen in het algemeen tegen fysieke aantasting valt maar ook het belang van het ongestoorde bezit van goederen van willekeurige derden. Aldus heeft de rechtbank in haar vonnis van 8 september 2009 tot oplegging van de terbeschikkingstelling kunnen komen in combinatie met het bevel tot verpleging van overheidswege, voor welk bevel in het eerste lid van artikel 37b Wetboek van Strafrecht hetzelfde criterium wordt genoemd als voor de last tot terbeschikkingstelling in artikel 37a, eerste lid en onder 2 Wetboek van Strafrecht.

Gemaximeerde tbs

De terbeschikkingstelling is formeel ingegaan op 7 februari 2010 en loopt thans ruim twee jaar. De terbeschikkingstelling met verpleging kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. Oplichting kan niet worden gekwalificeerd als een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in artikel 38d, tweede lid in samenhang met artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de totale duur van de tbs-maatregel in dit geval is beperkt tot vier jaar.

Stoornis

Blijkens voormelde rapportages van de kliniek en reclassering is bij betrokkene nog steeds sprake van een drang tot oplichten met een obsessief karakter. Een belangrijke rol in het ontstaan en onderhouden van het oplichten speelt de persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en theatrale trekken. Kenmerkend voor de gestelde persoonlijkheidsstoornis is dat er sprake is van psychopathie.

Recidivegevaar

Het risico op hernieuwd delictgedrag (oplichting) is volgens de kliniek nog steeds onverminderd aanwezig. Binnen de kliniek wordt de kans op recidive van oplichting op korte en lange termijn als matig ingeschat. Buiten de kliniek wordt de kans op recidive van oplichting op korte en lange termijn als hoog ingeschat bij onvoldoende extern toezicht. Het hof neemt deze conclusies over.

Verlenging

Het hof is van oordeel dat op grond van het thans nog aanwezige recidivegevaar voor oplichting, niet slechts incidenteel maar op grotere schaal waarvan opnieuw willekeurige derden het slachtoffer kunnen worden, de algemene veiligheid van goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist, en wel voor de duur van één jaar.

Aanhouding van de beslissing omtrent voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege

Het hof overweegt de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof acht het, mede gezien de ontstane impasse in de behandeling van de terbeschikkinggestelde en de gemaximeerdheid van de tbs-maatregel, aangewezen dat alternatieve plaatsingsmogelijkheden voor betrokkene worden onderzocht, met inachtneming van zijn somatische klachten en de daarmee samenhangende zorgbehoefte.

Het hof acht het voor de vorming van zijn eindoordeel noodzakelijk zich nader te doen voorlichten over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde in het maatschappelijk verkeer zal kunnen geschieden. In verband hiermee zal het hof het onderzoek in deze zaak schorsen en de stukken in handen van de advocaat-generaal stellen teneinde door de Reclassering Nederland een reclasseringsrapportage omtrent de terbeschikkinggestelde te doen uitbrengen.

Het hof verzoekt de reclassering om in de rapportage de voorwaarden, te verbinden aan een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, zo duidelijk en concreet mogelijk uit te werken.

Het hof acht het tevens noodzakelijk dat de rapporteur van de reclassering tegen de volgende zitting als deskundige wordt opgeroepen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissingen van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2012 en van 1 mei 2012 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Houdt aan de beslissing omtrent voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege tot de zitting van [datum] te [tijdstip] uur.

Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met het verzoek zorg te dragen voor de rapportage, zoals hiervoor omschreven.

Het hof wenst uiterlijk een week voor de voornoemde zittingsdatum te beschikken over de rapportage van Reclassering Nederland.

Beveelt voorts de oproeping van de rapporteur van de reclassering en de terbeschikkinggestelde tegen de zitting van [datum] te [tijdstip] uur met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr E. van der Herberg en mr A.J. Smit als raadsheren,

en drs. T. van Iersel en prof. dr. B.C.M. Raes als raden,

in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,

en op 6 september 2012 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.