Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2012:BX7323

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
200.090.163
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling van de vraag of een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, maar niet voor herstel vatbare inkomensvermindering in aanmerking moet worden genomen, zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Daarvoor is niet noodzakelijk beslissend waartoe de onderhoudsplichtige gehouden was jegens zijn werkgever noch of hem in verband daarmee jegens zijn werkgever een verwijt treft, waarbij de aandacht verdient dat artikel 24 lid 2 onder a WW het oog heeft op gedragingen van de werknemer die jegens de werkgever verwijtbaar zijn. De vrouw heeft haar stelling dat sprake is van te herstellen verwijtbaar inkomensverlies onvoldoende aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.163

(zaaknummer rechtbank 204181 / ES RK 10-508)

beschikking van de familiekamer van 23 augustus 2012

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

feitelijk verblijvende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem,

en

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. M.D. Farkas-Tromp te Arnhem.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 31 maart 2011, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 juni 2011, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te wijzigen, dan wel te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen welk bedrag de man vanaf inschrijving van de echtscheiding maandelijks aan de vrouw dient te voldoen en te bepalen dat hetgeen de man teveel heeft betaald vanaf die datum door de vrouw aan de man terugbetaald dient te worden.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 september 2011, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man zoals gedaan in zijn appelschrift van 27 juni 2011 af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de man te veroordelen om vanaf het moment van transport van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 2.461,- bruto per maand (conform de eerste beschikking voorlopige voorzieningen van 13 augustus 2010), steeds bij vooruitbetaling te voldoen en in het principaal en het incidenteel hoger beroep de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.3 Daarop heeft de man in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 21 oktober 2011, waarin hij het hof verzoekt het verzoek van de vrouw, zoals gedaan in haar verweerschrift in appel tevens incidenteel appel, af te wijzen.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 5 juli 2011 een brief van mr. Ceelen van 4 juli 2011 met bijlage;

- op 22 juli 2011 een brief van mr. Ceelen van 21 juli 2011 met bijlage;

- op 6 januari 2012 een brief van mr. Farkas-Tromp van 5 januari 2012 met bijlagen;

- op 9 januari 2012 een brief van mr. Ceelen van die datum met bijlagen;

- op 10 januari 2012 een brief van mr. Farkas-Tromp van 9 januari 2012 met bijlage;

- op 5 maart 2012 een brief van mr. Ceelen van 2 maart 2012 met bijlagen;

- op 5 maart 2012 een brief van mr. Ceelen van die datum met bijlagen;

- op 6 maart 2012 een brief van mr. Farkas-Tromp van 5 maart 2012 met bijlagen;

- op 9 maart 2012 een brief van mr. Ceelen van die datum met bijlage.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd heeft mr. Farkas-Tromp ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief van mr. Ceelen van 9 maart 2012 met bijlage aangezien zij deze niet met haar cliënt heeft kunnen bespreken en zij dan ook nog nadere stukken zou willen indienen. Het hof heeft daarop beslist dat op de bijlage geen acht wordt geslagen, omdat deze weliswaar kort en eenvoudig te doorgronden is, maar dat mr. Farkas-Tromp niet voldoende heeft kunnen kennis nemen van die bijlage en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Het hof is bovendien van oordeel dat er op enig moment een einde aan het schriftelijk debat dient te komen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 18 mei 1990 met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 18 juli 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts voor zover hier van belang bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met € 1.564,00 per maand.

Ten aanzien van de man

3.3 De man, geboren op [geboortedatum] 1964, is alleenstaand. De man is vanaf 2007 tot 1 maart 2012 werkzaam geweest bij Van Wijnen Arnhem B.V. (hierna Van Wijnen):

Het belastbare loon bij Van Wijnen van de man bedraagt volgens de jaaropgave 2009 in dat jaar € 77.549,- (inclusief bonus over 2008) en volgens de jaaropgave van 2010 in dat jaar € 76.383,- (inclusief € 4.000,- bonus over 2009). Het belastbare loon over 2010 vermeerderd met het ingehouden spaarloon (van € 613,08) en verminderd met de fiscaal belaste bijtelling privégebruik leaseauto (€ 9.191,65) bedraagt € 67.804,43. De kantonrechter in de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem heeft het dienstverband van de man bij Van Wijnen bij beschikking van 31 januari 2012 met ingang van 1 maart 2012 ontbonden, met toekenning van een vergoeding van € 7.500,00 bruto.

3.4 De man had tot 1 januari 2011 een nul-uren contract bij het Ministerie van Defensie (hierna: Defensie). Het belastbare loon van de man bij Defensie bedraagt volgens de jaaropgaven van de jaren 2008, 2009 en 2010 in die jaren respectievelijk € 16.008,-, € 22.009,- en € 12.925,-.

3.5 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 850,- aan huur;

- € 130,90 aan ziektekosten in 2012:

- € 101,25 premie basisverzekering ZVW,

- € 60,35 premie aanvullende verzekering,

- € 18,30 eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand

Ten aanzien van de vrouw

3.6 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1967, is alleenstaand.

Het belastbare loon van de vrouw bedraagt volgens de jaaropgaven 2009 bij Maatschap Notarissen Elst in dat jaar € 27.347,-. Het inkomen van de vrouw bedraagt tot 14 juli 2010 blijkens de salarisspecificatie van Maatschap Notarissen Elst van juli 2010 bij een parttime percentage van 80 € 2.178,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Vanaf 14 juli 2010 is de vrouw werkzaam bij Defensie. Blijkens de salarisstrook van juli 2010 van Defensie bedraagt het inkomen van de vrouw vanaf 14 juli 2010 € 2.028,14 bruto per maand te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van juli 2011 € 2.561,- bruto per maand (inclusief inkomenstoeslag en verminderd met de korting in verband met de arbeidsduur), te vermeerderen met vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.7 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 407,69 aan hypotheekrente tot 28 december 2011;

- € 179,80 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek tot 28 december 2011;

- € 690,- aan hypotheekrente vanaf 28 december 2011;

- € 94,- aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek vanaf 28 december 2011;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 107,55 aan ziektekosten in 2010:

- € 94,75 premie basisverzekering ZVW,

- € 42,80 premie aanvullende verzekering,

- € 14,- eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 44,- per maand voor een alleenstaande

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 1.458,- per jaar.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de door de rechtbank met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgestelde bijdrage van € 1.564,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2 De man stelt de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt dat partijen in maart 2010 hun samenwoning feitelijk hebben verbroken en dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van zijn inkomen in 2009. Uitgegaan dient te worden van het inkomen van de man in 2010. In 2009 heeft de man, naar zijn zeggen, een aanmerkelijk hoger inkomen gegenereerd nu hij in dat jaar een opleiding in Canada heeft gevolgd en voor de opleidingsuren een vergoeding heeft gekregen. Volgens de vrouw is de jaaropgave van 2010 van Defensie niet representatief voor de normale werkzaamheden van de man. De man heeft zich in de loop van dat jaar steeds meer aan de werkzaamheden bij Defensie onttrokken omdat hij dan minder of geen alimentatie behoefde te betalen aan de vrouw. Volgens de vrouw dient aan de zijde van de man te worden uitgegaan van het jaarinkomen over 2009.

4.3 Het hof overweegt als volgt. Voor de bepaling van de hoogte van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw dient het hof rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de vrouw redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door het hof op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

4.4 De rechtbank heeft het besteedbaar inkomen van de vrouw, verminderd met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, ter bepaling van het gezinsinkomen bepaald op € 1.594,00 netto per maand. Nu tegen deze vaststelling geen grief is gericht, gaat het hof aan de zijde van de vrouw van dit bedrag uit.

4.5 Nu partijen in maart 2010 feitelijk de huwelijkse samenleving hebben beëindigd, ziet het hof aanleiding om bij de berekening van de behoefte van de vrouw van dat jaar uit te gaan. Het inkomen van de man in 2010 ligt ook in de lijn van hetgeen hij in 2008 heeft verdiend. Het jaar 2009 vormt hierop een uitzondering, waarvan de man heeft aangegeven dat dit tot stand is gekomen door de vergoeding die hij heeft gekregen voor de opleiding die hij voor Defensie in Canada heeft gevolgd, en waar extra uitgaven tegenover hebben gestaan. In ieder geval acht het hof dit jaar niet maatgevend voor het inkomen en de behoefte. Het hof ziet geen aanleiding om het inkomen van de man in 2010 bij Van Wijnen te verminderen met de daarin begrepen bonus over het jaar 2009. In voorgaande jaren is steeds een bonus uitgekeerd, zodat het reële inkomsten ten tijde van het huwelijk betreft. Bovendien hebben partijen in 2010 van de in dat jaar uitgekeerde bonus over 2009 geleefd. Dat de jaaropgave van 2010 van Defensie niet representatief is voor zijn werkzaamheden bij Defensie en dat de man opzettelijk zijn werkzaamheden bij Defensie is gaan verminderen in dat jaar, is door de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende onderbouwd.

4.6 Gelet op het voorgaande bepaalt het hof het inkomen van de man op € 4.097,- netto per maand, te verminderen met het door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke ZVW van € 194,- per maand. Gelet op het inkomen van de vrouw bepaalt het hof het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk aldus op ongeveer € 5.497,- netto per maand inclusief vakantietoeslag. Dit inkomen geeft een aanwijzing voor die welstand. Nu andere aanknopingspunten voor de bepaling van de behoefte van de vrouw ontbreken, neemt het hof dit bedrag als uitgangspunt. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, stelt het hof de behoefte van de vrouw vast op 60% van dit bedrag, ofwel € 3.298,- netto per maand.

4.7 Op de huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.298,- komen de huidige inkomsten van de vrouw in mindering. De vrouw werkt thans 38 uur per week bij Defensie, hetgeen neerkomt op (meer dan) een fulltime dienstverband. De vrouw heeft een netto besteedbaar inkomen uit arbeid van € 2.095,- per maand, zodat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.203,- per maand, hetgeen neerkomt op € 1.566,-bruto per maand.

4.8 De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

4.9 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3, 3.4 en 3.5 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.10 Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige komt het niet alleen

aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven. Het kan zich voordoen dat de onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht. Of een dergelijke vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, geldt het volgende. De opvatting dat dan de inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige steeds ten volle in aanmerking moet worden genomen, is in haar algemeenheid niet juist; het hangt van de omstandigheden van het geval af of de inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing behoort te blijven. In elk geval sluit het enkele feit dat de onderhoudsplichtige zelf de inkomensvermindering heeft teweeggebracht, niet uit dat bij het bepalen van zijn draagkracht met deze inkomensvermindering rekening wordt gehouden. Bij de beoordeling van de vraag of een door de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte, maar niet voor herstel vatbare inkomensvermindering in aanmerking moet worden genomen, zal in het bijzonder moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Daarvoor is niet noodzakelijk beslissend waartoe de onderhoudsplichtige gehouden was jegens zijn werkgever noch of hem in verband daarmee jegens zijn werkgever een verwijt treft, waarbij de aandacht verdient dat artikel 24 lid 2 onder a WW het oog heeft op gedragingen van de werknemer die jegens de werkgever verwijtbaar zijn.

Inkomensverlies Defensie

4.11 De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man verwijtbaar heeft gehandeld door per 1 januari 2011 ontslag te nemen bij Defensie. De man betwist dat. Er dient volgens de man geen rekening te worden gehouden met enige verdiencapaciteit bij Defensie. De man kon zijn werk als PC (Peleton commandant) niet meer combineren met zijn fulltime baan bij Van Wijnen. De man heeft Defensie gevraagd of hij minder kon werken, maar dit was niet mogelijk. Defensie heeft bij de man aangedrongen tot het nemen van ontslag, zodat zij iemand anders konden aannemen die wel inzetbaar was en de minimale inzet kon waarmaken. De man functioneerde door de dubbele functie, in combinatie met zijn privéomstandigheden, ook minder bij Van Wijnen. Subsidiair heeft de man aangevoerd dat geen rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 12.925,00 bruto per jaar aan inkomsten bij Defensie. In 2010 is het budget overschreden. In 2011 worden daar nu correcties op toegepast. De man verwacht dat hij in 2011 maximaal 276 uren had kunnen declareren, hetgeen zou neerkomen op een bruto jaarinkomen voor 2011 van € 6.949,68 per jaar.

4.12 De vrouw heeft het voorgaande betwist en handhaaft haar standpunt dat rekening dient te worden gehouden met het inkomen van de man bij Defensie, aangezien er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Volgens de vrouw zou bij de draagkracht van de man primair rekening dienen te worden gehouden met een inkomen bij Defensie van € 22.000,- per jaar, dan wel subsidiair met € 16.009,-, dan wel meer subsidiair met een gemiddelde over 2008 tot en met 2010 € 16.978,-, dan wel nog meer subsidiair een inkomen van € 12.925,- per jaar.

4.13 Het hof is van oordeel dat de man redelijkerwijs niet in staat behoeft te worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijk inkomen bij Defensie te gaan verwerven en dat de vrouw dit ook niet van hem kan vergen. Uit de door de man overgelegde brief van R. van Eck, voormalig commandant A-Cie 40 NRBat volgt dat de man vanaf begin 2010 met Defensie heeft gesproken over minder uren draaien en stoppen als gevolg van privé omstandigheden. Blijkens deze brief functioneerde de man niet meer naar behoren als PC en voldeed hij niet meer aan de minimale eisen. Defensie heeft op ontslag aangedrongen, zodat Defensie de plek van de man kon invullen door iemand die wel inzetbaar was en de minimale inzet kon waarmaken. Ook uit het verslag van [A] van Mathanze ontwikkelingsconsultants, personal coach van de man, van 24 juni 2011 volgt dat de man begin januari 2011 door Van Wijnen voor personal coaching is voorgedragen, omdat Van Wijnen zag dat het niet goed ging met de prestaties van de man. Van Wijnen legde druk op de man om te stoppen bij Defensie en zich te concentreren op zijn baan en niet op zijn nevenactiviteiten (zie de brief van Van Wijnen van 22 juli 2010). Defensie deed hetzelfde. De man heeft moeten stoppen bij Defensie omdat hij de werkdruk en de verantwoordelijkheid zowel bij Defensie als bij Van Wijnen niet meer aan kon, aldus [A]. Uit het voorgaande volgt, naar het oordeel van het hof, voldoende dat de man de combinatie van zijn fulltime baan bij Van Wijnen en zijn baan bij Defensie niet meer aankon, zodat ook niet van hem kan worden gevergd dat hij deze combinatie weer oppakt. De man heeft voorts voldoende aangetoond dat hij niet opnieuw het oorspronkelijke inkomen bij Defensie kan gaan verwerven, waarbij de huidige situatie bij Defensie (bezuinigingen) en het nul-urencontract dat de man had bij Defensie een rol spelen, maar ook het feit dat de man door de medische klachten die hij heeft niet langer voor een functie bij Defensie in aanmerking komt. Het hof is voorts van oordeel dat de man, gelet op het voorgaande, zich ook niet uit hoofde van zijn verhouding tot de vrouw zich met het oog op haar belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. De vrouw was er ten tijde van het huwelijk reeds van op de hoogte dat de man een coachingstraject doorliep en dat de man moeilijkheden had zijn fulltime baan bij Van Wijnen met zijn werk bij Defensie te combineren. Het hof zal, anders dan de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man, het inkomen van de man bij Defensie buiten beschouwing laten.

Inkomensverlies Van Wijnen

4.14 Sinds 1 maart 2012 is het dienstverband bij Van Wijnen geëindigd. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ook hier sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Desgevraagd heeft de man ter mondelinge behandeling een toelichting gegeven op het inkomensverlies dat hij heeft geleden bij Van Wijnen. Volgens de man gaat het ontzettend slecht in de bouw en heeft hij voor het ontslag reeds vier gesprekken gehad met zijn werkgever, waaruit bleek dat het behoud van zijn baan erg onzeker was. Van Wijnen heeft steeds druppelsgewijs mensen ontslagen, zodat geen noodzaak bestond voor het opstellen van een sociaal plan. Na zijn ontslag heeft de man actief gesolliciteerd om zo spoedig mogelijk weer elders aan de slag te kunnen. Tot nu toe is het hem niet gelukt een baan te vinden.

4.15 Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover deze uitgebreide toelichting van de man haar stelling dat ook hier sprake is van te herstellen verwijtbaar inkomensverlies onvoldoende aangetoond. Haar stelling dat de man zich meer tegen het ontslag had moeten verzetten en genoegen heeft genomen met een te lage ontbindingsvergoeding, volgt het hof niet. De man heeft aangevoerd dat Van Wijnen de kantonrechter om ontbinding op grond van bedrijfseconomische redenen heeft verzocht. De man heeft zich in de procedure laten bijstaan door een juridisch adviseur van het FNV. Op advies van deze juridisch adviseur heeft de man ingestemd de beëindigingsovereenkomst en de daarin opgenomen ontslagvergoeding. Naar het oordeel van het hof mocht de man af gaan op het advies van zijn juridisch adviseur. Dat er thans nog vacatures zijn bij Van Wijnen, zoals de vrouw heeft aangevoerd, zegt nog niet dat de man zijn baan had kunnen behouden. De man heeft voorts voldoende gemotiveerd gesteld dat hij ook niet voor re-integratie of herplaatsing in een andere functie bij Van Wijnen in aanmerking kwam. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn oude inkomen bij Van Wijnen niet kon terugkrijgen en dat dat redelijkerwijs ook niet van hem kon worden gevergd. Bovendien oordeelt het hof dat uit het voorgaande voldoende blijkt dat de man zijn arbeidsovereenkomst met Van Wijnen niet zelf heeft beëindigd en dat de man de daaruit voortvloeiende inkomensvermindering niet zelf teweeg heeft gebracht door gedragingen waarvan hij zich gezien zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw had moeten onthouden.

4.16 De man heeft een ontslagvergoeding ontvangen van € 7.500,- bruto. Het hof gaat er van uit dat de man deze ontslagvergoeding volledig zal aanwenden om zijn inkomen dat hij bij Van Wijnen verdiende aan te vullen. Het vorenstaande houdt in dat de man in ieder geval tot 1 mei 2012, van de ontslagvergoeding gebruik kan maken om zijn inkomen aan te vullen tot de hoogte van het salaris dat hij bij Van Wijnen verdiende van € 4.904,15 bruto per maand. Het hof zal vanaf 1 mei 2012 uitgaan van een WW-uitkering van € 2.496,- bruto per vier weken (€ 2.704,- per maand), te vermeerderen met de vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

4.17 De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting tot 1 maart 2012.

4.19 Op 28 december 2011 heeft het transport van de voormalig echtelijke woning aan de vrouw plaatsgevonden. De woonlasten van de vrouw zijn hierdoor gewijzigd. Hierover is tussen partijen geen geschil. Het hof houdt vanaf 1 januari 2012 wel rekening met inkomen uit vermogen aan de zijde van de man, nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat de man bij het transport van de voormalig echtelijke woning de man € 87.500,- heeft ontvangen. Het hof gaat uit van een in redelijkheid te verwerven jaarrendement van 2,5% en begroot de feitelijke rente-inkomsten van de man uit op € 2.188,- bruto per jaar. Bij de door de man te betalen inkomstenbelasting over voormeld vermogen houdt de man rekening met het heffingsvrij vermogen, een forfaitair rendement van 4% en een belastingdruk volgens het vaste tarief van 30%.

4.20 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

4.21 De vrouw heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de man samenwoont en hij derhalve zijn woonlast met zijn nieuwe partner dient de delen. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij. De man heeft voorts aangevoerd dat hij een huurovereenkomst is aangegaan voor één jaar en het voor hem niet zinvol, dan wel mogelijk is, om tussentijds te verhuizen. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een onredelijke woonlast.

4.22 Het hof onderscheidt, gezien het bovenstaande, bij de draagkrachtberekening op grond van gewijzigde omstandigheden de volgende periodes:

I. van 18 juli 2011 tot 1 januari 2012 (transport voormalig echtelijke woning);

II. van 1 januari 2012 tot 1 mei 2012 (ontslag man met ingang van 1 maart 2012 + aanvulling ontbindingsvergoeding);

III. 1 mei 2012 – heden.

4.23 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 18 juli 2011 tot 1 januari 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.951,- per maand, met ingang van 1 januari 2012 tot 1 mei 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 2.071,- en met ingang van 1 mei 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 435,-.

4.24 Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan hij, ziet het hof aanleiding een jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60, en de hiervoor onder 3.6 en 3.7 vermelde financiële gegevens. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof voorts rekening met de op de salarisspecificatie van juli 2011 vermelde premie OP/NP, premie VUT/FPU-Basis en premie IPBW (HOOG), alsmede met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.25 Met de door de vrouw opgevoerde verwervingskosten van € 170,- per maand houdt het hof geen rekening, nu de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet met het openbaar vervoer naar haar werk kan en het voor haar niet mogelijk is dan op tijd te komen.

4.26 Vergelijking van ieders draagkracht leert het hof dat de vrouw in de periode van 18 juli 2011 tot 1 januari 2012 met een alimentatie van € 1.133,- per maand, in de periode van 1 januari 2012 tot 1 mei 2012 met een alimentatie van € 1.329,- per maand, niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Het hof zal daarom deze bedragen vaststellen. Met ingang van 1 mei 2012 blijkt uit de berekening dat de vrouw indien partneralimentatie wordt opgelegd meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat het hof over deze periode de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil zal vaststellen.

4.27 De man vordert terugbetaling door de vrouw van hetgeen hij teveel heeft betaald. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij dit niet kan terugbetalen, omdat ze de door de man betaalde bijdrage heeft geconsumeerd voor haar levensonderhoud.

4.28 Het hof is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij de door de man sinds 18 juli 2011 teveel betaalde bijdrage terugbetaalt. Mede gelet op de hoogte van de tot nu toe betaalde onderhoudsbijdragen, de hoogte van het inkomen van de vrouw en het consumptieve karakter van de onderhoudsbijdrage, acht het hof aannemelijk dat deze bijdragen reeds zijn uitgegeven en dat de vrouw niet in staat is deze bedragen terug te betalen.

4.29 Voorzover de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verzocht de man te verplichten haar op de hoogte te houden van zijn financiële situatie door haar een kopie van de aangifte inkomstenbelasting en een kopie van zijn jaaropgave te verstrekken, is dit verzoek niet op de wet gegrond en derhalve niet toewijsbaar. Dit laat onverlet dat partijen elkaar over en weer van informatie kunnen voorzien. Ter mondelinge behandeling hebben partijen ook verklaard dit te zullen doen.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 31 maart 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 18 juli 2011 tot 1 januari 2012 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.133,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2012 tot 1 mei 2012 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.329,- per maand zal betalen;

stelt de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 mei 2012 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, A.E.F. Hillen en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. E. Baan als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is op 23 augustus 2012 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.